Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2019:4031

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 06-06-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 06-06-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2019:4031, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 13/684407-18 (Promis)


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/684407-18 (Promis)

Datum uitspraak: 6 juni 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] , gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting “ [naam PI] ” te [plaats] .

ECLI:NL:RBAMS:2019:4031:DOC
nl

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/684407-18 (Promis)

Datum uitspraak: 6 juni 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] , gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting “ [naam PI] ” te [plaats] .
1

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 mei 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.M. Ruijs en van wat verdachte en zijn raadsman mr. T.W. Gijsberts naar voren hebben gebracht.

2

1. diefstal met geweld en/of afpersing van € 1.700,06 toebehorende aan winkelbedrijf De Spar, op 25 juni 2018; 2. primair: diefstal van een scooter toebehorende aan [naam 1] , tussen 24 en 25 juni 2018;subsidiair: opzet- dan wel schuldheling van die scooter op diezelfde data.
Aan verdachte is – kort samengevat – ten laste gelegd dat hij zich in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3

3.1.
Inleiding

Op 25 juni 2018 krijgen verbalisanten de melding dat de Spar, gelegen aan de [vestigingsplaats] was overvallen. De overvaller zou inmiddels zijn gevlucht met een scooter. Ter plaatse wordt een witte helm aangetroffen. Deze zou door de overvaller zijn gedragen. Verder worden de verbalisanten door diverse getuigen aangesproken. Zij vertellen hen wat zij hebben gezien. De caissière vertelde onder meer dat de overvaller haar had bedreigd met een mes. De overvaller had vervolgens meerdere bankbiljetten meegenomen. Een tweede medewerker van de Spar, de manager, vertelde dat ook hij was bedreigd met een mes. Daarnaast had de overvaller hem uitgescholden en geld uit de tweede kassa weggenomen. De overval is opgenomen op camerabeeld. Onderzoek leidt uiteindelijk tot de aanhouding van verdachte. Hij heeft echter telkens met klem ontkend dat hij de overval heeft gepleegd. De vraag die dan ook voorligt is: is verdachte de dader van de overval?
3.2.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Volgens de officier van justitie is dat het geval en kunnen de tenlastegelegde feiten worden bewezen. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Uit de aangiftes volgt dat de overvaller een helm draagt en een mes dreigend in de richting van de aangevers houdt. Die verklaringen worden ondersteund door de camerabeelden. Dat verdachte de dader is van de overval blijkt uit het feit dat zijn DNA is aangetroffen op de helm die werd gedragen door de overvaller. Ook blijkt zijn betrokkenheid uit e-mailberichten die zijn verzonden naar de politie. In de e-mails geeft de overvaller aan dat hij spijt heeft en dat hij behandeld wil worden. De e-mails zijn verzonden vanaf het IP-adres op naam van de moeder van verdachte en gekoppeld aan het adres waar verdachte met zijn moeder woont. Daarbij komt dat de politie wederom soortgelijke e-mails ontvangt van een IP-adres in Eritrea. Verdachte was op het moment van het sturen van die mails op vakantie in Eritrea. De e-mails verstuurd vanaf het IP-adres op naam van de moeder van verdachte bevatten daderinformatie. Niet aannemelijk is dat de e-mailberichten door een ander dan verdachte zijn verzonden, omdat deze ook specifieke persoonlijke informatie bevatten, welke van toepassing lijkt op verdachte. Verder passen de genoemde signalementen van de overvaller bij het uiterlijk van verdachte. Op grond van het voorgaande kan niet anders dan dat verdachte de overval heeft gepleegd. Uit de genoemde bewijsmiddelen is verder gebleken dat aangeefster [naam aangeefster 1] , de caissière, onder dreiging geld heeft afgegeven, ook heeft de overvaller zelf geld uit de kassa weggenomen. Aangeefster krijgt tijdens de overval een stomp tegen haar bovenarm. Ondanks dat deze stomp niet duidelijk op de camerabeelden staat, bestaat er geen reden tot twijfel aan haar verklaring. Ook uit de kassa van aangever [naam aangever 1] , de manager, is een geldbedrag weggenomen. Na een geldtelling blijkt het te gaan om een geldbedrag van 1.700,06 euro. Dat maakt dat de diefstal met geweld en de afpersing kunnen worden bewezen.
Ook de diefstal van de scooter kan worden bewezen. Uit de getuigenverklaringen volgt dat de overvaller op een scooter reed. Daarnaast wordt in de e-mails gesproken over de scooter. Naar aanleiding van die e-mailberichten wordt de gestolen scooter uiteindelijk aangetroffen. Uit de aangifte volgt bovendien dat de scooter kort voor de overval is weggenomen. Daarom kan ook dat feit worden bewezen.

