Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2019:3518

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 16-05-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 15-05-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2019:3518, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 13/016674-19 en 16/192580-18 (TUL)


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/016674-19 en 16/192580-18 ()

Datum uitspraak: 15 mei 2019

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] , gedetineerd in het “ [naam Huis van Bewaring] ” te [plaats] .

ECLI:NL:RBAMS:2019:3518:DOC
nl

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/016674-19 en 16/192580-18 ()

Datum uitspraak: 15 mei 2019

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] , gedetineerd in het “ [naam Huis van Bewaring] ” te [plaats] .
1

Dit verkorte vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 1 mei 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B.Y. de Boer en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. C.C.J. Tuip, naar voren hebben gebracht.

2

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1 hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2017 tot en met 17 januari 2019 te Hilversum en/of te Amsterdam en/of te Nieuwegein en/of elders in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot het teniet doen van een inschuld en/of de afgifte van een geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, (in voornoemde periode) een of meer smsberichten en/of voicemailgesprekken/berichten heeft gestuurd en/of gevoerd met voornoemde [slachtoffer] en/of diens kennissen met (ondermeer) de (dreigende) woorden;- (op 18 januari 2018) “Planning is al de deur uit alleen geld kan jouw redden. Kijk ik heb de overhand hier ik bepaal wat ik wil zien en gaat gebeuren met jouw” en/of- (op 19 januari 2018) “Als mij geld die ik aan je leugens heb gegeven niet bij je hebt, kunnen ze jouw terugvinden bij het grofvuil” en/of- (op 29 januari 2018) “begin te sparen schat ga god om hulp vragen hahaha” en/of- (op 3 januari 2019) "Vandaag kom ik bij jullie langs, vandaag gaan jullie beginnen te betalen. Jou schuld bij mij, anderhalve ton, jouw aangiftes gaat jou anderhalve ton kosten, ik kom zo jou kant op, kanker poeta. je gaat gewoon betalen, mother fucker. Ik kom zo meteen die kant op, de jongens zijn gebeld, vandaag aan de eettafel met zijn allen, betalen, anderhalve ton schuld aan mij, ik zie jou straks" en/of- (op 5 januari 2019) "Je bent me gewoon geld schuldig, ik gooi je allemaal onder de grond, ik ga je niet vergeven, dus ga naar de bank, ik kom onverwacht, ik hou je in de gaten" en/of- (op 6 januari 2019) "Of je gaat me binnen 24 uur bellen, je gaat me bedragen afstaan, zo niet, ik laat je hele focking woning mokeren, jou moet ik hebben en jou ga ik pakken, ik wil geld, zo niet, dan ga je zien wat er binnen 24 uur bij jou gaat gebeuren, jou kop moet ik hebben en jou kop ga ik eraf halen, je gaat betalen of ik grijp je aan je vriendje" en/of- "Ik ga binnenkort emigreren, maar dit land ga ik niet verlaten voordat ik jouw kop in mijn handen heb, ik heb gezworen je af te maken en ik maak je af, wat denk je dat het nu nog lukt om rond te lopen, binnenkort lig je plat, geef me 48 uur, dan ga ik deze week voor jou tijd maken, let maar op, deze week kom ik mijn woord na" en/of- (in voornoemde periode) “Ik geef jou tijd om het op te sparen, die maandag wil ik die geld van tweehonderd euro wil ik graag op mijn rekening zien, ik ga je kapot maken, [slachtoffer] , begin mijn geld terug te geven“ en/of “Je kan beter echt letterlijk vluchten naar het buitenland, ik ben nog lang niet klaar met jou, van maandag, die bedrag wil ik graag om mijn rekening terug zien”, althans (telkens) woorden en/of tekst van gelijke (dreigende) aard en/of strekking heeft gebruikt en/of geuit;
Artikel 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, artikel 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2 hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2017 tot en met 17 januari 2019 te Hilversum en/of te Amsterdam en/of te Nieuwegein en/of elders in Nederland, [slachtoffer] (telkens) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met brandstichting, door (in voornoemde periode) een of meer sms-berichten en/of voicemailgesprekken/berichten en/of een brief te sturen naar en/of te voeren met voornoemde [slachtoffer] en/of diens kennissen met (ondermeer) de (dreigende) woorden:- "Jij gaat zien, ik ben nog niet klaar met jou, ik ga je huis in brand steken, ik ga je auto in brand steken, ik leg er iets onder, ik stop niet tot ik jou te grazen heb genomen en/of dat hij haar gezicht zou gaan verminken en/of- (op 2 maart 2018) “Ik pak jou wel ga maar slapen” en/of- (op 26 april 2018) “Geniet nog zolang het kan meisje, leuke tijd gaat nog komen, jou tong was er eigenlijk al lang er af gesneden, maar we hebben geen haast” en/of- (op 3 mei 2018) “Ga maar alvast een levensverzekering afsluiten voor jezelf” en/of- (op 26 april 2018) “Al zit ik een straf van 10 jaar uit, als jij maar neer gaat” en/of- (in of omstreeks de periode van 1 oktober 2018 tot en met 24 oktober 2018) “Ik zal je een leuk verassing geven, ik heb persoonlijk de papieren op jouw hoofd gezet” en/of- (op 3 januari 2019) "Vandaag kom ik bij jullie langs ik kom zo jou kant op, kanker poeta. Ik kom zo meteen die kant op, de jongens zijn gebeld, vandaag aan de eettafel met zijn allen, ik zie jou straks" en/of- (op 5 januari 2019) "Ik gooi je allemaal onder de grond, ik ga je niet vergeven, ik kom onverwacht, ik hou je in de gaten" en/of- (op 6 januari 2019) "Ik laat je hele focking woning mokeren, jou moet ik hebben en jou ga ik pakken, ik wil geld, zo niet, dan ga je zien wat er binnen 24 uur bij jou gaat gebeuren, jou kop moet ik hebben en jou kop ga ik eraf halen, ik grijp je aan je vriendje" en/of- "Ik ga binnenkort emigreren, maar dit land ga ik niet verlaten voordat ik jouw kop in mijn handen heb, ik heb gezworen je af te maken en ik maak je af, wat denk je dat het nu nog lukt om rond te lopen, binnenkort lig je plat, geef me 48 uur, dan ga ik deze week voor jou tijd maken, let maar op, deze week kom ik mijn woord na",althans (telkens) woorden en/of tekst van gelijke (dreigende) aard en/of strekking heeft gebruikt en/of geuit;
Artikel 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3 hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2017 tot en met 17 januari 2019 te Amsterdam en/of te Hilversum en/of te Nieuwegein en/of elders in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door (in voornoemde periode)(zulks terwijl de relatie tussen hem, verdachte en/of voornoemde [slachtoffer] was geëindigd)- diverse (dreigende) sms-berichten en/of voice-mailberichten/gesprekken en/of een brief te sturen naar voornoemde [slachtoffer] en/of door eenmaal of meermalen naar de woning van voornoemde [slachtoffer] te gaan, met het oogmerk voornoemde [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
Artikel 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht

