Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2019:2760

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 16-04-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 16-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2019:2760, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 13/751721-18


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK AMSTERDAMINTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751721-18RK-nummer: 18/6479

Datum uitspraak: 16 april 2019

TUSSENUITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 21 september 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 2 oktober 2017 door (Polen) en het strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992, ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres: [verblijfadres] , [verblijfplaats] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

ECLI:NL:RBAMS:2019:2760:DOC
nl

RECHTBANK AMSTERDAMINTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751721-18RK-nummer: 18/6479
Datum uitspraak: 16 april 2019

TUSSENUITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 21 september 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 2 oktober 2017 door (Polen) en het strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992, ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres: [verblijfadres] , [verblijfplaats] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

procesverloop

1


Zitting 16 november 2018

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 16 november 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. T.H.L. Kneepkens, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft het onderzoek geschorst om de inhoudelijke discussie over de Poolse rechtsstaat voort te kunnen zetten tijdens een aan dit onderwerp gewijde themazitting op 6 december 2018.

Zitting 6 december 2018

De rechtbank heeft, met instemming van partijen, het onderzoek op 6 december 2018 voortgezet in de stand waarin dat onderzoek zich op het moment van de schorsing bevond.

Gehoord zijn de officier van justitie mr. M. Diependaal, de opgeëiste persoon en diens raadsman, mr. T.H.L. Kneepkens. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

Sluiting onderzoek

De rechtbank heeft op 21 december 2018 het onderzoek gesloten, met instemming van partijen, buiten hun aanwezigheid. De uitspraak is bepaald op 4 januari 2019.
Tussenuitspraak 4 januari 2019

Op 4 januari 2019 heeft de rechtbank een tussenuitspraak gewezen waarin zij aan de officier van justitie heeft verzocht nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit (ECLI:NL:RBAMS:2019:33).

Zitting 1 maart 2019

Gehoord zijn de officier van justitie mr. K. van der Schaft en de opgeëiste persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. T.H.L. Kneepkens, en door een tolk in de Poolse taal.

Sluiting onderzoek

De rechtbank heeft op 16 april 2019 het onderzoek ter zitting gesloten en direct uitspraak gedaan.

2

De rechtbank heeft opnieuw de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3

De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 4 januari 2019 waarin zij de grondslag en inhoud van het EAB en de strafbaarheid van de feiten heeft beoordeeld. De overwegingen van de rechtbank met betrekking tot deze onderwerpen (r.o. 3 en 4) dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.

4

4.1
Standpunt van de raadsman

Zakelijk weergegeven heeft de raadsman zich ter zitting van 1 maart 2019 op het standpunt gesteld dat (nog steeds) niet alle vragen afdoende zijn beantwoord door de Poolse justitiële autoriteit. Ondanks een e-mail van 15 februari 2019 waarin een medewerker van het IRC heeft verzocht om beantwoording van de vragen, zijn de vragen niet beantwoord. De bezwaren tegen de overlevering blijven dus bestaan. De bezwaren zijn nog steeds aanwezig en worden niet weggenomen door hetgeen door de uitvaardigende justitiële autoriteit is aangevoerd. Het recht op een eerlijk proces is aangetast.
4.2
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd ten aanzien van de tweede stap van het toetsingskader, namelijk de vraag of de vastgestelde structurele gebreken negatieve gevolgen kunnen hebben op het niveau van de rechterlijke instanties van Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen.

De officier van justitie heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet aan de derde stap van het toetsingskader voldoet. Dit houdt in dat hij geen specifieke zorgen tot uitdrukking heeft gebracht, dan wel inlichtingen heeft verstrekt, die kunnen leiden tot het oordeel dat er in de onderhavige zaak sprake is van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat de opgeëiste persoon een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en derhalve dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast, gelet op zijn persoonlijke situatie, de aard van het strafbare feiten waarvoor hij wordt vervolgd en de feitelijke context die aan het EAB ten grondslag ligt. De overlevering van de opgeëiste persoon kan dan ook worden toegestaan.

