Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2019:1771

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-03-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 14-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2019:1771, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 13/845068-06


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/845068-06

Datum uitspraak: 14 maart 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1954,ingeschreven in de Basisregistratie Personen en verblijvende op het adres [adres] [woonplaats] .

ECLI:NL:RBAMS:2019:1771:DOC
nl

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/845068-06

Datum uitspraak: 14 maart 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1954,ingeschreven in de Basisregistratie Personen en verblijvende op het adres [adres] [woonplaats] .
1

1.1.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 6 juli 2016 (regiezitting), 30 januari 2018 (regiezitting) en 11 en 12 februari 2019 (inhoudelijke behandeling). Het onderzoek is formeel gesloten op 14 maart 2019.
1.2.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. E.C. Visser en E.B. Smit (hierna: de officier van justitie) en van wat verdachte en zijn raadslieden mrs. E.A.M. Mannheims, B.Th. Nooitgedagt en B.W. Newitt (hierna: de verdediging) naar voren hebben gebracht.
1.3.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de 177 vorderingen benadeelde partij.
2

2.1.
Eind jaren negentig werd een aantal fiscale maatregelen getroffen met het doel de Nederlandse filmindustrie te stimuleren. Kort gezegd kon men fiscaal aantrekkelijk investeren in de productie van films door te participeren in een commanditaire vennootschap die één speelfilm voortbracht (een zogeheten film- cv ). Mede op grond van deze maatregelen konden de participanten in een film- cv tot en met het jaar 2000 op hun aangifte inkomstenbelasting bedragen in aftrek brengen, die soms zelfs leidden tot een zodanig bedrag aan belastingvermindering dat deze het bedrag van hun participatie te boven ging. Vanaf 2001 gold een aftrekbeperking tot 100% van het bedrag van de participatie. Het rendement op het investeren in een film- cv bestond voor een groot deel uit fiscale voordelen. Ook een film die commercieel geen succes was, kon fiscaal een succesvol beleggingsproduct zijn. Per 1 juli 2007 werden de belastingsubsidies ter stimulering van de Nederlandse filmindustrie afgeschaft.
2.2.
Verdachte wordt er kort gezegd van beschuldigd dat hij personen die gebruik wilden maken van deze wijze van fiscaal aantrekkelijk investeren heeft opgelicht en dat zij door zijn toedoen onjuiste belastingaangiften hebben gedaan.
3

1. hij, op een of meer tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 16 mei 2000 tot en met 1 januari 2001 te Amsterdam en/of Hilversum en/of Naarden en/of elders in Nederland, alleen, althans tezamen en in vereniging met (een) of meer ander(en) meermalen, althans eenmaal, (telkens) met het oogmerk om zich of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, door (een) listige kunstgre(e)p(en), en/of door een samenweefsel van verdichtsels, een groot aantal, althans een of meer perso(o)n(en) (telkens) heeft/hebben bewogen en/of doen bewegen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en), waaronder:
- per CV telkens één gecertificeerde speelfilm zal worden geproduceerd met Hungry Eye Lowland Pictures B.V. als producent (D-001, p. 1116) en/of
2. hij, op een of meer tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 10 september 2001 tot en met 1 januari 2002 te Amsterdam en/of Hilversum en/of Naarden en/of elders in Nederland, alleen, althans tezamen en in vereniging met (een) of meer ander(en) meermalen, althans eenmaal, (telkens) met het oogmerk om zich of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, door (een) listige kunstgre(e)p(en), en/of door een samenweefsel van verdichtsels, een groot aantal, althans een of meer perso(o)n(en) (telkens) heeft/hebben bewogen en/of doen bewegen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en), waaronder:
3. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 6 april 2001 tot en met 7 april 2003, te Amsterdam en/of te Hilversum en/of te Apeldoorn en/of te Heerlen en/of (elders) in Nederland, alleen, althans tezamen en in vereniging met (een) ander(en), (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de inkomstenbelasting (IB) over het jaar 2000 ten name gesteld van de volgende personen:
- een te laag bedrag aan winst uit de onderneming,
Aan verdachte is ten laste gelegd dat

althans (telkens) enig goed,

hebbende hij, verdachte, althans hij, verdachte, en/of (een of meerdere van) zijn mededader(s), met vooromschreven oogmerk, middellijk dan wel onmiddellijk via de brochure(s)/prospectus(sen) “Hungry Eye Film Fonds Prospectus” (D-001) (telkens) valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid voorgewend dat

waardoor voornoemd(e) perso(o)n(en) werd(en) bewogen tot bovenomschrevenafgifte;
althans (telkens) enig goed,

hebbende hij, verdachte, althans hij, verdachte, en/of (een of meerdere van) zijn mededader(s) met vooromschreven oogmerk, middellijk dan wel onmiddellijk via de brochure(s)/prospectus(sen) "Hungry Eye Film Fonds Prospectus 2001" (D-900) (telkens) valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid voorgewend dat

waardoor voornoemde perso(o)n(en) werd(en) bewogen tot bovenomschrevenafgifte;
(een) aangifte(n) voor de inkomstenbelasting (IB) over het jaar 2001 ten name gesteld van de volgende personen:

onjuist en/of onvolledig heeft/hebben doen doen en/of door (een) ander(en) heeft laten doen immers heeft/hebben hij, verdachte, althans hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s), (telkens) opzettelijk op het/de bij de Inspecteur der belastingen ingeleverde aangiftebiljet(ten) inkomstenbelasting van voornoemde personen ten onrechte doen en/of laten invullen:

waardoor en/of waarna vorenbedoelde personen een te laag bedrag aan inkomen/inkomsten en/of een te laag belastbaar bedrag, heeft/hebben opgegeven en/of aangegeven op/in hun aangifte(n) inkomstenbelasting en/of deze heeft/hebben ingediend en/of ingeleverd bij diverse Belastingkantoren in Nederland, terwijl dat feit/die feiten ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven.

-

[slachtoffer 1] : hfl. 40.000, althans enig geldbedrag en/of

[slachtoffer 2] : hfl. 16.000, althans enig geldbedrag en/of

[slachtoffer 3] : hfl. 16.000, althans enig geldbedrag en/of

[slachtoffer 4] : hlf. 8.000, althans enig geldbedrag en/of

[slachtoffer 5] : hfl. 16.000, althans enig geldbedrag en/of

[slachtoffer 6] , hlf. 16.000 althans enig geldbedrag

-

de CV van de te produceren speelfilm alle rechten zal bezitten of mede zal bezitten die nodig zijn voor het vervaardigen en exploiteren van de speelfilm (D-001, p. 1118) en/of

dat minimaal 91% van het commanditair kapitaal zal worden aangewend om de voortbrengingskosten van de speelfilm te financieren (D-001, p. 1119) en/of

met de Belastingdienst afspraken worden gemaakt met betrekking tot de fiscale behandeling van de investering in de CV , welke afspraken worden vastgelegd in een winstvaststellingsovereenkomst (D-001, p. 1121) en/of

op basis van de winstvaststellingsovereenkomst de fiscale informatie welke de CV elk jaar aan de participanten zal verstrekken ten behoeve van het invullen van de aangifte inkomsten- en vermogensbelasting vooraf door de Belastingdienst wordt gecontroleerd (D-001, p. 1121) en/of

participanten bij deelname in één van de door Hungry Eye opgerichte film- cv 's als ondernemers worden aangemerkt voor de toepassing van de Nederlandse Wet op de Inkomstenbelasting en daarom gebruik kunnen maken van een aantal belastingfaciliteiten die alleen voor ondernemers gelden, zoals de investeringsaftrek, de willekeurige afschrijving en de stakingsvrijstelling (D-001, p. 1122) en/of

een gegarandeerd rendement op de investering verzekerd was (D-001, p. 1131, 1132),

