Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2019:2541

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-04-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 10-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2019:2541, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 13/669110-18


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/669110-18

Datum uitspraak: 10 april 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] , gedetineerd in het “ [naam] ” te [plaats] .

ECLI:NL:RBAMS:2019:2541:DOC
nl

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/669110-18

Datum uitspraak: 10 april 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] , gedetineerd in het “ [naam] ” te [plaats] .
1

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 maart 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S. Sondermeijer, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. T. de Haan, naar voren hebben gebracht.
2

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.hij op of omstreeks 28 december 2018 te Amsterdam een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Steyr, type M9, kaliber 9mm x 19, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en/of munitie van categorie III, te weten een of meer patronen, kaliber 9mm x19 voorhanden heeft gehad;
2. hij op of omstreeks 28 december 2018 te Amsterdam opzettelijk mishandelend - [slachtoffer 1] (hard) in haar keel heeft geknepen, in elk geval bij de keel heeft vastgepakt en/of die [slachtoffer 1] op/tegen haar hoofd heeft gestompt of geslagen en/of die [slachtoffer 1] tegen de grond heeft geduwd en/of - [slachtoffer 2] tegen zijn (rechter)kaak, in elk geval zijn hoofd en/of tegen zijn (rechter)been heeft getrapt of geschopt,waardoor voornoemde [slachtoffer 1] en/of voornoemde [slachtoffer 2] letsel heeft/hebben bekomen en/of pijn heeft/hebben ondervonden;
3.hij op of omstreeks 28 december 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een personenauto van het merk Renault, type Clio heeft verworven, en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.
3

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4

4.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle aan verdachte ten laste gelegde feiten.

4.2.
Standpunt van de verdediging
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij van een vriend van hem een auto had geleend. Zijn eigen auto stond bij de sloop en hij wilde met de geleende auto spullen ophalen die nog in zijn oude auto lagen. In het dashboardkastje van de geleende auto bleek een pistool te liggen. Verdachte heeft dit wapen uit elkaar gehaald en weer in elkaar gezet en daarna teruggelegd in het dashboardkastje. Verdachte is naar een coffeeshop gegaan en is rondjes gaan rijden in het centrum van Amsterdam. Hij heeft een paar keer ergens geparkeerd en was met sociale media bezig op zijn telefoon. Toen hij door de politie werd benaderd raakte hij in paniek door het pistool dat in de auto lag. Hij is hard weggereden, heeft zijn auto aan de rand van Vondelpark geparkeerd en is het park in gerend. Daar is hij over een hek geklommen en is via een tuin een woning binnengegaan omdat hij hoopte dat hij deze woning aan de voorkant kon verlaten. Binnen zag hij een vrouw die erg schrok. Hij is gelijk weer terug naar de tuin gelopen. Hij probeerde weer over een hek te klimmen maar werd door twee mannen aan zijn benen vastgehouden. Daarbij heeft hij bewegingen met zijn benen gemaakt.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de feiten 2 en 3. Het is de vraag of [slachtoffer 2] heeft gezien dat verdachte aangeefster [slachtoffer 1] bij de keel heeft gegrepen. Het lijkt er op dat hij dit pas achteraf van [slachtoffer 1] heeft gehoord. Voor de mishandeling is daarom onvoldoende steunbewijs.Verdachte heeft op het moment dat hij over het hek probeerde te komen en aan zijn benen werd vastgehouden, bewegingen gemaakt met zijn benen. Daarbij heeft hij kennelijk aangever [slachtoffer 2] geraakt. Hij heeft echter nooit de opzet, ook niet in voorwaardelijke vorm, gehad om [slachtoffer 2] te mishandelen. De Renault Clio waarin verdachte reed was een eenvoudige auto. Er waren geen zichtbare omstandigheden waaruit verdachte had moeten begrijpen dat deze auto gestolen was.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

In het dashboardkastje van de auto waarin verdachte reed lag een pistool met munitie. Het wapen was geladen met 13 patronen. Op dit wapen zijn sporen van verdachte aangetroffen. Verdachte heeft erkend dat hij wist dat het wapen in de auto lag en dat hij het wapen in en uit elkaar heeft gehaald. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte dit wapen met munitie op 28 december 2018 voorhanden heeft gehad.
Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

Vrijspraak mishandeling [slachtoffer 1]