4.3
Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft in een tussenuitspraak van 16 augustus 2018 (ECLI:RBAMS:2018:5925) een uitleg gegeven van het toetsingskader, gegeven bij het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie () van 25 juli 2018 in de zaak C-216/18 PPU (). De rechtbank verwijst in zoverre naar de tussenuitspraak van 16 augustus 2018.De rechtbank heeft in deze tussenuitspraak overwogen:“Uit het arrest volgt dat wanneer, zoals in deze zaak, de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, zich tegen zijn overlevering aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit verzet met het argument dat sprake is van structurele of op zijn minst fundamentele gebreken die volgens hem een nadelig effect op de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in de uitvaardigende lidstaat kunnen hebben en dus zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern kunnen aantasten, de uitvoerende rechterlijke autoriteit, wanneer zij over de overlevering van de opgeëiste persoon aan genoemde lidstaat heeft te beslissen, (naar analogie van het arrest [naam 1] en [naam 2] , punt 88 gehouden is te beoordelen of hij een reëel gevaar loopt dat dit grondrecht zal worden geschonden.
Bij deze beoordeling moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit achtereenvolgens de volgende drie vragen beantwoorden:

In het licht van die vaststellingen heeft de rechtbank een aantal vragen geformuleerd en de uitvaardigende justitiële autoriteit verzocht om deze te beantwoorden in het kader van de te voeren dialoog en het verstrekken van de benodigde informatie.Deze vragen zijn ook in de onderhavige zaak ter beantwoording aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voorgelegd en bij brief van 5 november 2018 heeft de vragen beantwoord.
Bij tussenuitspraak van 4 januari 2019 is de rechtbank vervolgens tot de conclusie gekomen dat het wenselijk is dat de dialoog met de uitvaardigende justitiële autoriteit wordt voortgezet, omdat zij op dat moment nog over onvoldoende informatie beschikte om zich een afdoende beeld te kunnen vormen van de stand van zaken inzake de bescherming van de waarborg van rechterlijke onafhankelijkheid op het niveau van de rechterlijke instanties in Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen.

Aangezien deze informatie ook relevant kon zijn voor de hiervoor genoemde - derde - vraag of concreet een gevaar voor een oneerlijk proces voor de opgeëiste persoon moet worden aangenomen, was de rechtbank aan de beantwoording van deze vraag nog niet toe gekomen.

De rechtbank heeft de uitvaardigende Poolse autoriteit vervolgens bij de laatstgenoemde tussenuitspraak nogmaals verzocht om haar, gelet op de aanbevelingen in het arrest van het HvJ, te voorzien van informatie om haar in staat te stellen een oordeel te vormen over de actuele en concrete gevolgen van de recente Poolse wetgeving voor de rechterlijke instanties die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de gezochte persoon zal worden onderworpen, als bedoeld in rechtsoverweging 74 van het arrest

Bovendien heeft de rechtbank haar uitnodiging aan de uitvaardigende Poolse autoriteit herhaald tot het verschaffen van andere gegevens die zij voor de door deze rechtbank te nemen beslissing van belang acht, in het bijzonder gegevens waarmee kan worden aangetoond dat het gevaar voor een aantasting van het grondrecht van de opgeëiste persoon op een onafhankelijk gerecht en daarmee zijn grondrecht op een eerlijk proces kan worden uitgesloten.

De rechtbank heeft in het bijzonder aandacht gevraagd voor een aantal specifieke vragen die zij eerder had gesteld, in de eerder aangehaalde uitspraak van 4 januari 2019 aangeduid als de vragen A1, A4, C1, en E. Daarnaast heeft de rechtbank geconstateerd dat de gegeven antwoorden alleen zien op de die de zaak gaat behandelen en gevraagd of er meerdere rechterlijke instanties bevoegd zijn te oordelen over de zaak van de opgeëiste persoon.

De heeft bij brief van 1 februari 2019 het volgende geantwoord:

Verder heeft de rechtbank een brief ontvangen van de van 7 februari 2019, waarin wordt verwezen naar een tweetal bijlagen met antwoorden van de presidenten van en . Deze bijlagen heeft de rechtbank echter niet ontvangen.

Ook overigens beschikt de rechtbank nog altijd over onvoldoende informatie.

De rechtbank constateert dat de uitvaardigende autoriteit in haar brief van 1 februari 2019 op zichzelf terecht opmerkt dat de eerstgenoemde nadere vraag, A1, uitging van de onjuiste veronderstelling dat er sinds de wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken in Polen één of meer (vice)presidenten van de zijn ontslagen. De rechtbank ziet dat dit antwoord inderdaad reeds eerder is verstrekt en dat de vraagstelling derhalve in zoverre op een misverstand berust.

Uit het antwoord van 1 februari 2019 blijkt echter tevens dat de strafzaak in eerste aanleg zal worden behandeld door of door

Ten aanzien van deze instanties zijn de (nadere) vragen, waaronder de voornoemde vraag, A1, of er (vice)presidenten van deze instanties zijn ontslagen, en wat de reden daarvoor was, nog niet beantwoord. De rechtbank houdt er rekening mee dat haar vraagstelling in dit verband niet helemaal duidelijk is overgekomen. De vraag is mogelijk te beperkt opgevat, namelijk als dat alleen gevraagd zou zijn welke instantie in eerste aanleg bevoegd is te oordelen over de zaak van de opgeëiste persoon en niet dat de rechtbank niet alleen vraag A4, maar ook de overige vragen voor deze instantie(s) beantwoord zou willen zien.

