Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2019:3406

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 10-05-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 13-05-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2019:3406, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 13/005042-19


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/005042-19 (Promis)

Datum uitspraak: 13 mei 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

NN ( [registratienummer] )

geboorteplaats en –datum onbekend,adres onbekend.

ECLI:NL:RBAMS:2019:3406:DOC
nl

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/005042-19 (Promis)

Datum uitspraak: 13 mei 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

NN ( [registratienummer] )

geboorteplaats en –datum onbekend,adres onbekend.
1

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen nadat de politierechter in deze rechtbank de strafzaak tegen verdachte op 29 april 2019 heeft verwezen naar deze meervoudige kamer en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 29 april 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.J. van Aert en van wat door de raadsman mr. K.J. Zeegers naar voren is gebracht.

2

- nadat die ambtenaar/ambtenaren hem had bevolen, althans van haar had gevorderd het terrein gelegen aan de [locatie] te verlaten, geen gevolg gegeven aan dit bevel of die vordering en/of- zich op genoemd perceel (op enige hoogte) vastgeketend aan een kunst- en/of metalen bouwwerk en/of zich opgesloten in een kooi en/of een (zogenaamde) ufo en/of plaatsgenomen op een (meters)hoge stellage.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat

zij, op of omstreeks 7 januari 2019 te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens artikel 125 van de Gemeentewet jo. artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht, in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift, gedaan door J. van de Woude, hoofdinspecteur van politie en/of andere verbalisanten en/of handhavers van gemeente Amsterdam, die was/waren belast met de uitoefening van enig toezicht en/ofopzettelijk enige handeling, door een van die ambtenaren ondernomen ter uitvoering van bovengenoemd wettelijk voorschrift heeft belet en/of belemmerd, immers heeft verdachte:
3

Op maandag 7 januari 2019 vond er in de gemeente Amsterdam een grootschalig inzet van Toezicht en Handhaving Openbare Ruimte (THOR), met ondersteuning van politie, plaats met als doel de ontruiming van een terrein gelegen aan de [locatie] in Amsterdam. Op dit terrein staat een groot aantal bouwwerken, zoals caravans en hutten die de afgelopen jaren zijn bewoond. Het terrein staat bekend als het ADM-terrein en was sinds 1997 gekraakt.

Handhavers van de gemeente Amsterdam en de Brand en Traangas (Bratra) van de Mobiele Eenheid hebben het ADM-terrein betreden. Hierop hebben handhavers van de gemeente Amsterdam personen die zij tegen kwamen gevorderd het ADM-terrein te verlaten. Een aantal personen op het ADM-terrein verliet hierop het terrein. Een aantal personen had zich verschanst in een loods, een aantal bevond zich nog op het terrein en zes personen zaten vastgeketend in en aan een kunstwerk op het terrein. Hierop hebben aanwezige opsporingsambtenaren deze personen meermalen bevolen het terrein te verlaten. Toen deze personen niet vrijwillig het kunstwerk, de loods en het terrein wilden verlaten, is overgegaan tot fysieke verwijdering.

De politie heeft een aantal personen aangehouden voor het niet opvolgen van een bevel of vordering. Eén van deze personen was verdachte.

4

Geldigheid dagvaarding

De dagvaarding is geldig.
Bevoegdheid rechtbank

Deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit.
Ontvankelijkheid officier van justitie

De raadsman heeft zich - samengevat - op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de keuze om de verdachten aan te houden en strafrechtelijk te vervolgen strijdig is met het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging en het verbod van détournement de pouvoir. De aanhouding en strafrechtelijke vervolging van de verdachten heeft plaatsgevonden op grond van een oneigenlijke vermenging van bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving. De verdachten zijn daardoor in onevenredige mate getroffen. Ten tweede is de vervolging onredelijk, omdat de ontruiming in strijd was met het IVBPR en met name het Eerste Facultatieve Protocol daarbij. Het VN-Mensenrechtencomité had de Gemeente immers verzocht de ontruiming op te schorten. Ten derde hebben de verdachten al meer dan genoeg te lijden gehad van de ontruiming en hun verzet daartegen. Dit versterkt de aperte onredelijkheid van de vervolging. Ten vierde was het verzet van de verdachten vreedzaam en demonstratief. Zij oefenden hun demonstratierecht uit.
De rechtbank overweegt als volgt.

De beslissing om al dan niet over te gaan tot vervolging ligt in beginsel bij het Openbaar Ministerie. Die beslissing leent zich in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat alleen in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde. Zo’n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn (verbod van willekeur). Van zo een uitzonderlijk geval is hier geen sprake. De omstandigheid dat het VN-Mensenrechtencomité de gemeente had verzocht de ontruiming op te schorten, maakt dat niet anders.