-

[slachtoffer 2] : hfl. 16.750, althans enig geldbedrag en/of

[slachtoffer 7] : hfl. 33.500, althans enig geldbedrag en/of

[slachtoffer 5] : hfl. 16.750, althans enig geldbedrag en/of

-

per CV telkens één gecertificeerde speelfilm zal worden geproduceerd met Hungry Eye Lowland Pictures B.V. als producent (D-900, p. 2149) en/of

de CV van de te produceren speelfilm alle rechten zal bezitten of mede zal bezitten die nodig zijn voor het vervaardigen en exploiteren van de speelfilm (D-900, p. 2150) en/of

minimaal 90,72% van het commanditair kapitaal zal worden aangewend om de voortbrengingskosten van de speelfilm te financieren (D-900, p. 2151) en/of

met de Belastingdienst afspraken worden gemaakt met betrekking tot de fiscale behandeling van de investering in de CV , welke afspraken worden vastgelegd in een winstvaststellingsovereenkomst en/of (D-900, p. 2153) en/of

op basis van de winstvaststellingsovereenkomst de fiscale informatie welke de CV elk jaar aan de participanten zal verstrekken ten behoeve van het invullen van de aangifte inkomsten- en vermogensbelasting vooraf door de Belastingdienst wordt gecontroleerd (D-900, p. 2153) en/of

participanten bij deelname in één van de door Hungry Eye opgerichte film- cv 's als medegerechtigden worden aangemerkt voor de toepassing van de Nederlandse Wet op de Inkomstenbelasting en daarom gebruik kunnen maken van een aantal belastingfaciliteiten die alleen voor medegerechtigden in film CV 's gelden, zoals de investeringsaftrek en de willekeurige afschrijving (D-900, p. 2154) en/of

de gegarandeerde minimum opbrengst per participatie hfl. 9.250 bedraagt en uiterlijk januari 2003 zal worden uitgekeerd en het minimum netto rendement op de investering 10,4% zal bedragen (D-900, p. 2158 en 2159),

-

[slachtoffer 6] , ingediend op 11 juli 2001 (A-12) en/of

[slachtoffer 4] , ingediend op 3 oktober 2001 (A-14) en/of

[slachtoffer 5] , ingediend op 7 mei 2002 (A-36) en/of

[slachtoffer 1] , ingediend op 19 juli 2001 (A-38) en/of

[slachtoffer 2] , ingediend op 6 april 2001 (A-42) en/of

[slachtoffer 3] , ingediend op 17 oktober 2001 (A-44) en/of

-

[slachtoffer 5] , ingediend op 7 april 2003 (A-51) en/of

[slachtoffer 7] , ingediend op 2 april 2002 (A-53) en/of

[slachtoffer 2] , ingediend op 16 april 2002 (A-57),

4

4.1.
De geldigheid van de dagvaarding
4.1.1.
De verdediging heeft verzocht de dagvaarding ten aanzien van de onderdelen “een groot aantal, althans een of meer perso(o)n(en)” en “waaronder” van feit 1 en feit 2 partieel nietig te verklaren omdat de tenlastelegging door deze onderdelen een dermate ruim en onbepaald bereik heeft dat zij hierdoor strijdig is met het bepaalde in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. Het is hierdoor voor verdachte niet inzichtelijk waartegen hij zich dient te verdedigen en het kan voor de rechtbank niet duidelijk zijn waarover zij dient te beslissen, aldus de verdediging.
4.1.2.
De officier van justitie heeft op het verweer van de verdediging geanticipeerd en bij requisitoir de wijze van ten laste leggen – zakelijk weergegeven – als volgt uitgelegd. Onder 1 en 2 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij een groot aantal, althans een of meer perso(o)n(en) onder wie zes met name genoemde participanten van CV4 , 5 en/of 6 en drie met name genoemde participanten van CV9 heeft opgelicht. De reden voor deze wijze van ten laste leggen is gelegen in enerzijds de wens van het Openbaar Ministerie de tenlastelegging en het onderzoek door de opsporing en op de terechtzitting door de rechtbank te beperken (anders zouden er 495 inleggers op de tenlastelegging staan) maar anderzijds wel te bewerkstelligen dat benadeelde partijen die niet met name in de dagvaarding zijn genoemd toch de mogelijkheid wordt geboden zich in het strafproces te voegen. Het totaal aantal participanten van CV4 , 5 en 6 (feit 1) en de aan hen toegekende participaties ligt vast in de bijlagen D/402, D/502 en D/601 en het totaal aantal participanten van CV9 (feit 2) en de aan hen toegekende participaties ligt vast in de bijlage D/902. Voor verdachte is het volstrekt duidelijk wat hem wordt verweten en waartegen hij zich dient te verweren, aldus de officier van justitie.
4.1.3.
De rechtbank verwerpt het verweer dat de dagvaarding partieel nietig dient te worden verklaard. De rechtbank stelt voorop dat het opnemen in de tenlastelegging van “een groot aantal” en/of “een of meer personen waaronder” niet zonder meer leidt tot partiële nietigheid van de dagvaarding (Vgl. Hoge Raad 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF5074). Op grond van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering moet de tenlastelegging een opgave behelzen van het feit dat ten laste wordt gelegd en de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan. Het ten laste gelegde moet zodanig feitelijk zijn aangeduid dat de rechtbank op basis van de tenlastelegging weet wat zij moet onderzoeken en de verdachte in staat is te begrijpen wat hem wordt verweten teneinde zich daartegen te kunnen verdedigen. Of de tekst van de tenlastelegging voldoende feitelijk is, moet worden bezien tegen de achtergrond van de inhoud van het gehele dossier. Het gaat in deze zaak kort gezegd om een fiscale constructie rond film-cv’s. Het dossier is toegespitst op de cv ’s CV4 , CV5 , CV6 en CV9 . Verdachte is ten laste gelegd dat hij een groot aantal personen heeft opgelicht. Duidelijk is wie met die personen worden bedoeld: de participanten van CV4 , CV5 , CV 6 en/of CV9 die worden genoemd in de documenten D/402, D/502, D/602 en D/902. Ook de in de tenlastelegging genoemde periode waarin de feiten zouden zijn gepleegd, de verwijzing naar de prospectussen van Hungry Eye Film Fonds (D/001 respectievelijk D/900) en de ter illustratie opgenomen namen van een aantal participanten maken duidelijk waar de verdenking betrekking op heeft. Verdachte heeft op geen van de terechtzittingen er blijk van gegeven niet te begrijpen waartegen hij zich diende te verdedigen en blijkens haar pleitnotities was het de verdediging kennelijk ook duidelijk waar de tenlastelegging op ziet. De dagvaarding is voldoende concreet en nu zij ook overigens voldoet aan de eisen zoals gesteld in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering, is zij geldig.
4.2.
De ontvankelijkheid van de officier van justitie
De rechtbank zal hierna deze argumenten bespreken en beoordelen.
4.2.1.1. De verdediging heeft betoogd dat de officier van justitie niet kan worden ontvangen in de vervolging van verdachte en samengevat het volgende naar voren gebracht. De reden dat verdachte anno 2019 nog wordt vervolgd, is dat daarmee aan de belangen van de participanten tegemoet wordt gekomen. Het Openbaar Ministerie heeft zich door de veelal vermogende participanten na vele jaren van inactiviteit “te hulp te schieten”, in een positie gemanoeuvreerd waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte tekort is gedaan aan zijn recht op een behoorlijke behandeling van zijn zaak. Er is dan ook sprake van “ernstige schending van beginselen van een goede procesorde” waarbij het wettelijk systeem en de eerlijkheid van het proces in de kern zijn geraakt.