3.3.
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte niet de dader is geweest van de overval, hij moet dan ook worden vrijgesproken. Op de camerabeelden is immers te zien dat dat de overvaller een lichtere huidskleur heeft dan verdachte. Ook past het uiterlijk van verdachte niet bij het opgegeven signalement. Daarnaast betekent het aantreffen van het DNA van verdachte op de helm niet zonder meer dat verdachte dan ook de dader is geweest van de overval. Er is namelijk een mengprofiel aangetroffen, de helm zou dus ook door een ander kunnen zijn gedragen tijdens de overval. Verdachte verklaart ter zitting dat hij de helm wel heeft gedragen, maar deze enige tijd voor de overval heeft weggegeven. Wat betreft de e-mailberichten kan niet worden uitgesloten dat een ander verdachte er probeert in te luizen. De berichten met betrekking tot de overval zijn op één datum verstuurd, deze zouden dus ook goed door een ander kunnen zijn verstuurd. Bovendien heeft verdachte de overval altijd ontkend, dat past niet bij de e-mails waarin spijt wordt betuigd. Verder is niet onderzocht vanaf welk apparaat de e-mails zijn verzonden, er kan dus ook niet worden vastgesteld of deze zijn verzonden vanaf een apparaat van verdachte. Daarnaast gaan de e-mailberichten uit Eritrea niet over de overval; het is dus maar de vraag of deze van dezelfde afzender zijn als de eerdere e-mails. Die berichten kunnen dan ook niet bijdragen aan het bewijs. Daarbij komt dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de afzender van de e-mails ook de dader van de overval is geweest. Al het voorgaande maakt dat twijfel bestaat over de betrokkenheid van verdachte, de diefstal met geweld en afpersingen kunnen dan ook niet worden bewezen. Subsidiair is aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat aangeefster [naam aangeefster 1] is geslagen of gestompt, omdat dit niet is te zien op de camerabeelden.
Ook de diefstal of de heling van de scooter kunnen niet worden bewezen. Aangezien niet kan worden vastgesteld dat verdachte de afzender van de e-mails is. Bovendien ontbreekt enig aanvullend bewijs voor de diefstal van de scooter. Verder is niets bekend over verkrijging van de scooter, de verkrijger had dan ook niet hoeven te weten of redelijkerwijs moeten vermoeden dat de scooter van misdrijf afkomstig is. Daarom moet verdachte ook van de onder 2 tenlastegelegde feiten worden vrijgesproken.

Tot slot is door de raadsman verzocht om, in het geval de rechtbank verdachte niet aanstonds vrijspreekt van de overval, de zaak aan te houden om een reconstructie te verrichten en de beelden van de overige camera’s te verstrekken. Nu een nader vergelijkend gezichtsonderzoek van de camerabeelden en verdachte volgens het NFI niet mogelijk is, kan mogelijk via nader onderzoek de huidskleur van verdachte worden vergeleken met de camerabeelden.

3.4.
Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de overval

De rechtbank heeft als volgt overwogen. Vastgesteld kan worden dat de Spar, gelegen aan de [vestigingsplaats] , op 25 juni 2018 is overvallen. Door de overvaller is gedreigd met een mes en bij de overval is een totaalbedrag van 1.700,06 euro weggenomen, welk geld is meegenomen in een tas van de winkelketen Saturn . Verder staat vast dat de overvaller bij het verlaten van de winkel zijn helm heeft achtergelaten. Ook is gebleken dat de overval op camera is vastgelegd. Deze beelden ondersteunen weliswaar de verklaringen van aangevers, maar geven geen duidelijk beeld van het uiterlijk van de overvaller. De huidskleur van de persoon op de overbelichte beelden zou kunnen passen bij het uiterlijk van verdachte, maar op basis van de beelden kan de betrokkenheid van verdachte niet worden vastgesteld of uitgesloten. Daarom zal de rechtbank de camerabeelden niet meewegen voor het bewijs. De rechtbank komt overigens tot de conclusie dat op de camerabeelden niet is te zien dat aangeefster [naam aangeefster 1] een stomp krijgt, dat onderdeel van de tenlastelegging kan dus in ieder geval niet worden bewezen.
Wie de dader van de overval is geweest zal dus uit andere omstandigheden moeten blijken. De helm, die is aangetroffen op het plaats-delict, is onderzocht op sporen. Op de helm is een DNA-spoor aangetroffen. Het DNA-hoofdprofiel betreft het DNA van verdachte. Verdachte heeft dat niet kunnen verklaren. Het is immers niet aannemelijk dat zijn DNA wordt aangetroffen als hij de helm (ruim) voor de overval heeft weggegeven aan een ander. Bovendien kon verdachte niet duidelijk maken aan wie hij de helm zou hebben gegeven, wanneer dat was en waar de overdracht zou hebben plaatsgevonden. Op grond van het aantreffen van zijn DNA kan juist worden vastgesteld dat verdachte de helm heeft gedragen, voordat deze werd aangetroffen door de verbalisant.