3

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Ook zijn er geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4

4.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot integrale bewezenverklaring, met als bewezenverklaarde periode 18 januari 2018 tot en met 17 januari 2019 en heeft hiertoe de relevante bewijsmiddelen opgesomd.
4.2.
Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich ten aanzien van de ten laste gelegde gedragingen en de kwalificatie daarvan gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, gelet op de bekennende verklaring van verdachte. De raadsman heeft enkel verweer gevoerd met betrekking tot de te bewijzen periode. Slechts een periode van circa vier maanden kan worden bewezen, nu uit het dossier geenszins blijkt dat verdachte zich vóór januari 2018 en in de weken tussen mei 2018 en januari 2019 schuldig heeft gemaakt aan één van de ten laste gelegde feiten. Daarnaast dient verdachte te worden vrijgesproken van de aan hem ten laste gelegde bedreiging die ziet op het in brand steken van het huis en de auto van aangeefster en het langsgaan bij de woning van aangeefster zoals onder 3 ten laste gelegd, nu dit geen steun vindt in het dossier.
4.3.
Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht mede gelet op de bekennende verklaring van verdachte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten, zoals hierna onder 4.4 is weergegeven.
Ten aanzien van de door de raadsman gevoerde verweren overweegt de rechtbank als volgt.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat er tot een bewezenverklaring kan worden gekomen van de periode 18 januari 2018 tot en met 17 januari 2019. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de periode tot 18 januari 2018, nu het dossier aanwijzingen biedt dat de relatie tussen verdachte en aangeefster pas eind 2017 werd verbroken en de eerste door aangeefster getoonde berichten dateren van 18 januari 2018 en daarna. Dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte aangeefster ook tussen half mei 2018 en begin januari 2019 heeft lastiggevallen, maakt niet dat er slechts voor een kortere periode tot een bewezenverklaring kan worden gekomen. Al met al kan er op basis van de stukken in het dossier worden vastgesteld dat verdachte wederrechtelijk, stelselmatig en opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Bij de vraag of sprake is van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer dienen de duur, de aard, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen, alsmede de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijke leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer te worden gewogen. Uit het dossier volgt dat verdachte naast de gespecificeerde ten laste gelegde uitingen nog veel meer (angstaanjagende) berichten heeft gestuurd en dat hij aangeefster talloze malen heeft geprobeerd te bellen in de periode voor mei 2018 en na begin januari 2019. Ook heeft aangeefster in de periode daartussen contact gezocht met de politie om aan te geven dat zij nog steeds lastig werd gevallen door verdachte en uit het dossier blijkt dat zij in oktober 2018 een brief van hem heeft ontvangen. Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat de bewezenverklaarde gedragingen voldoende stelselmatig zijn over de gehele periode van 18 januari 2018 tot en met 17 januari 2019.

