Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2019:1765

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-03-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 12-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2019:1765, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 13/115811-18


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/115811-18 (Promis)

Datum uitspraak: 12 maart 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] .

ECLI:NL:RBAMS:2019:1765:DOC
nl

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/115811-18 (Promis)

Datum uitspraak: 12 maart 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] .
1

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 7 december 2018 en 26 februari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.H. Boersma en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. F.T.C. Dölle naar voren hebben gebracht.

2

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 27 januari 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft/hebben mishandeld door voornoemde [slachtoffer] eenmaal of meermalen te duwen en/of te schoppen en/of te trappen en/of (in/tegen de buik, in elk geval het lichaam) te slaan en/of te stompen en/of een vuistslag in/op/tegen het gezicht/hoofd te geven, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] op de grond is gevallen en/of (toen voornoemde [slachtoffer] op de grond lag/zat) die [slachtoffer] eenmaal of meermalen op/tegen het hoofd en/of de buik, in elk geval het lichaam, te schoppen en/of te trappen en/of te slaan en/of te stompen en/of (daarbij) te roepen: "We gaan je vermoorden" en/of "Slaan, sla hem" terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een botbreuk middenhandsbot (rechter)hand en/of schaafletsel ten gevolge heeft gehad.

3

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4

4.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ). Hij heeft daartoe de relevante bewijsmiddelen opgesomd. Volgens de officier van justitie kan het letsel dat [slachtoffer] heeft opgelopen niet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel en kan niet worden bewezen dat de in de tenlastelegging opgenomen bewoordingen zijn geuit.

4.2.
Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat enkel bewezen kan worden verklaard dat verdachte [slachtoffer] heeft geslagen en geschopt. Niet kan worden bewezen dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen en dat verdachte de mishandeling in vereniging heeft gepleegd.

4.3.
Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.
Inleiding

Begin 2018 kondigde de Turkse president Erdogan aan dat er een militair offensief was begonnen tegen Syrisch-Koerdische milities in de streek Afrin in Syrië. Op 27 januari 2018 vroeg een kleine duizend Nederlandse Koerdische demonstranten, waaronder verdachte, in Amsterdam aandacht voor de Turkse aanval op de Syrische regio Afrin. De deelnemers aan de betoging trokken van het Amsterdamse stadhuis naar het Museumplein en riepen mensen op druk uit te oefenen op hun politieke leiders om de Turkse president Erdogan te stoppen. Tijdens de demonstratie was het af en toe zeer onrustig, mede doordat vooraf vanuit de Turkse gemeenschap was gevraagd om de demonstratie te verbieden. Ook liepen de gemoederen hoog op nadat een man met een Turkse vlag op de Koerdische demonstranten af was gelopen.

4.3.2.
Betrouwbaarheid proces-verbaal van bevindingen

De verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] hebben in hun proces-verbaal van bevindingen beschreven dat zij zagen dat een groep van tientallen Koerdische demonstranten zich afsplitste van de demonstratie en de Prinsengracht oprende. Op de Prinsengracht stond een deel van deze groep Koerdische demonstranten tegenover drie Turkse mannen. Twee van de Turkse mannen renden weg, terwijl er ééntje, [slachtoffer] , achterbleef en min of meer afwerend van de groep afliep. Zes Koerdische demonstranten stonden dicht bij elkaar tegenover [slachtoffer] en liepen op hem af. Verbalisant [verbalisant 2] heeft zijn aandacht vervolgens voornamelijk op de medeverdachte [medeverdachte] gericht en gezien dat hij [slachtoffer] een vuistslag tegen zijn hoofd gaf, waardoor [slachtoffer] op de grond viel. De groep van zes personen stond daarna dicht op en over [slachtoffer] heen gebogen en meerdere personen pasten geweld op [slachtoffer] toe. [verbalisant 2] heeft gezien dat er meerdere keren in de richting van het hoofd [slachtoffer] werd geschopt, maar niet wie dit deed. De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3] zagen dat het verdachte was die richting het hoofd van [slachtoffer] schopte, en dat één van de schoppen daadwerkelijk tegen het hoofd van [slachtoffer] kwam.

De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het proces-verbaal van bevindingen dat door voornoemde verbalisanten op ambtseed is opgesteld, nu dit door meerdere stukken uit het dossier wordt ondersteund.

Het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten past op de verklaringen van [slachtoffer] en getuige [getuige] . Beiden hebben verklaard dat een groepje Koerdische demonstranten op [slachtoffer] af kwam rennen, en dat [slachtoffer] daarna op enig moment ten val is gekomen. Op het moment dat [slachtoffer] op de grond lag, is hij door meerdere personen geschopt en geslagen.