4.2.1.2. De verdediging heeft haar verweer gebaseerd op vijf pijlers die ieder voor zich en in onderlinge samenhang strekken tot niet-ontvankelijk van de officier van justitie.

arabic

Het verbod op willekeur, het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging en het gelijkheidsbeginsel.

De schending van de redelijke termijn.

De gevolgen van de schending van de redelijke termijn, het tijdsverloop voor de eerlijkheid van het proces.

Het willens en wetens nalaten van onderzoeken door de officier van justitie en de gevolgen daarvan voor de eerlijkheid van het proces.

De inbeslagname van geheimhouderstukken en in strijd met het verschoningsrecht en daarvoor geldende regelgeving kennisnemen en gebruik maken van de inhoud daarvan door het Openbaar Ministerie (en de FIOD/ECD).

4.2.2.
Het verbod op willekeur, het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging en het gelijkheidsbeginsel.
4.2.2.1. De verdediging heeft aangevoerd dat het onbegrijpelijk is dat alleen verdachte wordt vervolgd en de zaak tegen [naam 1] is geseponeerd. [naam 1] is kennelijk in de visie van het Openbaar Ministerie door het ter beschikking stellen van de overwaarde van zijn woning aan de participanten genoeg gestraft en biedt – anders dan verdachte – geen verhaal meer voor de vorderingen van de benadeelde partijen. De in de tenlastelegging opgenomen feitelijke omschrijving van gedragingen dan wel inspanningsverplichtingen betreffen handelingen die [naam 1] heeft verricht dan wel verplichtingen die op hem, handelend namens Hungry Eye, rustten. Reeds vanuit dat perspectief is zijn positie in het dossier (in potentie) gewichtiger dan die van verdachte. Door uitsluitend verdachte te dagvaarden (en verder te vervolgen) is sprake van schending van beginselen van een behoorlijke procesorde, in het bijzonder het verbod op willekeur, het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging en het gelijkheidsbeginsel, aldus de verdediging.

4.2.2.2. De officier van justitie heeft – zakelijk weergegeven – het volgende gerepliceerd. De verdediging stelt dat de zaak van [naam 1] zou zijn geseponeerd omdat hij door de verkoop van zijn woning genoeg is gestraft en geen verhaal meer zou bieden. [naam 1] heeft in verband met deze zaak inderdaad zijn woning verkocht, maar uiteindelijk is de sepotbeslissing enkel ingegeven door de beoordeling van het bewijs, en de conclusie daarvan is dat [naam 1] geen medepleger was aan de oplichting, omdat hij niet aantoonbaar over alle informatie beschikte waar verdachte wel over beschikte.

4.2.2.3. De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, voor zover hier van belang met het verbod van willekeur – dat in strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging – om de reden dat geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. Indien een rechter op deze grond tot het oordeel komt dat sprake is van zo’n uitzonderlijk geval waarin het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging, gelden voor deze beslissing zware motiveringseisen (Hoge Raad 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280, NJ 2013/109 m.nt. [naam arrest] ).

Ten aanzien van het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel geldt dat het ten onrechte niet vervolgen van derden van wie de gedragingen evenzeer als die van de verdachte het voorwerp van strafvervolging dienen te zijn, niet (zonder meer) leidt tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging tegen de verdachte (Hoge Raad 16 april 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2525 – NJ 1996/527 rov. 7.7, Hoge Raad 18 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5207 en Hoge Raad 11 februari 2014 ECLI:NL:HR:2014:286 – NJ 2014/137).

De officier van justitie heeft laten weten dat de zaak tegen [naam 1] inmiddels bij gebrek aan bewijs is geseponeerd.

De rechtbank is van oordeel (mede in het licht van wat de verdediging ter schraging van haar verweer heeft aangevoerd) dat geen sprake is van een uitzonderlijk geval waarin het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard. Er kan ook niet gezegd worden dat verdachte en [naam 1] eenzelfde rol hadden. Het verweer wordt daarom verworpen.

4.2.3.
Schending van de redelijke termijn.
- 16 mei 2000 tot en met 1 januari 2001 (feit 1);- 10 september 2001 tot en met 1 januari 2002 (feit 2); en- 6 april 2001 tot en met 7 april 2003 (feit 3).Alle ten laste gelegde feiten hebben derhalve inmiddels ruim 19 tot 16 jaar geleden plaatsgevonden op het moment dat de zaak inhoudelijk ter terechtzitting is besproken. Voorts is vanaf 21 september 2005, overigens op uitnodiging van de FIOD, aangifte ter zake van oplichting tegen verdachte gedaan. Ruim twee jaar later is hij voor het eerst als verdachte gehoord en dus leeft hij nagenoeg 12 jaar onder de bedreiging van strafvervolging. Op 7 april 2008 heeft de rechtbank in een klaagschriftprocedure ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot in beslag genomen geheimhouderstukken een beschikking gewezen. Sedertdien is er geen enkele activiteit door het Openbaar Ministerie ontplooid totdat in 2014 conservatoire beslagen zijn gelegd ten behoeve van een eventueel op te leggen schadevergoedingsmaatregel. Aldus is sprake van een inactiviteit van 6 jaar. Al deze omstandigheden maken dat sprake is van een grove schending van de redelijke termijn.
4.2.3.1. De verdediging heeft betoogd dat de redelijke termijn is overschreden en daartoe het volgende aangevoerd. De tenlastegelegde gedragingen hebben blijkens de tenlastelegging plaatsgevonden in de periode

4.2.3.2. De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de redelijke termijn inderdaad is overschreden. De officier van justitie heeft er op gewezen dat alleen de periode mei 2010 tot juni 2012 is aan te wijzen als een periode van inactiviteit wat betreft de beoordeling van de geheimhouderstukken. Na 31 mei 2016 heeft het nog ruim twee jaar en acht maanden geduurd voordat de zaak uiteindelijk inhoudelijk op de terechtzitting kon worden behandeld. Deze periode is met name gebruikt om uitvoering te geven aan de onderzoekswensen van de verdediging. Onderzoekswensen waar het Openbaar Ministerie zich veelal tegen heeft verzet en die ook niet eenvoudig uit te voeren waren. Uiteraard is een periode van 16 jaar na het plegen van het laatste fiscale delict (7 april 2003) in absolute zin een (onredelijke) lange termijn. Maar gelet op alle feiten en omstandigheden van deze zaak en ieders rol hierin, kan dit niet tot niet-ontvankelijkheid leiden, aldus de officier van justitie.