Verdachte heeft toegegeven dat hij in de woning van aangeefster [slachtoffer 1] is geweest maar ontkent dat hij haar heeft mishandeld. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij op het moment dat zij de badkamer in liep door verdachte bij haar keel en de haren werd vastgepakt. In de daarop volgende worsteling werd zij geduwd en kreeg zij een stomp op haar hoofd. Verdachte liep daarna naar de voorzijde van de woning en toen weer terug richting de achteruitgang. [slachtoffer 1] pakte hem toen bij de kleding vast en schreeuwde dat er een overvaller in de woning was. Zij werd meegetrokken naar de achterzijde van de woning. Bij de openslaande deuren wist verdachte zich los te maken. Op dat moment kwam [slachtoffer 2] uit de keuken en ging achter de inbreker aan. Op basis van het dossier is onduidelijk wat de getuige [slachtoffer 2] van de mishandeling heeft waargenomen. Volgens de verklaring van [slachtoffer 1] is [slachtoffer 2] erbij gekomen op het moment dat verdachte zich van haar los wist te trekken. [slachtoffer 2] heeft ter plaatse tegen een verbalisant verklaard dat hij een inbreker via de slaapkamerdeur naar de badkamer van [slachtoffer 1] heeft zien lopen. Deze inbreker rende direct weer naar buiten. [slachtoffer 2] zag dat [slachtoffer 1] hevig overstuur was en is achter de inbreker aangelopen. In zijn eigen aangifte staat vermeld dat [slachtoffer 2] heeft gezien dat de onbekende man naar [slachtoffer 1] toerende en haar bij de keel pakte. Deze verklaring lijkt in strijd met zijn eerdere verklaring ter plekke en met de verklaring van [slachtoffer 1] . De rechtbank is daarom van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 2] niet als ondersteunend bewijs kan worden gebruikt. Ook overigens zijn er geen onderzoeksbevindingen die de aangifte ondersteunen. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 1] onvoldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, zodat niet aan het wettelijke bewijsminimum is voldaan. Aldus dient vrijspraak te volgen.
Mishandeling [slachtoffer 2] bewezen

De rechtbank acht bewezen dat verdachte aangever [slachtoffer 2] heeft mishandeld. De aangifte van [slachtoffer 2] wordt ondersteund door de verklaring van verdachte dat hij bewegingen met zijn benen heeft gemaakt om los te komen uit de greep van de twee mannen die hem wilden beletten om over het hek te klimmen. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat verdachte daarmee wel degelijk bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 2] daardoor pijn of letsel zou oplopen. Aldus had verdachte voorwaardelijk opzet op de mishandeling van [slachtoffer 2] .
Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde

Ter terechtzitting heeft verdachte een verklaring afgelegd over hoe hij aan de Renault Clio waarin hij op 28 december 2018 reed was gekomen en wat hij met deze auto op die bewuste dag aan het doen was. Het is opvallend dat verdachte zijn verklaring op geen enkele manier kan onderbouwen met verifieerbare informatie. De vriend van wie hij de auto had geleend kende hij slechts twee weken en verdachte kan geen gegevens van hem verstrekken. Evenmin heeft hij verifieerbare informatie gegeven over zijn eigen auto die bij de sloop zou staan. Verdachte heeft verklaard dat in het dashboardkastje van de door hem geleende auto een geladen pistool bleek te liggen. In de lezing van verdachte zou de bezitter van de gestolen auto deze auto aldus hebben uitgeleend aan een persoon die hij pas net kende en zou hij daarbij zijn geladen pistool in de uit te lenen auto hebben laten liggen. De rechtbank acht een dergelijke gang van zaken volstrekt onaannemelijk. De verklaring van verdachte is ook in strijd met diverse objectieve bevindingen. Verdachte reed op 28 december 2018 in een auto die ongeveer een maand eerder was gestolen. Deze auto was voorzien van valse kentekenplaten. In het dashboardkastje lag een geladen pistool, met op diverse plaatsen sporen van verdachte. In de auto lag ook een PGP telefoon. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat dergelijke telefoons hoofdzakelijk in het criminele circuit worden gebruikt om conversaties verborgen te houden voor justitie. In de auto lag ook een iPhone waarvan de data na het gebeuren op afstand bleek te zijn gewist. De aanwezigheid van een baby voedingsflesje in de achterbak van de auto wijst er bovendien op dat verdachte, als vader van een jong kind, al langer van de auto gebruikt maakte. Verdachte heeft bovendien geen aannemelijke verklaring kunnen gegeven voor zijn merkwaardige rij- en parkeergedrag in het gebied rondom de Paulus Potterstraat te Amsterdam en zijn wilde vluchtgedrag nadat hij door een agent was benaderd. Al deze constateringen bij elkaar maken dat de rechtbank van oordeel is dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte die dag welbewust bezig was met criminele praktijken. Onder die omstandigheden en bij afwezigheid van een aannemelijke verklaring, acht de rechtbank bewezen dat verdachte wist dat de auto waarin hij reed afkomstig was uit misdrijf. Verdachte heeft zich daarom schuldig gemaakt aan opzetheling.
5