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat er geen bewijsmiddelen zijn die de verklaring van aangeefster ondersteunen ten aanzien van de bedreiging om de auto en de woning van aangeefster in brand te steken (feit 2) en het langsgaan bij de woning van (feit 3). Verdachte zal van deze delen van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

4.4.
Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte
1 in de periode van 18 januari 2018 tot en met 17 januari 2019 in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, toebehorende aan voornoemde [slachtoffer] , in voornoemde periode sms-berichten en voicemailgesprekken/berichten heeft gestuurd en/of gevoerd met voornoemde [slachtoffer] met onder meer de (dreigende) woorden:- op 18 januari 2018 “Planning is al de deur uit alleen geld kan jouw redden. Kijk ik heb de overhand hier ik bepaal wat ik wil zien en gaat gebeuren met jouw” en- op 19 januari 2018 “Als mij geld die ik aan je leugens heb gegeven niet bij je hebt, kunnen ze jouw terugvinden bij het grofvuil” en- op 29 januari 2018 “begin te sparen schat ga god om hulp vragen hahaha” en- op 3 januari 2019 "Vandaag kom ik bij jullie langs, vandaag gaan jullie beginnen te betalen. Jou schuld bij mij, anderhalve ton, jouw aangiftes gaat jou anderhalve ton kosten, ik kom zo jou kant op, kanker poeta. je gaat gewoon betalen, mother fucker. Ik kom zo meteen die kant op, de jongens zijn gebeld, vandaag aan de eettafel met zijn allen, betalen, anderhalve ton schuld aan mij, ik zie jou straks" en- op 5 januari 2019 "Je bent me gewoon geld schuldig, ik gooi je allemaal onder de grond, ik ga je niet vergeven, dus ga naar de bank, ik kom onverwacht, ik hou je in de gaten" en- op 6 januari 2019 "Of je gaat me binnen 24 uur bellen, je gaat me bedragen afstaan, zo niet, ik laat je hele focking woning mokeren, jou moet ik hebben en jou ga ik pakken, ik wil geld, zo niet, dan ga je zien wat er binnen 24 uur bij jou gaat gebeuren, jou kop moet ik hebben en jou kop ga ik eraf halen, je gaat betalen of ik grijp je aan je vriendje" en- "Ik ga binnenkort emigreren, maar dit land ga ik niet verlaten voordat ik jouw kop in mijn handen heb, ik heb gezworen je af te maken en ik maak je af, wat denk je dat het nu nog lukt om rond te lopen, binnenkort lig je plat, geef me 48 uur, dan ga ik deze week voor jou tijd maken, let maar op, deze week kom ik mijn woord na" en- in voornoemde periode “Ik geef jou tijd om het op te sparen, die maandag wil ik die geld van tweehonderd euro wil ik graag op mijn rekening zien, ik ga je kapot maken, [slachtoffer] , begin mijn geld terug te geven“ en “Je kan beter echt letterlijk vluchten naar het buitenland, ik ben nog lang niet klaar met jou, van maandag, die bedrag wil ik graag om mijn rekening terug zien”;
2 in de periode van 18 januari 2018 tot en met 17 januari 2019 in Nederland, [slachtoffer] telkens heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door in voornoemde periode een of meer sms-berichten en voicemailgesprekken/berichten en een brief te sturen naar en/of te voeren met voornoemde [slachtoffer] met onder meer de (dreigende) woorden:- op 2 maart 2018 “Ik pak jou wel ga maar slapen” en- op 26 april 2018 “Geniet nog zolang het kan meisje, leuke tijd gaat nog komen, jou tong was er eigenlijk al lang er af gesneden, maar we hebben geen haast” en- op 3 mei 2018 “Ga maar alvast een levensverzekering afsluiten voor jezelf” en- op 26 april 2018 “Al zit ik een straf van 10 jaar uit, als jij maar neer gaat” en- in de periode van 1 oktober 2018 tot en met 24 oktober 2018 “Ik zal je een leuk verassing geven, ik heb persoonlijk de papieren op jouw hoofd gezet” en- op 3 januari 2019 "Vandaag kom ik bij jullie langs ik kom zo jou kant op, kanker poeta. Ik kom zo meteen die kant op, de jongens zijn gebeld, vandaag aan de eettafel met zijn allen, ik zie jou straks" en- op 5 januari 2019 "Ik gooi je allemaal onder de grond, ik ga je niet vergeven, ik kom onverwacht, ik hou je in de gaten" en- op 6 januari 2019 "Ik laat je hele focking woning mokeren, jou moet ik hebben en jou ga ik pakken, ik wil geld, zo niet, dan ga je zien wat er binnen 24 uur bij jou gaat gebeuren, jou kop moet ik hebben en jou kop ga ik eraf halen, ik grijp je aan je vriendje" en- "Ik ga binnenkort emigreren, maar dit land ga ik niet verlaten voordat ik jouw kop in mijn handen heb, ik heb gezworen je af te maken en ik maak je af, wat denk je dat het nu nog lukt om rond te lopen, binnenkort lig je plat, geef me 48 uur, dan ga ik deze week voor jou tijd maken, let maar op, deze week kom ik mijn woord na";
3 hij in de periode van 18 januari 2018 tot en met 17 januari 2019 in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door in voornoemde periode, zulks terwijl de relatie tussen hem, verdachte en voornoemde [slachtoffer] was geëindigd, diverse (dreigende) sms-berichten en voice-mailberichten/gesprekken en een brief te sturen naar voornoemde [slachtoffer] , met het oogmerk voornoemde [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, te dulden en vrees aan te jagen;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Als tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