Tenslotte is vraag C1 nog niet beantwoord ten aanzien van de hoger beroepsinstantie,

Het antwoord op dit punt van de uitvaardigende autoriteit wekt bij de rechtbank enige bevreemding, nu zij in soortgelijke zaken van andere Regional Courts in Polen waarvan EAB’s zijn ontvangen wel een (uitvoerig) antwoord op deze vraag heeft ontvangen.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van een aantal recente rapportages betreffende de ontwikkelingen op het gebied van de rechtsstaat in Polen, waaronder:

In deze publicaties is vermeld dat er verschillende disciplinaire en strafrechtelijke procedures jegens rechters in Polen hebben plaatsgevonden, naar aanleiding van zaken die de desbetreffende rechters hebben behandeld. Onder de voorbeelden die worden gegeven zijn ook een aantal procedures jegens rechters in het arrondissement Poznan.De gegevens die tot op heden aan de rechtbank beschikbaar zijn geworden, bevestigen en versterken de zorgen die er heersen over de gevolgen van de wetwijzigingen voor de Poolse rechtsstaat en daaruit voorvloeiend het recht op een eerlijk proces van de opgeëiste persoon.
De rechtbank neemt hierbij, naast de antwoorden die zij tot op heden van de uitvaardigende autoriteit heeft ontvangen, ook de inhoud van de hiervoor genoemde rapportages en de reeds bij de tussenuitspraak van 4 oktober 2018 genoemde rapportages en voorstellen in aanmerking.

De rechtbank stelt thans op basis van de beschikbare gegevens vast dat de tweede vraag, namelijk of de vastgestelde structurele gebreken negatieve gevolgen hebben op het niveau van de rechterlijke instanties van Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen, bevestigend moet worden beantwoord.

Overeenkomstig het toetsingskader, gegeven bij het eerder genoemde arrest van het HvJ, dient de rechtbank bij deze stand van zaken ook nog de derde vraag te beantwoorden, namelijk of er - in het licht van de specifieke zorgen die de opgeëiste persoon tot uitdrukking heeft gebracht en de eventueel door hem verstrekte inlichtingen - zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat hij een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en derhalve dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast, gelet op zijn persoonlijke situatie, de aard van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd en de feitelijke context die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt.

De rechtbank heeft de eerder genoemde vragen ook met het oog op de beantwoording van deze (derde) vraag gesteld.

Om die reden verzoekt de rechtbank de uitvaardigende justitiële autoriteit om de vragen A1, A2, A3, A4, C1 en C3 alsnog te beantwoorden ten aanzien van en , en om vraag C1 alsnog te beantwoorden ten aanzien van .

De rechtbank verzoekt de uitvaardigende justitiële autoriteit daarbij nogmaals, om de vragen door te geleiden naar een bevoegd(e) persoon of instantie, indien dit voor de beantwoording daarvan noodzakelijk is, in het kader van de dialoog die in het arrest van het HvJ is beschreven in paragraaf 76 tot en met 78. Het komt de rechtbank voor dat die noodzaak bestaat.

De rechtbank wijst in dit verband ook op punt 97 van het arrest van het HvJ van 5 april 2016 ( [naam 1] en [naam 2] , C‑404/15 en C‑659/15 PPU, EU:C:2016:198). Hieruit volgt het verplichtend karakter van deze dialoog in het kader van artikel 15 lid 2 van het kaderbesluit. Ten aanzien van vraag E1 is de rechtbank ambtshalve op de hoogte geraakt dat op 15 februari 2019 drie ‘buitengewoon beroep’-procedures aanhangig waren gemaakt, waarop het Hooggerechtshof nog niet had beslist. Om die reden wenst de rechtbank ten aanzien van vraag E1 te worden geïnformeerd of er zich recentelijk, sinds 15 februari 2019, nog nieuwe ontwikkelingen hebben voorgedaan.
Tenslotte herhaalt de rechtbank nogmaals haar uitnodiging aan de uitvaardigende Poolse autoriteit tot het verschaffen van andere gegevens die zij voor de door deze rechtbank te nemen beslissing van belang acht.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het onderzoek heropenen en voor onbepaalde tijd schorsen, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om de hiervoor genoemde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen, namelijk:

Ten aanzien van the District Court in Piłathe District Court in Szamotuły
A. Wijzigingen personele bezetting

C. Tuchtzaken of andere (disciplinaire) maatregelen

C. Tuchtzaken of andere (disciplinaire) maatregelen

E. Buitengewoon beroep

Hebben er zich sinds 15 februari 2019, toen drie ‘buitengewoon beroep’-procedures aanhangig waren gemaakt waarop het Hooggerechtshof nog niet had beslist, nog nieuwe ontwikkelingen voorgedaan ten aanzien van de procedure van ‘buitengewoon beroep’ bij het Hooggerechtshof? Zo ja, op welke grond en met welke uitkomst?

