Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2019:1851

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-03-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 13-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2019:1851, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is C/13/639465 / HA ZA 17-1242


Bron: Rechtspraak

center
100
7210e89b-d11d-4ce7-b2a1-66cf89c60203
2
13
image/png

center
100
c3dc72fe-0b88-48d8-8bc5-e4d7bb5e0206
2
523
image/png


RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/639465 / HA ZA 17-1242

Vonnis van 13 maart 2019

in de zaak van

de vennootschap naar buitenlands recht
ETNIK HALICILIK SANAYI VE TICARET LIMITED SIRKETI

gevestigd te Istanbul (Turkije),eiseres,advocaat mr. M.J. Kesler te Amsterdam,
tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde]

gevestigd te [plaats] ,gedaagde,advocaat mr. M.F. Bartels te Amsterdam.
Partijen zullen hierna Etnik en [gedaagde] genoemd worden.

ECLI:NL:RBAMS:2019:1851:DOC
nl

center
100
7210e89b-d11d-4ce7-b2a1-66cf89c60203
2
13
image/png

center
100
c3dc72fe-0b88-48d8-8bc5-e4d7bb5e0206
2
523
image/png


RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/639465 / HA ZA 17-1242

Vonnis van 13 maart 2019

in de zaak van

de vennootschap naar buitenlands recht
ETNIK HALICILIK SANAYI VE TICARET LIMITED SIRKETI

gevestigd te Istanbul (Turkije),eiseres,advocaat mr. M.J. Kesler te Amsterdam,
tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde]

gevestigd te [plaats] ,gedaagde,advocaat mr. M.F. Bartels te Amsterdam.
Partijen zullen hierna Etnik en [gedaagde] genoemd worden.

1

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-

de dagvaarding van 18 oktober 2017, met producties;

de akte overlegging producties van 16 mei 2018 van de zijde van Etnik;

de conclusie van antwoord van 27 juni 2018, met producties;

het vonnis van 17 oktober 2018 waarbij een bijeenkomst van partijen is bepaald;

de akte overlegging producties van 30 januari 2019 van de zijde van Etnik;

de aanvullende productie van 30 januari 2019 van de zijde van [gedaagde] ;

het proces-verbaal van comparitie en de daarin genoemde stukken van 30 januari 2019.

1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2

2.1.
Etnik is een in Turkije gevestigde onderneming die handelt in (onder andere) Perzische stoffen en vloerbedekkingen. [gedaagde] is een onderneming die zich (onder andere) bezighoudt met de import van accessoires voor de kledingindustrie. In dat kader heeft [gedaagde] sinds 2013 regelmatig bij Etnik vloerkleden besteld.
2.2.
Aan de bestellingen lagen geen schriftelijke overeenkomsten ten grondslag. [gedaagde] bestelde de kleden telefonisch of in de winkel bij Etnik, vervolgens leverde Etnik de kleden aan [gedaagde] en na levering verstuurde Etnik facturen aan [gedaagde] . [gedaagde] betaalde openstaande facturen niet direct, maar voldeed – als er een (groot) bedrag openstond – een bedrag ineens om zo de achterstand van facturen in te lopen.
2.3.
Bij brief van 30 juni 2017 heeft Etnik jegens [gedaagde] aanspraak gemaakt op betaling van een bedrag van € 168.441,70 aan openstaande facturen, te vermeerderen met rente en incassokosten. [gedaagde] heeft Etnik daarop een betalingsoverzicht over 2013/2014 gestuurd, naar aanleiding waarvan Etnik de vordering heeft bijgesteld naar een bedrag van € 98.659,82 aan openstaande facturen. [gedaagde] heeft in de procedure erkend dat zij van het door Etnik gevorderde bedrag nog een bedrag van € 25.424,56 moet voldoen.
3

3.1.
Etnik vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] veroordeelt om aan Etnik te betalen een bedrag van € 98.659,82, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 78 Weens Koopverdrag/Convention on Contracts for the International Sale of Goods (hierna: CISG) of – subsidiair – te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW;

II. [gedaagde] veroordeelt om aan Etnik te betalen een bedrag van € 6.000,- ter zake van buitengerechtelijke incassokosten ex artikel 74 CISG of – subsidiair – de buitengerechtelijke kosten te begroten aan de hand van het Besluit Buitengerechtelijke Incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;

III. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van het geding, met nasalaris en rente.