4.2.3.3. De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6 , eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn begint op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie of een andere opsporingsdienst heeft niet steeds als zodanige handeling te gelden.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadslieden op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn inderdaad in ernstige mate is overschreden. Voor een deel is het tijdsverloop verklaarbaar omdat het een complexe fraudezaak betreft, er tussentijds diverse juridische procedures zijn gevoerd (civielrechtelijke procedures, beklagprocedures ten aanzien van in beslag genomen documenten en fiscale rechtszaken), tijdrovende onderzoekshandelingen zijn verricht (waaronder rechtshulpverzoeken) en verschillende rechters-commissarissen de zaak tussentijds moesten overdragen aan een collega. Maar dat neemt niet weg dat de termijnoverschrijding omvangrijk is.

Overschrijding van de redelijke termijn leidt echter niet tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie en wordt in beginsel gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden (Hoge Raad 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578 – NJ 2008, 358 m.nt. [naam arrest] ). Voor zover het verweer ertoe strekt dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn, wordt het verworpen.

4.2.4.
De gevolgen van de schending van de redelijke termijn, het tijdsverloop voor de eerlijkheid van het proces.
4.2.4.1. De verdediging heeft aangevoerd dat ten gevolge van het tijdsverloop sprake is van schending van het recht op een eerlijk proces. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 3 oktober 2000 (ECLI:NL:HR:2000:AA7309, NJ 2000/721 m.nt. [naam arrest] ), in het kader van de ratio van het recht op berechting binnen een redelijke termijn, onder meer gewezen op de “ongunstige invloed van het tijdsverloop op de beoordeling van de feiten als gevolg van de verbleking van de herinnering van – bijvoorbeeld – eventuele getuigen”. De verdediging heeft weliswaar het ondervragingsrecht ten aanzien van de toegewezen getuigen kunnen uitoefenen, maar dat sprake was van een ongunstige invloed van het tijdsverloop met betrekking tot feiten die 19 tot 16 jaren geleden hebben plaatsgevonden op de beoordeling van de feiten als gevolg van de verbleking van de herinnering, is tijdens de verhoren bij de rechter-commissaris wel gebleken. Dit gold in de meest extreme mate voor de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] maar ook voor de participanten, die voor een groot deel met name verklaarden op basis van “wetenschap” die zij achteraf hebben verkregen door onder meer de civiele en fiscale procedures die hebben plaatsgevonden.

4.2.4.2. De rechtbank is van oordeel dat ondanks het grote tijdsverloop niet gezegd kan worden dat verdachte geen eerlijk proces heeft gehad. De verdediging heeft onvoldoende onderbouwd waarin de gestelde oneerlijkheid schuilt. Er zijn geen aanwijzingen dat verdachte zich niet meer adequaat tegen de beschuldigingen kon verdedigen. De rechtbank laat hierbij meewegen dat het bewijs tegen verdachte voornamelijk bestaat uit schriftelijke stukken, waarbij geen sprake is van verbleking van het geheugen. Het verweer wordt verworpen.

4.2.5.
Het willens en wetens nalaten van onderzoeken door de officier van justitie en de gevolgen daarvan voor de eerlijkheid van het proces.
4.2. 5 .1. De verdediging heeft aangevoerd dat de officier van justitie willens en wetens heeft nagelaten de in het eerste aanvullende rechtshulpverzoek genoemde onderzoeken in de Verenigde Staten te (laten) verrichten. De officier van justitie heeft tijdens behandeling van het bezwaarschrift het volgende standpunt ingenomen: ‘Het besluit om af te zien van actieve navraag over de voortgang van de overige uitvoering van voornoemde rechtshulpverzoeken is ingegeven door de resultaten van het opsporingsonderzoek. Uit de reeds verzamelde bewijsmiddelen was voor het Openbaar Ministerie immers duidelijk geworden dat uit de Verenigde Staten belastend noch ontlastend bewijs voor de ten laste gelegde feiten zou worden verkregen.’ Dat is natuurlijk een onbegrijpelijk standpunt omdat een dergelijke conclusie niet getrokken kan worden als je geen kennis hebt over de (inhoud van de) zich in de Verenigde Staten bevindende (potentiële) bewijsmiddelen, aldus de verdediging.

4.2. 5 .2. De officier van justitie heeft gerepliceerd dat is afgezien van nadere rechtshulp omdat gezien hetgeen het onderzoek naar verwachting zou opleveren en de tijdsinvestering die ermee gemoeid zou zijn, niet te verwachten was dat er enig doorslaggevend belastend dan wel ontlastend materiaal naar boven zou komen, naast hetgeen het onderzoek in Nederland reeds had opgeleverd. De verdediging klaagt hier nu over, maar heeft in de loop van het onderzoek niet te kennen gegeven dat het onderzoek in de Verenigde Staten alsnog zou moeten worden verricht en ook nu niet aangegeven welke informatie dan zou zijn misgelopen.

4.2. 5 .3. De rechtbank heeft in haar beslissing op het bezwaarschrift tegen de dagvaarding van 7 juni 2016 (ECLI:NL:RBAMS:2016:3550) het volgende overwogen: “Op 16 augustus en 5 oktober 2006 zijn bij de justitiële autoriteiten van de staat Californië in de Verenigde Staten rechtshulpverzoeken ingediend, waarin onder meer is verzocht om doorzoekingen ter inbeslagneming van gegevens te verrichten op (bedrijfs)adressen, uitlevering en inbeslagname van (bedrijfs)gegevens en het horen van getuigen. Een deel van het rechtshulpverzoek is op 22 augustus 2007 uitgevoerd en heeft geen bewijs voor de ten laste gelegde oplichting en belastingfraude opgeleverd.
Het besluit om af te zien van actieve navraag over de voortgang van de overige uitvoering van voornoemde rechtshulpverzoeken is ingegeven door de resultaten van het opsporingsonderzoek, aldus de officier van justitie. Uit de reeds verzamelde bewijsmiddelen was voor het Openbaar Ministerie immers duidelijk geworden dat uit de Verenigde Staten belastend noch ontlastend bewijs voor de ten laste gelegde feiten zou worden verkregen.

De rechtbank is van oordeel dat voornoemde beslissing van de officier van justitie, om af te zien van verdere uitvoering van de rechtshulpverzoeken, niet onbegrijpelijk is. Thans kan bovendien niet worden geconcludeerd dat het niet uitgevoerde onderzoek in de Verenigde Staten, in het bijzonder het eventueel horen van de zich daar bevindende personen als getuige, niet alsnog kan worden uitgevoerd. Het staat de verdediging immers vrij om in het kader van waarheidsvinding – alsnog – onderzoekswensen in te dienen, dan wel te verzoeken om bepaalde personen als getuige te doen horen.”

De rechtbank is ook nu van oordeel dat de beslissing van de officier van justitie van 21 augustus 2007 om af te zien van verdere uitvoering van de rechtshulpverzoeken niet onbegrijpelijk is. De officier van justitie dient immers ook de voortgang van een onderzoek te bewaken. De verdediging heeft na de beslissing van de officier van justitie onderzoekswensen kunnen indienen en er zijn op haar verzoek getuigen (onder meer in de Verenigde Staten) gehoord. Niet is gevraagd om alsnog de overige in de rechtshulpverzoeken genoemde onderzoeken te verrichten. Dat de officier van justitie heeft afgezien van verder onderzoek kan onder de gegeven omstandigheden niet leiden tot de conclusie dat de officier van justitie daarom niet langer in de vervolging van verdachte kan worden ontvangen. Het verweer wordt dan ook verworpen.