overwegingen

8

8.1.
Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden, met aftrek van voorarrest, en dat aan hem een maatregel van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht zal worden opgelegd, te weten dat verdachte gedurende 3 (drie) jaren zich niet zal ophouden in de buurt van het woonadres van aangeefster en dat hem wordt verboden contact te (laten) leggen met aangeefster, met een vervangende hechtenis van 3 (drie) weken voor iedere keer dat hij zich niet aan deze maatregel houdt, alsmede om deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
8.2.
Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft een lastige periode achter de rug en kampt met medische klachten in de vorm van clusterhoofdpijnen. Ook heeft de raadsman de rechtbank verzocht rekening te houden met de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd en de procesopstelling van verdachte: verdachte heeft van meet af aan openheid van zaken gegeven en heeft nimmer de intentie gehad om de daad bij het woord te voegen. Ook heeft verdachte meermaals zijn excuses aangeboden aan het slachtoffer. De raadsman heeft de rechtbank verzocht om een straf op te leggen die de duur van de voorlopige hechtenis niet overstijgt, eventueel aangevuld met een taakstraf. Een maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht heeft geen meerwaarde, gelet op de proceshouding van verdachte. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de vervangende hechtenis bij overtreding van de maatregel sterk te matigen.
8.3.
Oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van de bewezen en strafbaar verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan, de persoon van verdachte en de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan stalking van zijn ex-vriendin. Ook heeft hij haar afgeperst en bedreigd. Verdachte kon het niet verkroppen dat aangeefster de relatie had beëindigd, waarna hij haar een jaar lang veelvuldig heeft gebeld, voicemailberichten heeft ingesproken, sms-berichten en een brief heeft gestuurd, naar eigen zeggen voornamelijk bedoeld om haar bang te maken. Door de duur en de frequentie waarmee verdachte aangeefster lastigviel, alsmede de aard van zijn berichten, heeft verdachte langdurig op grove en indringende wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en het gevoel van veiligheid van aangeefster. Verdachte heeft op geen enkel moment ingezien welk effect zijn handelen had op aangeefster: de talloze pogingen om aangeefster te bereiken hebben een zeer grote impact gehad op het dagelijkse leven van aangeefster. Hoewel verdachte ter zitting spijt heeft betuigd, is het lastigvallen, bedreigen en afpersen pas gestopt op het moment dat verdachte werd aangehouden en in voorarrest kwam te zitten voor onderhavige feiten.