1. Dreigt een reëel gevaar dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast wegens structurele of fundamentele gebreken wat de rechterlijke macht van de uitvaardigende lidstaat betreft, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van die staat in gevaar brengen?

2. In hoeverre kunnen de structurele of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van de uitvaardigende lidstaat betreft, zoals die uit de ter beschikking staande gegevens blijken, gevolgen hebben op het niveau van de rechterlijke instanties van die staat die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen?

3. Zijn er, in het licht van de specifieke zorgen die de opgeëiste persoon tot uitdrukking heeft gebracht en de eventueel door hem verstrekte inlichtingen, zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat hij een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en derhalve dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast, gelet op zijn persoonlijke situatie, de aard van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd en de feitelijke context die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt”.

In vervolg daarop heeft de rechtbank bij tussenuitspraak van 4 oktober 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:7032) vastgesteld:

1. Zijn er sinds voormelde wetswijzigingen tuchtzaken tegen rechters en/of (vice)voorzitters geweest? Zo ja, wat was hiervoor de aanleiding en wat was de uitkomst?
3 Zijn er andere maatregelen betreffende (vice)voorzitters genomen, zoals hetverstrekken van ‘ door de Minister van Justitie? Zo ja, wat was hiervoor de aanleiding?
Ten aanzien van the Regional Court in Poznań

1. Zijn er sinds voormelde wetswijzigingen tuchtzaken tegen rechters en/of (vice)voorzitters geweest? Zo ja, wat was hiervoor de aanleiding en wat was de uitkomst?
-

dat sprake is van structurele of fundamentele gebreken wat betreft de rechterlijke macht van Polen, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brengen;

dat daardoor een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast;

dat om die reden concreet en nauwkeurig moet worden beoordeeld of er in de omstandigheden van het specifieke geval zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering het gevaar zal lopen om geen eerlijk proces te krijgen;

dat de uitvaardigende justitiële autoriteit daarom wordt uitgenodigd tot een dialoog zoals in het arrest beschreven in paragraaf 76 tot en met 78, teneinde een actueel en concreet beeld te krijgen van de stand van zaken inzake de bescherming van de waarborg van rechterlijke onafhankelijkheid op het niveau van de rechterlijke instanties in Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen.

-

er kan thans nog niet worden aangegeven of de strafzaak betreffende de opgeëiste persoon, indien het tot een vervolging komt, in eerste aanleg zal worden behandeld door of door

indien hoger beroep wordt ingesteld zal dit worden behandeld door ;

na het verstrijken van de wettelijke termijn van zes jaar heeft de president van zijn functie neergelegd en hij fungeert thans als rechter in . Dit vond plaats voor de inwerkingtreding van de wetswijzigingen;

de vice-president van is voor de inwerkingtreding van de wetswijzigingen gepensioneerd;

the Regional Court in Poznań the District Court in Piłathe District Court in Szamotuły
er is, voor zover bekend, geen registratiesysteem van de disciplinaire procedures die in Polen gaande zijn, op grond waarvan betrouwbare informatie zou kunnen worden verstrekt.

-

Association of Judges “Themis”: , 5 maart 2019;

KOS (The Justice Defence Committee): , Warsaw 2019.

arabic

Zijn er sinds de inwerkingtreding van de wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken (vice)voorzitters en rechters ontslagen? Zo ja, op welke datum is het ontslag aangezegd en wat is de grond die hiervoor is gegeven?

Zijn er (vice)voorzitters en rechters gepensioneerd als gevolg van de gewijzigde pensioenleeftijd? Zo ja, hoe veel, afgezet tegen het aantal rechters en (vice)voorzitters binnen de rechterlijke instantie?

Is het voorgekomen dat het mandaat van deze (vice)voorzitters en rechters na het bereiken van de pensioenleeftijd is verlengd?

Zijn er sinds de inwerkingtreding van de wet inzake de Nationale School voor de rechterlijke macht assistent-rechters benoemd en zo ja, behandelen zij strafzaken en zo ja, als unus of binnen een rechterlijke college?

beslissing

5



HEROPENT SCHORST
BEVEELT

BEVEELT

Aldus gedaan doormr. A.K. Glerum, voorzitter,mrs. A.R.P.J. Davids en R.A.J. Hübel, rechters,in tegenwoordigheid van mr Y.M.E. Jurgens, griffier,en uitgesproken ter openbare zitting van 16 april 2019.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.