4.2.6.
De inbeslagname van geheimhouderstukken en in strijd met het verschoningsrecht en daarvoor geldende regelgeving kennisnemen en gebruik maken van de inhoud daarvan door het Openbaar Ministerie (en de FIOD/ECD).
4.2. 6 .1. De verdediging heeft aangevoerd dat de rechtbank in de klaagschriftprocedure ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (RK 07/7118) met betrekking tot in beslag genomen geheimhouderstukken heeft vastgesteld dat deze stukken in strijd met de daarvoor geldende regelgeving zijn bestudeerd, niet alleen door de officier van justitie maar ook door de FIOD/ECD, en de inhoud daarvan is verwerkt in een proces-verbaal. Hoewel de rechtbank in die klaagschriftprocedure de officier van justitie opdroeg “alle afschriften van de stukken, daarop gebaseerde processen-verbaal en correspondentie te vernietigen” is daarmee de schending van artikel 98 van het Wetboek van Strafvordering en de daaraan ten grondslag liggende geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht niet hersteld. Deze schending is immers onherstelbaar nu zowel de officier van justitie als de FIOD/ECD niet alleen onrechtmatig heeft kennisgenomen van die stukken maar de inhoud daarvan ook heeft verwerkt in processen-verbaal en correspondentie. De uit deze stukken afkomstige informatie is derhalve verworden tot actieve kennis die (mede) richtinggevend is geweest voor de opsporing en de bewijsvoering. Voorts is in het aanvullende dossier opgenomen A-62 (pagina 203) een proces-verbaal van vernietiging van stukken van de officier van justitie waarin staat vermeld: “Op 22 april 2008 heb ik, mr. E.C. Visser, officier van Justitie bij het Functioneel Parket te Amsterdam, in het strafrechtelijk onderzoek tegen [verdachte] , geboren [geboortedatum] , en [naam 1] , geboren [geboortedatum] , alle in mijn bezit zijnde stukken of afschriften van stukken doorgenomen en vervolgens alle correspondentie vernietigd tussen voornoemde verdachten en de Amerikaanse advocaten [getuige 1] en [getuige 2] , of waarin een verwijzing naar dergelijke correspondentie staat.” Dit is onjuist nu zich in het dossier nog immer correspondentie bevindt met [getuige 1] in de cc, zoals D/069 en D/069 A.

4.2. 6 .2. De officier van justitie heeft samengevat het volgende naar voren gebracht. Het Openbaar Ministerie heeft direct na de uitspraak van de rechtbank zo goed als mogelijk alle gevolgen van dit vormverzuim hersteld. Het eventuele nadeel dat door het verzuim had kunnen ontstaan, is weggenomen en de verdediging is niet in haar belangen geschaad. Van een niet-ontvankelijkheid kan dan ook geen sprake zijn. Ook bewijsuitsluiting is niet aan de orde omdat van de gewraakte stukken direct noch indirect gebruik voor het bewijs van de ten laste gelegde feiten is gemaakt. Dan blijft over strafvermindering of de enkele constatering van het verzuim. In dit geval kan met dat laatste worden volstaan. Zeker nu de verdediging zich op het standpunt stelde dat de Amerikaanse advocaten zich bij hun getuigenverhoor in 2018 niet op hun verschoningsrecht hoefden te beroepen.

4.2. 6 .3. De rechtbank heeft in haar beslissing op het bezwaarschrift tegen de dagvaarding het volgende overwogen: “Op 17 oktober 2006 zijn geheimhouderstukken in beslag genomen. Ten aanzien van de inbeslagneming van deze geheimhouderstukken heeft het Openbaar Ministerie niet de juiste procedure gevolgd, hetgeen na vaststelling daarvan door de rechtbank is rechtgezet. De originele stukken zijn vervolgens in handen gesteld van de rechter-commissaris en alle afschriften en processen-verbaal omtrent de geheimhouderstukken zijn vernietigd. Het dossier bevat geen enkel geheimhouderstuk of een (feiten)vaststelling die direct of indirect op de onrechtmatige aanvankelijke kennisneming van de geheimhouderstukken is gebaseerd, aldus de officier van justitie. De rechtbank is van oordeel dat, nu de verdediging geen specifieke informatie in het dossier heeft kunnen aanwijzen, waaruit blijkt dat het niet anders kan zijn dan dat deze informatie direct of indirect afkomstig moet zijn uit geheimhouderstukken, en de rechtbank hiervan thans niet is gebleken, op dit moment niet kan worden geconcludeerd dat sprake is van een schending van het recht op een eerlijk proces en de beginselen van een behoorlijke procesorde. De enkele omstandigheid dat de officier van justitie en het opsporingsteam hebben kennisgenomen van geheimhouderstukken, is bovendien onvoldoende om aan te nemen dat deze kennis op enigerlei wijze richtinggevend is geweest voor de opsporing en de bewijsvoering.”

De rechtbank stelt vast dat de verdenking jegens verdachte voornamelijk is gebaseerd op de administratie die bij het bedrijf van verdachte (Dutch Film Finance, hierna: DFF) is aangetroffen. Gesteld noch gebleken is dat de FIOD en het Openbaar Ministerie door kennisneming van de geheimhoudersstukken een bepaalde richting zijn ingeslagen die zij zonder kennisneming niet zouden zijn ingeslagen.

Het dossier is naar aanleiding van de beschikking van 7 april 2008 (RK 07/7118) ontdaan van geheimhoudersstukken. De rechtbank is van oordeel dat het door de verdediging genoemde stuk D/069 en de vertaling daarvan in D/069 A (het betreft een fax van verdachte aan [naam 2] van 15 december 2000), gezien de inhoud daarvan, geen stuk is dat door iemand aan zijn geheimhouder is toevertrouwd. De enkele omstandigheid dat het stuk is ge-cc’d aan een advocaat ( [getuige 1] ), maakt niet dat sprake is van een geschrift als bedoeld in artikel 98, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering. Correspondentie tussen anderen dan de verschoningsgerechtigde en degene die zich tot hem heeft gewend, is niet een brief of een geschrift als bedoeld in artikel 98, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Indien van die correspondentie een afschrift wordt toegezonden aan een verschoningsgerechtigde kan niet gezegd worden dat reeds daarom de inhoud daarvan kan worden aangemerkt als wetenschap die aan de verschoningsgerechtigde in het kader van zijn juridische dienstverlening is toevertrouwd (Hoge Raad 26 januari 2016 ECLI:NL:HR:2016:110 – NJ 2016/163 m.nt. [naam arrest] ).

Het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid wordt verworpen.