Verder is gebleken dat er e-mailberichten zijn verzonden aan een specifieke verbalisant, namelijk de buurtregisseur van de buurt waar verdachte woont. In deze e-mailberichten wordt de overval bekend, wordt spijt betuigd en daderinformatie genoemd. Zo wordt er onder andere gesproken over een overval op de Spar waarbij een mes en een Saturntas is gebruikt en dat er een helm is achtergelaten. Ook deze omstandigheid kan aan verdachte worden gelinkt. De e-mailberichten zijn immers verzonden vanaf het IP-adres dat op naam staat van de moeder van verdachte. Verder bevatten de e-mails gegevens die bijzonder specifiek zijn en overeenkomen met verdachte zoals de leeftijd, het gewicht, de jeugdinrichtingen waar hij heeft gezeten en de dag waarop hij op vakantie zou gaan. Extra opmerkelijk is dan ook dat er wederom e-mailberichten aan dezelfde verbalisant zijn verstuurd vanuit Eritrea, op het moment dat verdachte zich daar bevond. De rechtbank acht op geen enkele wijze aannemelijk dat iemand anders verdachte erin probeert te luizen en dat diegene die e-mails heeft gestuurd. De rechtbank komt op grond van het voorgaande dan ook tot de conclusie dat verdachte de e-mails heeft geschreven. Nu deze e-mails een bekentenis en daderinformatie bevatten en op het plaats delict sporen van verdachte zijn aangetroffen, komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte de dader is geweest van de overval. Het onder 1 tenlastegelegde kan dan ook worden bewezen. Verdachte heeft met zijn handelen zowel een diefstal met geweld als een afpersing gepleegd. Deze gedragingen kwamen voort uit één ongeoorloofd wilsbesluit, daarom zal de rechtbank de gedragingen kwalificeren als een voortgezette handeling.
Voorwaardelijk verzoek

Nu de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, dient een beslissing te worden genomen over het voorwaardelijk verzoek van de raadsman. De rechtbank heeft daarover het volgende overwogen. Het verzoek is pas tijdens de inhoudelijke behandeling gedaan. Dat betekent dat het noodzakelijkheidscriterium van toepassing is. De noodzaak tot het uitvoeren van een reconstructie of het verstrekken van de beelden van de overige camera’s is echter niet gebleken, nu de rechtbank op grond van andere bewijsmiddelen dan de camerabeelden tot haar oordeel is gekomen. Het verzoek van de raadsman wordt dan ook verworpen.
Ten aanzien van de diefstal dan wel heling van de scooter

De rechtbank heeft weliswaar eerder overwogen dat verdachte de afzender van de e-mails is geweest, waarin ook wordt geschreven over een witte scooter, maar dat is onvoldoende om verdachte op basis daarvan te veroordelen voor de diefstal. Er is immers geen aanvullend bewijs dat die scooter door verdachte is weggenomen. Ook zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de heling omdat er niets bekend is over de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de scooter is verkregen. Als verdachte de scooter al voorhanden heeft gehad, kan niet op basis van het dossier worden vastgesteld dat hij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de scooter van misdrijf afkomstig was. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 2 tenlastegelegde.
4

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Onder 1

hij op 25 juni 2018 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geldbedragen (totaal ongeveer 1700,06 euro), toebehorende aan winkelbedrijf De Spar (filiaal [vestigingsplaats] ), welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [naam aangeefster 1] en [naam aangever 1] (beiden werkzaam in voornoemde winkelbedrijf), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte opzettelijk dreigend (zulks terwijl hij, verdachte, een helm droeg om herkenning te voorkomen en om schrik aan te jagen) een mes heeft getoond en gehouden in de richting van voornoemde [naam aangeefster 1] en [naam aangever 1] en tegen [naam aangeefster 1] heeft gezegd: “Doe die la open, doe het nou open” en “Haal het eruit” en “Stop het in deze zak”, en tegen [naam aangever 1] heeft gezegd: “Doe je lade open, kankerlijer, ik steek je neer”
en