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte veelvuldig is veroordeeld voor andersoortige strafbare feiten. De destijds aan hem opgelegde straffen, alsmede een ISD-maatregel, hebben hem er niet van weerhouden onderhavige strafbare feiten te plegen.

Daarnaast heeft de rechtbank het psychologisch onderzoek betreffende verdachte opgesteld door psycholoog Drs. J.P.M. van der Leeuw van 20 maart 2019 geraadpleegd. Testpsychologische bevindingen geven aanwijzingen voor een krenkbaar en kwetsbaar zelfgevoel met neiging tot een zelfvoldane houding, onverstoorbaarheid, gerichtheid op zichzelf, gebrek aan empathie, neiging tot manipulatie, schijnaanpassing, agressieve tendensen, impulsiviteit en onvolwassenheid. Klinische indrukken wijzen op een geagiteerde houding, een denigrerende en vijandige opstelling, onverschilligheid en gebrek aan bezorgdheid over het eigen gedrag. In Pro Justitia rapportages uit 2015 is bij verdachte een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens vastgesteld. Diagnostisch was er sprake van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken. Van Der Leeuw komt in zijn rapport tot de conclusie dat de testpsychologische bevindingen en klinische indrukken deels een momentaan karakter hebben en het ontbreekt aan meer informatie om de bevindingen te plaatsen en van een betekenis te voorzien. Daarom is er uiteindelijk geen betrouwbare diagnostische uitspraak te doen.

Tot slot heeft de rechtbank kennisgenomen van het advies van Novadic-Kentron Reclassering van 17 april 2019, dat is opgesteld ten behoeve van de inhoudelijke behandeling van onderhavige strafzaak. Uit voornoemd advies komt naar voren dat de bewezenverklaarde feiten onderdeel uitmaken van een patroon van geweldsdelicten. Rapporteur heeft de indruk dat er geen veranderingen in positieve zin waar te nemen zijn in de persoonlijkheidsproblematiek en het delictgedrag van betrokkene, ondanks de mogelijkheden die hem zijn geboden voor en tijdens de ISD-maatregel, die liep tot december 2018. Het contact met zijn familie, het behoud van zijn woning en zijn roep dat hij gaat werken, geen schulden heeft en een vrouw gaat zoeken, hebben (al jaren) geen invloed op vermindering van het recidiverisico en werken niet beschermend. Reclasseringscontacten met allerlei interventies vanaf 2001 hebben ook niet tot vermindering van het recidiverisico geleid. Verdachte houdt zich niet aan afspraken en bijzondere voorwaarden en trekt zijn eigen plan. Het risico op recidive, letselschade en het onttrekken aan voorwaarden worden ingeschat als hoog. De reclassering adviseert om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte op te leggen. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met interventies of reclasseringstoezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen. Tot slot wordt door de reclassering geadviseerd een contactverbod op te leggen.
De rechtbank houdt bij de straftoemeting rekening met het feit dat de gedragingen van verdachte voornamelijk uit frustratie lijken te zijn ontstaan en dat hij op grond van zijn persoonlijkheid gevoeliger lijkt te zijn voor krenking en afwijzing dan de gemiddelde persoon. De rechtbank ziet, gelet op het advies van de reclassering, geen aanleiding om een voorwaardelijk strafdeel op te leggen en zal komen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. Deze maatregel behelst een gebieds- en contactverbod ten aanzien van aangeefster [slachtoffer] . Met deze verboden beoogt de rechtbank dat de kans op recidive wordt ingeperkt en dat aangeefster rust in haar leven krijgt. Gezien de periode dat verdachte aangeefster heeft lastig gevallen, zal de rechtbank de verboden opleggen voor de duur van twee jaren. Voor iedere keer dat verdachte één van deze verboden overtreedt, zal vervangende hechtenis voor de duur van één week worden opgelegd. De rechtbank acht het noodzakelijk dat de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens aangeefster.
Al met al acht de rechtbank, naast de maatregel strekkende tot het gebieds- en contactverbod, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden een passende sanctie.