4.2.7.
Conclusie
De rechtbank komt tot de conclusie dat het verweer van de verdediging dat de officier van justitie zich door de vervolging van verdachte in een positie heeft gemanoeuvreerd waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte tekort is gedaan aan zijn recht op een behoorlijke behandeling van zijn zaak en dat sprake is van ernstige schending van beginselen van een goede procesorde waarbij het wettelijk systeem en de eerlijkheid van het proces in de kern zijn geraakt, moet worden verworpen. De hiervoor genoemde argumenten van de verdediging leiden afzonderlijk noch in onderlinge samenhang bezien tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. De officier van justitie is dus ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

4.3.
Verjaring?
4.3.1.
De rechtbank stelt ambtshalve vast dat de strafbare feiten die aan verdachte zijn ten laste gelegd niet zijn verjaard.
4.3.2.
Aan verdachte is onder 1 en 2 ten laste gelegd dat hij zich in de periode van de 16 mei 2000 tot en met 1 januari 2001 en van 10 september 2001 tot en met 1 januari 2002 heeft schuldig gemaakt aan oplichting (artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht). Onder 3 is ten laste gelegd dat verdachte zich in de periode van 6 april 2001 tot en met 7 april 2003 heeft schuldig gemaakt aan belastingfraude (artikel 69 Algemene wet inzake de rijksbelastingen).
4.3.3.
Op grond van artikel 71 van het Wetboek van Strafrecht verjaarde oplichting tot 1 februari 2006 na 6 jaar, omdat daarop een strafbedreiging stond van 3 jaar gevangenisstraf. Met ingang van 1 februari 2006 is de strafbedreiging van oplichting gewijzigd in een gevangenisstraf van 4 jaar en vindt verjaring na 12 jaar plaats. Op de ten laste gelegde vorm van belastingfraude staat een strafbedreiging van 6 jaar gevangenisstraf en vindt verjaring na 12 jaar plaats. De termijn van verjaring vangt aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd (artikel 71 van het Wetboek van Strafrecht).
4.3.4.
In geval van verandering van wetgeving met betrekking tot de verjaring geldt dat deze verandering direct van toepassing is, met dien verstande dat een reeds voltooide verjaring wordt geëerbiedigd (Hoge Raad 29 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK1998, NJ 2010/231 m.nt. [naam arrest] ). Aangezien de ten laste gelegde oplichting op 1 februari 2006 nog niet was verjaard, vindt de verjaring na 12 jaar plaats.
4.3.5.
De verjaring is op grond van artikel 72 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht gestuit na de opening van het gerechtelijk vooronderzoek (GVO) op 25 september 2006. Op grond van artikel 72 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht is op die datum een nieuwe verjaringstermijn aangevangen. Met het uitbrengen van de huidige dagvaarding is de verjaring wederom gestuit. Op grond van artikel 72 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht eindigt de verjaringstermijn op het moment dat 24 jaar verstreken is na het moment dat de oorspronkelijke verjaringstermijn is ingegaan.
4.3.6.
Dit betekent dat voor feit 1 (oplichting) de verjaringstermijn (vanwege de tweede stuiting) eindigt op 16 mei 2024 dan wel 1 januari 2025 en op 10 september 2025 dan wel 1 januari 2026. Voor feit 2 eindigt de verjaringstermijn (na de tweede stuiting) op 6 april 2024 dan wel 7 april 2027. Het recht tot vervolging is derhalve niet vervallen door verjaring.
5

5.1.
Feiten en omstandigheden
5.1.1
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Op 16 mei 2000 brengt Hungry Eye Lowlands B.V. Pictures (HELP B.V.) de prospectus “Hungry Eye Film Fonds Prospectus” uit. In deze prospectus staat in het hoofdstuk genaamd “De fiscale aspecten” onder meer het volgende:

“Winstvaststellingsovereenkomst

Met de Belastingdienst zullen door de Beherend Vennoot ten behoeve van de Participanten afspraken worden gemaakt met betrekking tot de fiscale behandeling van de investering in de CV , uitgaande van de huidige stand van wetgeving en jurisprudentie. Deze afspraken worden vastgelegd in een winstvaststellings-overeenkomst. De in de winstvaststellingsovereenkomst opgenomen afspraken zullen gelden voor alle Participanten.

(....)

Op basis van de winstvaststellingsovereenkomst wordt de fiscale informatie welke de CV elk jaar aan de Participanten zal verstrekken ten behoeve van het invullen van de aangifte inkomsten- en vermogensbelasting, vooraf door de Belastingdienst gecontroleerd.

(…)

De Participanten worden als ondernemers aangemerkt voor de toepassing van de Nederlandse Wet op de inkomstenbelasting 1964 (‘de Wet IB’). De Participanten kunnen daarom gebruik maken van een aantal belastingfaciliteiten in de Wet IB die alleen voor ondernemers gelden, zoals de Investeringsaftrek, de (willekeurige) afschrijving en de Stakingsvrijstelling.”

In het hoofdstuk genaamd “Uitgangspunten voor de rendementsberekening” staat onder andere:

“Door de investering in de Speelfilm bij financieringsmodel B in het eerste jaar af te schrijven tot het bedrag van het Commanditair Kapitaal minus de Emissiekosten, de Emissiekosten, de kosten van directie, beheer en rente, en door de additionele Investeringsaftrek krijgt de Participant per Participatie een aftrekpost voor de inkomstenbelasting groot naar verwachting NLG 16.748,- (zijnde de totale investering per Participatie ad NLG 8.000,- plus 27% Investeringsaftrek over de Voortbrengingskosten ad NLG 32.400,-). Bij een 60% tarief betekent dit een belastingbesparing van NLG 10.049,-.

(…)

Door de gerealiseerde belastingbesparing en de minimum opbrengst heeft de Participant zijn/haar investering terugverdiend en een winst geboekt van NLG 2.049,- per Participatie.

De overeenkomst tussen Hungry Eye Lowland Pictures B.V. en DFF heeft voor de Participanten het gunstige gevolg dat het te verwachten rendement van NLG 2.049,- in ieder geval behaald zal worden zelfs als de Speelfilm minder dan 100% van zijn Voortbrengingskosten oplevert.”

In de Hungry Eye Film Fonds Prospectus 2001 staat in het hoofdstuk genaamd “Fiscale aspecten” het volgende:

“Winstvaststellingsovereenkomst

Met de Belastingdienst zullen door de Beherend Vennoot ten behoeve van de Participanten afspraken worden gemaakt met betrekking tot de fiscale behandeling van de investering in de CV , uitgaande van de huidige stand van wetgeving en jurisprudentie. Deze afspraken worden vastgelegd in een winstvaststellingsovereen-komst. De in de winstvaststellingsovereenkomst opgenomen afspraken zullen gelden voor alle Participanten.

(…)

Op basis van de winstvaststellingsovereenkomst wordt de fiscale informatie welke de CV elk jaar aan de Participanten zal verstrekken ten behoeve van het invullen van de aangifte inkomsten en vermogensbelasting, door de Belastingdienst gecontroleerd.

(…)

De Participanten worden als medegerechtigden aangemerkt voor de toepassing van

de Nederlandse Wet op de inkomstenbelasting 2001 (‘de Wet IB 2001’). De Participanten kunnen daarom gebruik maken van een aantal belastingfaciliteiten

in de Wet IB 2001 die alleen voor medegerechtigden in film CV ’s gelden, zoals de

investeringsaftrek en de (willekeurige) afschrijving.