op 25 juni 2018 te Amsterdam, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met geweld [naam aangeefster 1] en [naam aangever 1] (beiden werkzaam in winkelbedrijf De Spar, filiaal [vestigingsplaats] ) heeft gedwongen tot de afgifte van geldbedragen (totaal ongeveer 1700,06 euro), dat aan voornoemd winkelbedrijf toebehoort, door in voornoemd winkelbedrijf opzettelijk dreigend (zulks terwijl hij, verdachte, een helm droeg om herkenning te voorkomen en om schrik aan te jagen) een mes te tonen en te houden in de richting van voornoemde [naam aangeefster 1] en [naam aangever 1] en tegen [naam aangeefster 1] te zeggen: “Doe die la open, doe het nou open” en “Haal het eruit” en “Stop het in deze zak” en tegen [naam aangever 1] te zeggen: “Doe je lade open, kankerlijer, ik steek je neer”.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

overwegingen

7

7.1.
De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte, voor de door haar onder 1 en 2 bewezen geachte feiten, zal worden opgelegd de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel). Als subsidiair standpunt heeft zij gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden met aftrek van het voorarrest.
7.2.
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is voldaan aan de vereisten voor het opleggen van de ISD-maatregel. Bovendien is verdachte maar één keer eerder voor een soortgelijk feit veroordeeld. Verder heeft hij verzocht om in strafmatigende zin rekening te houden met de verwardheid van verdachte, met zijn verstandelijke beperking en zijn overige persoonlijke omstandigheden.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld en afpersing door met een mes winkelmedewerkers van de Spar te bedreigen, hen te dwingen geld af te staan en zelf geld weg te nemen. Een van medewerkers was een minderjarig meisje, de rechtbank kan zich voorstellen dat deze gebeurtenis een extra grote indruk op haar heeft gemaakt. Zij beschrijft ook in haar slachtofferverklaring dat haar leven door deze gebeurtenis is veranderd. Ze merkte dat ze veel sneller schrikt, ook denkt ze regelmatig terug aan de overval en aan de mogelijkheid dat deze slechter was afgelopen. Verdachte heeft met zijn gedrag enkel zijn eigen belangen vooropgesteld. Hij heeft geen rekening gehouden met de gevoelens van anderen. Ook zijn andere personen ongewild toeschouwer van de overval geworden. Verdachte heeft deze immers gepleegd in een drukbezochte winkel in het centrum van Amsterdam. Het moet een eng en bedreigend moment voor alle aanwezigen zijn geweest. Dat neemt de rechtbank verdachte kwalijk. Verder acht de rechtbank ernstig dat verdachte een groot geldbedrag heeft weggenomen.

Het uitgangspunt in soortgelijke zaken is bij licht geweld en/of bedreiging een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar. Bij ander geweld is het oriëntatiepunt van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS) een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar.

Bovendien is verdachte blijkens zijn strafblad van 17 april 2019 eerder veroordeeld voor soortgelijke feiten. Dit weegt in het nadeel van verdachte mee voor de bepaling van de strafmaat. Daarnaast is verdachte na het plegen van de overval veroordeeld in een andere zaak, dat betekent dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

De rechtbank ziet zich echter op de zitting geconfronteerd met een beperkte en jonge verdachte. Hij is gedurende zeven weken geobserveerd in Teylingereind, maar hij heeft minimaal meegewerkt aan het onderzoek. De conclusies van het rapport van 8 april 2019 luiden als volgt. Verdachte heeft een licht verstandelijke beperking en een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken. Deze gebrekkige ontwikkeling was ook aanwezig ten tijde van de overval. Op basis van de beschikbare informatie en geconstateerde problematiek zijn er echter geen bouwstenen voor de veronderstelling dat het feit in een verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend. Ook kan de kans op herhaling niet worden voorspeld, er is in ieder geval geen patroon van agressief gedrag geconstateerd. Er wordt geadviseerd om het meerderjarigenstrafrecht toe te passen, omdat sprake is van een uitgerijpte persoonlijkheidsstoornis. Verder volgt er geen behandeladvies. De reclassering schat de risico’s op recidive, onttrekking en letselschade bij rapport van 29 april 2019, hoog in. Ook zij adviseren om het meerderjarigenstrafrecht toe te passen, omdat het antisociale gedrag van verdachte een contra-indicatie voor toepassing van het jeugdstrafrecht is. Nu verdachte niet bereid is zijn gedrag te veranderen, wordt een ambulant begeleidingstraject niet haalbaar geacht. De reclassering adviseert om aan verdachte en onvoorwaardelijke straf op te leggen.