Het inslaan van de weg tot bestuurlijke handhaving sluit de toepassing van het strafrecht bovendien niet uit. Het bestuurs- en het strafrecht kunnen immers naast elkaar worden ingezet, zoals bijvoorbeeld ook het geval is bij een gebiedsgebod. Tijdens het inzetten van bestuursrechtelijke handhaving kan zich ook een strafbaar feit voordoen, waarbij het het Openbaar Ministerie vrij staat om dit strafbare feit te vervolgen.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. De officier van justitie is dan ook ontvankelijk in de vervolging.

Schorsing van de vervolging

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
5

Aan verdachte is ten laste gelegd dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het in artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) bepaalde. Artikel 184 Sr houdt in - voor zover van belang - dat degene strafbaar is die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of vordering krachtens wettelijk voorschrift gedaan door - kort gezegd - een toezichthouder en/of een opsporingsambtenaar.

De rechtbank acht - anders dan de officier van justitie en met de raadsman - het ten laste gelegde niet bewezen en overweegt het volgende.

Bestuursrechtelijk kader

In een uitspraak van 25 december 2018 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), een laatste beslissing genomen over de ontruiming van het ADM-terrein. Samengevat komt de beslissing er op neer dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: het college) handhavend mocht optreden tegen het illegale gebruik van het ADM-terrein. Zij mocht een zogenaamde ‘last onder bestuursdwang’ opleggen. Deze hield in dat het ADM-terrein moest worden ontruimd. De Afdeling heeft de eerder bepaalde termijn voor de ontruiming, de zogenaamde begunstigingstermijn, verlengd tot en met 25 december 2018. Uiterlijk die dag moest door de bewoners en gebruikers van het ADM-terrein een einde zijn gemaakt aan het illegale gebruik van het ADM-terrein. Mocht dat onverhoopt niet zijn gebeurd, dan was het aan het college om de ontruiming op kosten van de overtreders te effectueren (zie alinea 13 van de uitspraak). Omdat na 25 december 2018 het ADM-terrein niet volledig was ontruimd, heeft het college besloten om op 7 januari 2019 over te gaan tot de feitelijke ontruiming.
Bij de feitelijke ontruiming zijn zowel toezichthouders (handhavers) van de gemeente Amsterdam ingezet als opsporingsambtenaren. Wat verdachte nu wordt verweten, is dat zij niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering gedaan door of een opsporingsambtenaar of een handhaver van de gemeente Amsterdam.
Voor een bewezenverklaring is vereist dat diegene die het bevel of de vordering heeft gedaan, ook bevoegd moet zijn geweest om dat bevel te geven. Die bevoegdheid moet uitdrukkelijk volgen uit een wettelijk voorschrift. Zo voldoen APV-bepalingen volgens de Hoge Raad niet aan de vereiste uitdrukkelijkheid wanneer zij weliswaar een verplichting voor de burger formuleren om mee te werken aan een bevel van een opsporingsambtenaar, maar het bestaan van de bevelsbevoegdheid niet uitdrukkelijk noemen (zie onder meer ECLI:NL:HR:2012:BT7085 (https://www.navigator.nl/document/id619983fa7d7c48a4b31da566d05cecc1?anchor=id-32424745-1aaf-4a16-a791-6a8d301b1d7f)).

Voor een bewezenverklaring moet dan ook kunnen worden vastgesteld:(1) op grond van welk wettelijk voorschrift het bevel of de vordering is gedaan en of de in het specifieke wettelijk voorschrift omschreven ambtenaar het concrete bevel of de vordering heeft gedaan;(2) of dit voorschrift een bevoegdheid geeft tot het doen van een bevel of vordering en tot slot (3) of verdachte dat bevel of die vordering niet heeft opgevolgd.
Uit het dossier komt enkel naar voren dat de verbalisanten N. Vegterlo en S. Klijn op 7 januari 2019 omstreeks 12:39 uur van twee collega’s van de Bratra de opdracht kregen verdachte te begeleiden naar de uitgang van het ADM-terrein. Verdachte is gevorderd het terrein onmiddellijk te verlaten. Hieraan heeft zij niet voldaan. Hierop is verdachte - onder meer - aangehouden voor overtreding van artikel 184 Sr. Door wie verdachte is gevorderd het terrein te verlaten, op welke wijze en wanneer dit is gebeurd, blijkt niet uit het dossier. Dit maakt dat niet kan worden vastgesteld of sprake is geweest van een bevoegd gegeven bevel of vordering.

Gelet op het voorgaande kan de rechtbank dan ook niet vaststellen dat verdachte niet heeft voldaan aan een bevoegd gegeven bevel of vordering. Dit betekent ook dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte enige handeling ter uitvoering van een wettelijk voorschrift door een van de ambtenaren van politie heeft belet of belemmerd. De rechtbank zal verdachte daarom van het tenlastegelegde vrijspreken.

beslissing

6

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. Ch.A. van Dijk, voorzitter,mrs. D.C. van Reekum en I. Verstraeten-Jochemsen, rechters,in tegenwoordigheid van mr. E. Bouwhuis, griffier,en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 mei 2019.