In het hoofdstuk genaamd “Uitgangspunten voor de rendementsberekeningen” staat vermeld:

Voorts is van belang de gegarandeerde minimum opbrengst. Deze bedraagt NLG 9.250.- per Participatie en is belastingvrij. Door de gerealiseerde belastingbesparing en de minimum verkoopprijs heeft de Participant zijn/haar investering terugverdiend en een winst geboekt van NLG 1.210,- per Participatie. Doordat het vermogen dat de Participant van de CV investeert niet meetelt voor berekening van de vermogensrendementsheffing in Box 3 verkrijgt de Participant daarenboven nog een belastingvoordeel ad NLG 295,- per Participatie. Dit belastingvoordeel wordt deels (NLG 100,-) behaald via de aangifte Inkomstbelasting 2001, deels (NLG 147,-) via de aangifte Inkomstenbelasting 2002 en deels (NLG 48,-) via de aangifte Inkomstenbelasting 2003. In de berekening van het minimum netto rendement ad 10,4% op jaarbasis is rekening gehouden met het feit dat het voordeel van de besparing op de vermogensrendementsheffing in de tijd zal plaatsvinden.

Op basis van de prospectus Hungry Eye Film Fonds 2000 hebben zich enkele honderden participanten ingeschreven voor totaal 758 participaties van 8.000 gulden per stuk.

Op basis van het prospectus Hungry Eye Film Fonds 2001 hebben zich 228 participanten ingeschreven voor totaal 318 participaties van 16.750 gulden per stuk. In totaal hebben de participanten hiermee 5 .326.500 gulden bijeengebracht.

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij geen vragen had naar aanleiding van de prospectus en dat het voor hem erg vertrouwd overkwam. De reden voor hem om in het filmfonds te investeren was dat hij wat spaargeld overhad en het product bij hem vertrouwd overkwam. Hij hoopte door deze investering meer rendement te krijgen dan wat hij eventueel zou krijgen als hij zijn spaargeld op een spaarrekening zou laten staan. Hij heeft benoemd dat hij het fiscale voordeel al direct als voordeel zou hebben via zijn belastingaangifte en hij hoopte een eventuele winstopbrengst in een later stadium als voordeel te kunnen hebben. Doordat de prospectus diverse voordelen voorspiegelde, heeft hij geïnvesteerd. Die voordelen waren voor hem de reden te investeren. Naar zijn zeggen heeft hij 40.000 gulden in het filmfonds geïnvesteerd en dat bedrag op 21 november 2000 aan HEFF voldaan. Hij heeft het geld gestort op bankrekening [rekeningnummer] t.n.v. stichting beheer derdengelden Hungry Eye Filmfonds Utrecht. Hij werd vennoot in CV4met 2 participaties , in CV52 participaties en in CV6 met 1 participatie.

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat de prospectus er goed uitzag. Hij heeft zich op 7 oktober 2000 ingeschreven in het filmfonds 2000 en op 10 december 2001 in het Hungry Eye Filmfonds 2001. In beide gevallen heeft hij daarvoor gebruik gemaakt van het inschrijfformulier uit de prospectus. Op 20 respectievelijk 21 december 2000 werd hij geïnformeerd dat hij deelnam in CV4 en CV9 . De doorslaggevende reden om deel te nemen aan het fonds 2000 was het direct haalbare rendement via de fiscale aftrek. Voor het fonds 2001 was dit hetzelfde, alleen was daar het risico iets groter. Door de minimumopbrengstgarantie werd het uiteindelijke risico daar echter beperkt. Zijn investering bedroeg 1 participatie voor 16.750 gulden in 2001 en in 2000 waren het 2 participaties van elk 8.000 gulden ofwel in totaal 16.000 gulden. Hij heeft zijn inleg aan HEFF in het laatste kwartaal voldaan.

[slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij de prospectus heeft aangevraagd en ontvangen. Hij vond het een goede prospectus, systematisch opgezet met daarbij een goede onderbouwing van de te verwachten rendementen en fiscale gevolgen. Het bood hem kansen maar de doorslaggevende reden om te investeren was voor hem het fiscale aspect. Hij heeft een inschrijfformulier dat achter in de prospectus aanwezig was, ingevuld en op 12 december 2000 per fax verstuurd naar Hungry Eye Lowland. Het geld van de participatie heeft hij daarna overgemaakt naar de rekening van het fonds. Hij heeft 16.000 gulden geïnvesteerd in het filmfonds en heeft zijn inleg aan HEFF eind december 2000 gedaan. Hij heeft geparticipeerd in CV4 .

[slachtoffer 4] heeft verklaard dat hij op 15 augustus 2000 de prospectus heeft opgevraagd, deze op 16 augustus 2000 heeft ontvangen en dat hij het een compleet verhaal vond. Bij de fiscale aspecten beoordeelde hij het verhaal over de winstvaststellingsovereenkomst als een positief punt. Hij wist dat deze van groot belang was in verband met de te claimen aftrekpost. Hij vond daarnaast de administratieovereenkomst en het beheer van de gelden een duidelijk verhaal. Het geld ging naar een gerenommeerd notariskantoor en dat zou het geld niet zou doorstorten alvorens aan bepaalde voorwaarden was voldaan. De reden om in te stappen was het maken van rendement door de fiscale mogelijkheden zoals die in de prospectus werden beschreven en daarnaast was er dan nog de kans op een extra uitkering van de exploitatie. Hij heeft 8.000 gulden geïnvesteerd in het filmfonds en op 6 september 2000 zijn inleg aan HEFF voldaan. Hij heeft geparticipeerd in CV4.

[slachtoffer 5] heeft verklaard dat hij op 11 december 2000 een inschrijfformulier heeft ingevuld omdat hij in de flyer had gelezen dat door deelname aan het filmfonds een fiscaal rendement behaald zou kunnen worden. In de prospectus 2001 zag hij dat er een rendement werd gegarandeerd. Hij kon op een fiscaal vriendelijke manier geld verdienen aan een belegging. Hij heeft zich op 11 december 2000 schriftelijk ingeschreven via een inschrijfformulier voor CV 4 voor 2 participaties en voor CV 9 op 13 december 2001 voor een bedrag van 16.750 gulden. Hij heeft Hungry Eye een volmacht gegeven om het geld automatisch van zijn bankrekening af te schrijven.

[slachtoffer 6] heeft verklaard dat het initiatief om de Nederlandse speelfilm te steunen en het fiscale voordeel voor hem de redenen waren om deel te nemen in het filmfonds Hungry Eye. Zijn indruk van de prospectus was dat het een gedegen verhaal was, met name doordat de namen van voor hem betrouwbare partijen als de Rabobank en Allen&Overy erin vermeld stonden. Hij heeft twee participaties gekocht van elk 8.000 gulden. Hij heeft zich op 8 augustus 2000 ingeschreven via het inschrijfformulier dat in de prospectus was opgenomen. Het geld voor de eerste participatie heeft hij op 4 september 2000 overgemaakt op de bankrekening van het Hungry Eye Filmfonds bij de Rabobank en de tweede participatie heeft hij kort daarna ook betaald. Hij heeft geparticipeerd in CV4 .

[slachtoffer 7] heeft verklaard dat hij de prospectus kreeg toegestuurd en dat hij heeft geïnvesteerd omdat het financieel gezien voor hem op het goede moment kwam en het er betrouwbaar uit zag. De stakingsvrijstelling was voor hem vooral van belang. Heeft hij meegedaan om te genieten van de fiscale voordelen. Hij heeft geparticipeerd in CV9 .

De volgende participanten in CV4 , VC5, CV6 en/of CV9 hebben een op hun naam gestelde aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting (IB) over het jaar 2000: [slachtoffer 6] op 11 juli 2001, [slachtoffer 4] op 3 oktober 2001, [slachtoffer 5] op 7 mei 2002, [slachtoffer 1] op 19 juli 2001 en [slachtoffer 2] op 6 april 2001 [slachtoffer 3] , 17 oktober 2001.