3.2.
Etnik legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat zij met [gedaagde] overeenkomsten tot levering van kleden is aangegaan. Etnik heeft na levering van de kleden facturen aan [gedaagde] gezonden, welke facturen [gedaagde] onbetaald heeft gelaten.
3.3.
[gedaagde] voert verweer tegen de vordering. [gedaagde] heeft gesteld dat zij niet alle kleden waar de openstaande facturen op zien geleverd heeft gekregen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
overwegingen

4

4.1.
Vooropgesteld wordt dat op de (totstandkoming van de) overeenkomsten tussen de partijen het CISG van toepassing is. Het gaat hier immers om koop van roerende zaken tussen partijen die in verschillende staten zijn gevestigd die beide zijn aangesloten bij het CISG, terwijl de uitzondering van de consumentenkoop zich hier niet voordoet.
4.2.
Kern van het geschil tussen partijen is de vraag of [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van haar betalingsverplichting uit hoofde van de tussen partijen gesloten koopovereenkomsten. [gedaagde] heeft in de procedure erkend dat zij van het door Etnik gevorderde bedrag nog een bedrag van € 25.424,56 moet voldoen, dit bedrag zal derhalve worden toegewezen.
4.3.
Etnik heeft aan haar (restant)vordering vijf facturen ten grondslag gelegd:
totaal: € 58.210,23

arabic

factuur 40362 25 februari 2013 € 2.605,-

factuur 40418 21 mei 2013 € 6.857,75

factuur 35340 22 november 2013 € 3.272,24

factuur 35686 3 juli 2015 € 8.545,60

factuur 19859 10 februari 2016

[gedaagde] heeft de verschuldigdheid van het openstaande bedrag gemotiveerd betwist en daartoe aangevoerd dat zij niet alle kleden waar de openstaande facturen op zien geleverd heeft gekregen. Volgens [gedaagde] was de gebruikelijke handelwijze dat een factuur werd geaccordeerd en betaald zodra [gedaagde] in het bezit was van een afleverbon. In het licht van de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] heeft Etnik onvoldoende onderbouwd dat de kleden daadwerkelijk zijn geleverd en daarmee dat [gedaagde] tot betaling is gehouden. Dit wordt hieronder nader uiteengezet.