9

Onder verdachte is een grijze telefoon van het merk Nokia (goednummer 569561) in beslag genomen. Deze telefoon behoort aan verdachte toe en dient aan hem te worden teruggegeven.
10

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 9,34 aan materiële schadevergoeding en € 3.000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal €8,68 zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De rechtbank heeft de gevorderde reiskosten (totaal van 16,7 kilometer ten behoeve van afspraken met Slachtofferhulp) gematigd tot een bedrag van € 8,68, nu de benadeelde partij een tarief heeft gehanteerd van € 0,28 per kilometer, terwijl er in de richtlijn van De Letselschade Raad een tarief is opgenomen van € 0,26 per kilometer. De vordering tot materiële schadevergoeding zal voor het overige (€ 0,66) worden afgewezen. De hoogte van de gevorderde immateriële schadevergoeding is ter terechtzitting betwist. Hoewel de immateriële schade niet is onderbouwd met medische stukken, staat naar het oordeel van de rechtbank op grond van het dossier voldoende vast dat aan de benadeelde partij door de bewezen verklaarde feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De benadeelde partij is aangetast in haar persoonlijke levenssfeer nu zij een jaar lang op zeer indringende wijze, met zeer angstaanjagende berichten, is lastig gevallen door verdachte. Dat zij psychisch letsel heeft opgelopen in de zin van angstklachten, is gelet op de aard van het bewezenverklaarde zeer aannemelijk. Op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek heeft [slachtoffer] recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade. Nu uit de toelichting op de vordering van benadeelde volgt dat haar angst duidelijk is vergroot nadat haar auto in brand is gestoken maar deze brandstichting niet aan verdachte ten laste is gelegd, terwijl zijn betrokkenheid bij dit incident, mede gezien ook de vrijspraak van de bedreiging met brandstichting, evenmin is komen vast te staan, ziet de rechtbank aanleiding om het toe te wijzen bedrag aanzienlijk te matigen. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op een bedrag van € 1.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat het strafbare feit is gepleegd.
De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De behandeling van dit deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij kan dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanwenden.

11

Bij de stukken bevindt zich de op 8 april 2019 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 16/192580-18, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 10 oktober 2018 van de politierechter van de rechtbank Midden-Nederland (locatie Utrecht), waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 1 (één) maand niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 (twee) jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafdeel te gelasten. Gelet echter op het feit dat verdachte dreigt zijn woning te verliezen bij langdurige detentie en het feit dat verdachte een gevangenisstraf voor vijf maanden opgelegd krijgt, ziet de rechtbank aanleiding om verdachte niet nog langer in de gevangenis door te laten brengen. Ook acht de rechtbank het wenselijk dat verdachte iets terug doet voor de maatschappij. In plaats van een last tot tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf te geven, zal de rechtbank daarom gelasten dat veroordeelde een taakstraf van 60 (zestig) uren moet verrichten.
12

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 38v, 45, 55, 57, 285, 285b en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

beslissing

13


De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

poging tot afpersing;

ten aanzien van feit 2:

bedreiging met zware mishandeling en enig misdrijf tegen het leven gericht;

en ten aanzien van feit 3:

belaging.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een van .

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Legt op de dat de veroordeelde zich voor de duur : in een straal van 50 meter , ( [adres 1] ) of ieder ander adres waar zij naartoe zal verhuizen en dat hij zal opnemen, zoeken of hebben , wonende op het adres [adres 1] .

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze voor dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 (zes) maanden.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon, beveelt de rechter, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel, is.

Gelast de aan [verdachte] van:1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: 5695961, Grijs, merk: Nokia)
Wijst de , toe tot een bedrag van (duizendacht euro en achtenzestig eurocent), bestaande uit €8,68 aan materiële schade en €1.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (18 januari 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Wijst de vordering voor een gedeelte van € 0,66 (zesenzestig eurocent) af.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , te betalen de som van € 1.008,68 (duizendacht euro en achtenzestig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (18 januari 2019) tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 (twintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Gelast de van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 10 oktober 2018, namelijk een .

Gelast – van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 1 (één) maand – een bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van , met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 (dertig) dagen.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P.C. Janssen, voorzitter,mrs. H.E. Hoogendijk en M.M. Prinsen, rechters,in tegenwoordigheid van mrs. A.E. van der Burg en E.A. Harland, griffiers,en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 mei 2019.
_0a98819d-2f6a-48c7-805c-768cec6e147e
1

Aantal gereden kilometers ten behoeve van afspraken met Slachtofferhulp: ; berekening toe te wijzen bedrag reiskosten: .