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

op 28 december 2018 te Amsterdam een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Steyr, type M9, kaliber 9mm x 19, zijnde een vuurwapen, en munitie van categorie III, te weten patronen, kaliber 9mm x19, voorhanden heeft gehad;
ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

op 28 december 2018 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [slachtoffer 2] tegen zijn rechterkaak, en tegen zijn rechterbeen heeft getrapt, waardoor voornoemde [slachtoffer 2] pijn heeft ondervonden;
ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde

op 28 december 2018 te Amsterdam, een personenauto van het merk Renault, type Clio voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen wist, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

overwegingen

8

8.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals opgenomen in het reclasseringsrapport van 13 maart 2019.

8.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft een onvoorwaardelijk strafdeel bepleit gelijk aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en een voorwaardelijk strafdeel met de door de reclassering geadviseerde voorwaarden.

8.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.Verdachte reed in een auto waarvan hij wist dat deze was gestolen. Daarmee heeft verdachte meegewerkt aan het in stand houden van een afzetmarkt voor gestolen goederen, met het gevolg dat hiermee het plegen van nieuwe criminaliteit wordt bevorderd. In deze auto had verdachte een geladen pistool onder handbereik in het dashboardkastje liggen. Wapenbezit draagt in sterke mate bij aan de onveiligheid in de maatschappij. Het is derhalve van groot belang dat krachtig tegen illegaal wapenbezit wordt opgetreden. Nadat hij door de politie was aangesproken is hij op de vlucht geslagen. Na een korte wilde rit heeft hij de auto midden op straat achtergelaten en is het Vondelpark in gerend. Vervolgens is hij een hek overgeklommen en via een achtertuin een woning binnengegaan, tot grote schrik van de in de woning aanwezige bewoonster. De schoonzoon van de bewoonster heeft samen met een andere man voorkomen dat verdachte de benen kon nemen, maar is daarbij door verdachte tegen zijn kaak en een been getrapt. Het slachtoffer heeft daardoor pijn en ongemak ondervonden.
Uit een Uittreksel Justitiële Documentatie van 4 maart 2019 blijkt dat verdachte in het verleden voor uiteenlopende misdrijven is veroordeeld. Deze veroordelingen dateren, met uitzondering van een veroordeling voor rijden onder invloed, van langer dan vijf jaar geleden, zodat de rechtbank deze bij de strafoplegging niet ten nadele van verdachte zal meewegen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies van 13 maart 2019 van Reclassering Nederland. Hierin is te lezen dat er zorgen bestaan over de impulsiviteit en het probleemoplossend vermogen van verdachte. Verdachte heeft bij de reclassering zelf aangegeven dat hij begeleiding en sturing nodig heeft en dat hij open staat voor reclasseringstoezicht of andere hulpverlening. De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden, een verplicht reclasseringscontact, een ambulante behandeling bij De Waag, het meewerken aan het vinden van een dagbesteding en meewerken aan schuldhulpverlening.

De rechtbank benadrukt dat de door verdachte gepleegde delicten en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden bijzonder zorgelijk zijn. Zoals de rechtbank hiervoor onder 4.3. heeft overwogen, kan het niet anders zijn dan dat verdachte op 28 december 2018 criminele plannen had. Verdachte heeft echter geen openheid van zaken gegeven en heeft in plaats daarvan een volstrekt ongeloofwaardige verklaring afgelegd. Het blijft daarom gissen waar hij op dat moment mee bezig was en wat hij met het geladen wapen van plan was te gaan doen. Door deze opstelling van verdachte is de rechtbank er niet van overtuigd dat verdachte werkelijk gemotiveerd is om aan zichzelf te werken en om zijn leven in goede banen te leiden. De rechtbank ziet daarom niet de meerwaarde van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel en zal deze achterwege laten.In aanmerking genomen de LOVS oriëntatiepunten acht zij een gevangenisstraf van zes maanden passend en geboden. Daarmee komt zij tot een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist.
9

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 300 en 416 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

beslissing

10



De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart de onder 2 ten laste gelegde mishandeling van [slachtoffer 1] niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde

mishandeling;

ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde

opzetheling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een van .

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Knol, voorzitter,mrs. E.G.C. Groenendaal en J.M. Hoogveld, rechters,in tegenwoordigheid van B. de Hoogh, griffier,en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 april 2019.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.