De volgende participanten hebben een op hun naam gestelde aangifte voor de inkomstenbelasting (IB) over het jaar 2001 gedaan: [slachtoffer 5] op 7 april 2003, [slachtoffer 7] op 2 april 2002 en [slachtoffer 2] op 16 april 2002.

[naam medewerker] , medewerker bij de Belastingdienst, heeft verklaard dat de commandieten in de Hungry Eye Lowland Pictures commanditaire vennootschappen 4, 5 , 6 en 9 (hierna: HELP CV4 , 5 , 6 en 9) een onjuiste aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2000 (voor de nummers 4, 5 en 6 ) en/of 2001 (voor nummer 9) hebben gedaan en dat als volgt toegelicht. Er is ten onrechte vanuit gegaan dat de commanditaire vennootschappen een onderneming dreven bestaande uit de productie van een film. Daarom hebben zij een aftrekpost opgevoerd als verlies uit onderneming, bestaande uit investeringsaftrek en willekeurige afschrijving. Dit verlies uit onderneming bedroeg circa € 7.600 per participatie. In werkelijkheid werd er geen film geproduceerd, maar een bestaande film aangekocht (in het geval van HELP 4, 5 en 6 ) of een kasrondje gemaakt (in het geval van HELP 9). Tot in hoogste fiscaal gerechtelijke instantie is beslist dat in deze omstandigheden de HELP CV ’s 4, 5 , 6 en 9 geen onderneming in materiële zin dreven, zodat er geen recht bestond op het als aftrekpost opgevoerde verlies uit onderneming.

5.2
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft overeenkomstig het schriftelijk requisitoir en de schriftelijke repliek en onder verwijzing naar een bewijsmiddelenoverzicht gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde.

5.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft overeenkomstig haar pleitnotities vrijspraak bepleit.

5.4.
Het oordeel van de rechtbank
5.4.1.
Oplichting​De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van oplichting is vereist dat de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling in het leven heeft willen roepen teneinde daarvan misbruik te maken. Daartoe moet de verdachte een of meer van de in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt, door welk gebruik die ander is bewogen tot de afgifte van een goed, het verlenen van een dienst, het beschikbaar stellen van gegevens, het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld.
Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebruikt, is bewogen tot een van voornoemde handelingen (in dit geval: is bewogen tot afgifte van een geldbedrag), is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen. Bij een samenweefsel van verdichtsels behoren tot die omstandigheden onder meer de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) leugenachtige mededelingen in hun onderlinge samenhang.

De rechtbank stelt aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

Het idee van het oprichten van een veertigtal film- cv ’s komt van verdachte. Hij was de geestelijk vader. Verdachte is directeur en door middel van persoonlijke vennootschappen middellijk aandeelhouder van DFF.

Bij DFF is een document aangetroffen, gedateerd 8 mei 2000 en getiteld: “Warning”. In de eerste alinea van dit document staat: Ook staat vermeld: Vervolgens wordt een beschrijving gegeven van de HEFF-constructie. Kort samengevat staat beschreven dat HEFF geld bijdraagt dat afkomstig is van private partners, en dat DFF zorgdraagt voor een lening. Ter zekerheidsstelling van die lening, verkrijgt DFF (naast een vergoeding voor werkzaamheden en genomen risico) Ook is hier te lezen dat DFF de rechten direct zal terug verkopen, en dat HEFF of de participanten niet op de hoogte zijn van deze ‘pre-sale’.

Bij DFF is verder een brief van 18 mei 2000 van verdachte aan [naam 2] aangetroffen. In deze brief staat het volgende:

“Beste [naam 2] ,

Bij deze doe ik je mijn voorstel betreffende onze voorgenomen samenwerking. Jij zal optreden namens Dutch Film Finance BV (DFF). DFF zal vervolgens de projecten die jij hebt aangebracht en die aan de normen van DFF voldoen voorleggen aan het Hungry Eye Film Fonds (HEFF). Er bestaat aldus geen relatie tussen jou en Hungry Eye. [getuige 1] zie ik vooralsnog als jouw 'verlengstuk’. Als fee voor jouw werkzaamheden (en die van [getuige 1] ) zal DFF 1 % van het budget exclusief rente en exclusief de fee van Hungry Eye van de door jouw aangebrachte films aan jou vergoeden. Deze fee wordt uiteraard alleen berekend over die films die uiteindelijk afgeleverd en betaald worden en zal betaalbaar zijn 'on delivery' op een door jou aan te geven wijze en plaats. Dit geldt voor alle producties volgens financieringsmodel B (zie de HEFF prospectus). Dat is het ‘leveraged’ model. Financieringsmodel A, waarbij de productiekosten 100% gecash flowed worden door HEFF zal vermoedelijk slechts gebruikt worden voor kleine films (US$ 5 tot 15 M). Voor deze films zal ik je 2% van het budget vergoeden. Gezien de aantrekkelijkheid van ons financieringsmodel B verwacht ik niet dat het totale volume van financieringsmodel A de US$ 50 M-grens zal overschrijden. Voor model B verwacht ik, mede door de leverage, een totaal aan filmproductie- budgetten te kunnen financieren van US$ 200 tot 400 M tot het eind van dit jaar. Zoals ik je heb toegezegd doe ik mijn uiterste best om aan het einde van de volgende week concept contracten te hebben, welke van onze kant, dat wil zeggen DFF en HEFF, de basis vormen voor de deals met de producenten en afnemers. Deze contracten zullen zijn opgesteld door het advocatenkantoor [naam kantoor] . Voorts zal ik een consistent document produceren, een stappenplan en tijdsschema behelzend, ten behoeve van de geïnteresseerde producent. Ik heb deze concept contracten en het stappenplan rond 1 juni toegezegd aan [naam 3] en [naam 4] . Uiteraard streef ik ernaar om [getuige 1] en jou reeds op 26 mei deze documenten toe te zenden, zodat wij nog een paar dagen hebben om ze eventueel aan te passen en in een voor [getuige 1] en jou werkbare vorm te gieten. [naam 1] en ikzelf zullen op 17 juni voor de duur van ca. 1 week naar Los Angeles komen om met kandidaten besprekingen te voeren. Wij zullen deze besprekingen uiteraard alleen voeren met kandidaten die zich in principe akkoord hebben verklaard met de concept contracten en het stappenplan. Vanaf dat moment tot storting van de benodigde gelden in een CV reken ik bij tijdige en volledige medewerking van de producenten op een periode van 5 weken minimaal. Het maken van de uiteindelijke volledige, vuistdikke contracten zal mij voorts 'worst' zijn, omdat ik in de korte contracten alle belangrijke zaken reeds afgedekt meen te hebben en bovendien het geld door HEFF; zal zijn geleverd aan de desbetreffende CV 's.

Uiteraard zal ik in de week van 19 juni nog slechts een indicatie hebben betreffende de hoeveelheid geld welke in de periode vanaf 1 juni (de startdatum van de campagne) t/m begin september (de voorlopige einddatum van het eerste deel van de campagne)

opgehaald zal worden.

Vooralsnog hebben we een technisch probleem in verband met het meezenden van de def