4.4.
Ten aanzien van factuur 40362 (1) heeft Etnik geen enkel stuk overgelegd. De reden hiervoor is dat de administratie niet helemaal op orde is, aldus Etnik. Wat hier verder van zij, dit betekent dat er geen enkele aanwijzing is dat er daadwerkelijk kleden zijn geleverd. Ten aanzien van de facturen 40418 (2) en 35340 (3) heeft Etnik wel stukken overgelegd, te weten kopieën van de facturen en Turkse vervoersbewijzen waarop [gedaagde] als geadresseerde staat vermeld. Terecht heeft [gedaagde] echter aangevoerd dat hieruit niet kan worden afgeleid dat er daadwerkelijk goederen bij [gedaagde] zijn geleverd. Ook ten aanzien van deze factuur is dus onvoldoende concreet gemaakt dat er een daadwerkelijke levering heeft plaatsgevonden. Van factuur 35686 (4) heeft Etnik een kopiefactuur en een door de Turkse overheid afgestempeld vervoersbewijs overgelegd, waaruit blijkt dat de levering Turkije heeft verlaten. Hieruit blijkt evenwel nog niet dat de goederen bij [gedaagde] geleverd zijn. Inzake factuur 19859 (5) heeft Etnik een kopiefactuur en Turkse vervoersbewijzen waarop [gedaagde] als geadresseerde staat vermeld overgelegd. Etnik heeft daarnaast een door ene [naam] voor goede en volledige ontvangst van de goederen op 24 februari 2016 overgelegd, maar daaruit blijkt niet dat het om de zending van 10 februari 2016 gaat. Door [gedaagde] is echter betwist dat zij in februari 2016 een [naam] in dienst had. Ten slotte heeft Etnik nog een screenshot uit het interne systeem van transporteur [transporteur] overgelegd waaruit blijkt dat op 30 mei 2013 een partij in goede conditie is afgeleverd. De rechtbank overweegt echter dat dat dit geen betrekking kan hebben op de bestelling van 10 februari 2016. Al met al moet worden geconcludeerd dat Etnik onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat zij kleden bij [gedaagde] heeft afgeleverd.
4.5.
Nu een deel van de vordering van Etnik wordt toegewezen is het uitgangspunt dat Etnik op grond van de artikelen 78 en 74 CISG recht heeft op betaling van rente door [gedaagde] over het openstaande bedrag respectievelijk op vergoeding van andere schade die zij heeft geleden ten gevolge van de tekortkoming, waaronder mogelijk gemaakte buitengerechtelijke kosten.
4.6.
Etnik heeft primair aanspraak gemaakt op het Turkse rentepercentage van 11,75% en subsidiair op de rente krachtens 6:119a BW. [gedaagde] heeft gesteld dat het Turkse rentepercentage onredelijk hoog is en dat krachtens Nederlands recht eerst rente is verschuldigd als een partij in verzuim is, hetgeen pas vanaf 15 juli 2017 het geval is. Op grond van artikel 78 CISG is rente verschuldigd over achterstallige betalingen. Dit artikel regelt echter niet welk rentepercentage geldt. Dit moet volgens artikel 7 lid 2 CISG dan worden bepaald volgens het krachtens de regels van internationaal privaatrecht toepasselijke recht. Op de overeenkomst is (aanvullend) de Verordening (EG) van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) van toepassing. Deze verordening kent immers een universeel formeel toepassingsgebied. Gesteld noch gebleken is dat partijen een rechtskeuze hebben gemaakt. Krachtens artikel 4 lid 1 sub a Rome I wordt de overeenkomst voor de verkoop van roerende zaken beheerst door het recht van het land waar de verkoper zijn gewone verblijfplaats heeft. Etnik heeft haar gewone verblijfplaats in Turkije en nu gesteld noch gebleken is dat de overeenkomst nauwer verbonden is met een ander land, moet het rentepercentage naar Turks recht worden bepaald.
4.7.
Etnik heeft geen stukken in het geding gebracht waaruit het rentepercentage naar Turks recht blijkt. Desgevraagd heeft de advocaat van Etnik aangegeven dat hij telefonisch contact heeft gehad met een Turkse advocaat en daaraan een rentepercentage van 11,75% heeft ontleend. Hij heeft hier geen vindplaats van gegeven. De rechtbank oordeelt dat, nu het rentepercentage naar Turks recht moet worden bepaald en Etnik geen stukken in het geding heeft gebracht waaruit dit rentepercentage volgt, de vordering van Etnik tot betaling van rente over het openstaande bedrag zal worden afgewezen.
4.8.
Nu [gedaagde] zijn verplichting tot betaling uit de koopovereenkomst niet correct na is gekomen kan Etnik krachtens artikel 74 CISG schadevergoeding vorderen. Etnik heeft aanspraak gemaakt op volledige vergoeding van de kosten die zij heeft moeten maken voor het inschakelen van een advocaat, zijnde een bedrag van € 6.000,- (exclusief btw en kantoorkosten). [gedaagde] heeft vergoeding van deze kosten betwist. Volgens [gedaagde] zijn de advocaatkosten niet het gevolg van een tekortkoming maar zijn het gevolg van de chaos in de administratie van Etnik en heeft Etnik nooit aanmaningen of sommaties verzonden.
4.9.
Artikel 74 CISG bepaalt dat de partij die tekortschiet de schade dient te vergoeden die de benadeelde lijdt ‘als gevolg van de tekortkoming’. Er moet dus een causaal verband bestaan. Nu [gedaagde] van het gevorderde bedrag van € 98.659,82 een bedrag van € 25.424,56 moet voldoen is [gedaagde] een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten verschuldigd op basis van de hoogte van het niet tijdig betaalde gedeelte van het in hoofdsom verschuldigde, zijnde een bedrag van € 1.500,--.
4.10.
De vergoeding van proceskosten (griffierecht en advocaatkosten) wordt niet beheerst door de CISG, maar door het toepasselijke nationale recht. Nu Etnik en [gedaagde] over en weer in het ongelijk zijn gesteld, worden de proceskosten aldus gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt.
beslissing

5

De rechtbank:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Etnik te betalen een bedrag van € 25.424,56;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan Etnik te betalen een bedrag van € 1.500,- ter zake van buitengerechtelijke kosten ex artikel 74 CISG;
5.3.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4.
wijst af het anders of meer gevorderde;
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. I. A. Haanappel-van der Burg, rechter, en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2019.