De rechtbank had het wenselijk geacht dat verdachte goed had meegewerkt aan het persoonlijkheidsonderzoek, zodat er beter inzicht was verkregen in zijn persoonlijkheidsproblematiek. De rechtbank zal de beperktheid en leeftijd van verdachte wel in strafmatigende zin meewegen. Door de officier van justitie is bij repliek nog de oplegging van de ISD-maatregel geëist. De rechtbank is van oordeel dat die maatregel niet passend is bij de aard van het bewezen geachte feit. Ook past de persoonlijkheid van verdachte en zijn huidige proceshouding niet bij die maatregel. Verdachte maakt immers geen aanstalten om van de mogelijkheden die de maatregel biedt gebruik te maken. Bovendien is geen advies opgemaakt over de wenselijkheid en noodzakelijkheid van de maatregel, wat wel een voorwaarde is voor de oplegging van de maatregel. De rechtbank zal die eis van de officier van justitie dan ook niet volgen. Op grond van de huidige proceshouding, het beperkte inzicht in de persoonlijkheid van verdachte en het advies van de deskundigen ziet de rechtbank geen andere mogelijkheid dan het afstraffen van verdachte voor zijn handelen. Vanwege de eerder genoemde strafmatigende factoren zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan de oriëntatiepunten van het LOVS en verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf van 18 maanden met aftrek van het voorarrest.

8

Onder verdachte is een helm en een mobiele telefoon in beslaggenomen, zoals ook is vermeld op de beslaglijst.

Verbeurdverklaring

De helm behoort aan verdachte toe. Nu met behulp van dit voorwerp het bewezen geachte is begaan, wordt dit voorwerp verbeurdverklaard.
Teruggave aan verdachte

De telefoon behoort ook aan verdachte toe, dat voorwerp kan aan verdachte worden teruggegeven.
9

De benadeelde partij [naam aangeefster 1] vordert € 850,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft gevorderd dat een bedrag van € 800,00 kan worden toegewezen en dat daarbij de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen omdat er geen geestelijk letsel bij aangeefster kan worden vastgesteld.

Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft een benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade als de benadeelde ten gevolge van het strafbare feit bijvoorbeeld geestelijk letsel heeft opgelopen. Daarvoor is meer nodig dan een enkel psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen. De rechtbank constateert weliswaar met de raadsman dat bij de benadeelde geen erkend ziektebeeld is vastgesteld, maar is van oordeel dat er wel degelijk een ernstige inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de benadeelde. Het gaat immers om een minderjarig slachtoffer dat tijdens haar werk te maken kreeg met een overvaller door wie zij werd bedreigd met een mes waarbij de overvaller naast haar kwam staan, terwijl omstanders niet hebben ingegrepen en zij onder veel druk en met moeite de kassa heeft moeten openen. De overvaller is bovendien nadat hij de winkel had verlaten opnieuw binnengekomen en heeft haar opnieuw benaderd. Uit vaste jurisprudentie volgt dat op basis van de aard en de ernst van het strafbare feit en evidente nadelige gevolgen voor de benadeelde, een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De rechtbank is van oordeel dat daar in dit geval sprake van is en dat aan de benadeelde door het bewezenverklaarde rechtstreeks schade is toegebracht. Op grond van de gestelde omstandigheden en rekening houdend met vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend zal de rechtbank de vordering in het geheel toewijzen en de immateriële schade begroten op € 850,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover van het moment van het ontstaan van de schade (25 juni 2018) tot aan de dag van betaling.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [naam aangeefster 1] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 850,00 (achthonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade (25 juni 2018) tot aan de dag van betaling.
10

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 56, 63, 312 van het Wetboek van Strafrecht.

beslissing

11

- de helm met goednummer 5592840.
- de telefoon met goednummer 5637502.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Onder 1:

Voortgezette handeling van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en afpersing.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een van .

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.Verklaart :
Gelast de teruggave aan van:

Ten aanzien van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van , wonende te [woonplaats] , toe, te weten € 850,00 (achthonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (25 juni 2018) tot aan de dag van betaling.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam aangeefster 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van aan de Staat € 850,00 (achthonderdvijftig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (25 juni 2018) tot aan de dag van betaling. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 17 (zeventien) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.A. Nijssen, voorzitter,mrs. M.F. Ferdinandusse en Y. Moussaoui, rechters,in tegenwoordigheid van mr. M.N. Greeven, griffier,en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 juni 2019.