Het proces-verbaal van bevindingen sluit ook aan op de verklaringen van verdachte en de medeverdachte. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij onderdeel uitmaakte van het groepje dat om [slachtoffer] heen stond en dat hij [slachtoffer] heeft geslagen en geschopt. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij [slachtoffer] mogelijk twee keer heeft gestompt, waarvan één keer mogelijk op zijn hoofd. Ook heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij [slachtoffer] heeft geschopt toen hij al op de grond lag. Bij de politie heeft de medeverdachte verklaard dat hij onderdeel uitmaakte van het groepje dat om [slachtoffer] heen stond, en dat hij daarbij [slachtoffer] heeft geduwd.

Ook het bij [slachtoffer] waargenomen letsel sluit aan op het verhaal van de verbalisanten. Een aantal dagen na het incident is door de GGD een letselbeschrijving opgesteld, waarbij is geconstateerd dat [slachtoffer] een botbreuk aan zijn middenhandsbeentje en schaafwonden op onder andere zijn armen, rug en hoofd had opgelopen. Volgens de arts was de vermelde toedracht, te weten schoppen en slaan en vallen op straat, een plausibele verklaring voor de gevonden letsels.

De rechtbank acht het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] dus betrouwbaar, en zal bij de verdere beoordeling van de inhoud van dit proces-verbaal uitgaan.

4.3.3.
Letsel

Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat het door [slachtoffer] opgelopen letsel niet kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Van dit onderdeel zal verdachte dan ook partieel worden vrijgesproken.

4.3.4.
Medeplegen

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden gekwalificeerd indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Er kan rekening gehouden worden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. De Hoge Raad heeft daarbij benadrukt dat een bewezenverklaring van medeplegen slechts dan is gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van verdachte van voldoende gewicht is geweest. Voor medeplegen is niet vereist dat iedere medepleger bij alle uitvoeringshandelingen betrokken is.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] maakt de rechtbank op dat verdachte en de medeverdachte onderdeel uitmaakten van de groep Koerdische demonstranten die zich afsplitste van de demonstratie. Een aantal personen van deze groep, waaronder verdachte, stonden vervolgens vlak bij elkaar dicht om [slachtoffer] heen en hebben hem gestompt en geschopt. Door de verbalisanten is gezien dat verdachte [slachtoffer] heeft gestompt en daarna, toen hij op de grond lag, tegen zijn hoofd heeft getrapt. Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] tegen zijn hoofd heeft gestompt en dat hij hem heeft getrapt toen hij op de grond lag. Door de verbalisanten is gezien dat de medeverdachte [slachtoffer] één keer heeft gestompt, waardoor [slachtoffer] op de grond viel. Door de verbalisanten is niets verklaard over personen in de groep die mensen uit elkaar probeerden te halen. Hieruit leidt de rechtbank af dat de gehele groep betrokken was bij de mishandeling van [slachtoffer] . Verdachte heeft nauw en bewust samengewerkt met de andere personen uit de groep bij de mishandeling van [slachtoffer] en zijn bijdrage is van voldoende gewicht geweest. Hiermee acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de mishandeling van [slachtoffer] .

4.3.5.
Bewijsmiddelen

Een uitwerking van de bewijsmiddelen is opgenomen in een bijlage, die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

5

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 27 januari 2018 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer] een vuistslag tegen het hoofd te geven, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] op de grond is gevallen en, toen voornoemde [slachtoffer] op de grond lag/zat die [slachtoffer] tegen het hoofd en lichaam te schoppen, terwijl het feit letsel, te weten een botbreuk middenhandsbot van de rechterhand en schaafletsel ten gevolge heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

overwegingen

8

8.1.
De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand, met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf van 200 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen.

8.2.
Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om bij de straftoemeting rekening te houden met de aanleiding van de vechtpartij en de rol van het slachtoffer tijdens en na de demonstratie. Zij heeft in dit verband verder benadrukt dat verdachte direct verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. Bovendien heeft hij zich opengesteld voor een minnelijke oplossing, terwijl de Koerdische zaak voor hem gevoelig is en [slachtoffer] zijn aandeel in de demonstratie probeert te verdoezelen. Ook heeft de raadsvrouw verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte is niet eerder veroordeeld voor een strafbaar feit. Met een strafblad zal het voor hem moeilijk zijn om een Verklaring Omtrent Gedrag te krijgen, waardoor hij mogelijk zijn baan bij de luchthaven zal kwijtraken.

De raadsvrouw heeft primair verzocht om artikel 9a Sr toe te passen. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om te volstaan met het opleggen van een geheel voorwaardelijke straf.

8.3.
Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Op 27 januari 2018 nam verdachte in Amsterdam deel aan een pro-Koerdische demonstratie tegen de inval van Turkije in het Koerdische Afrin in Noord-Syrië. De sfeer tijdens de demonstratie was grimmig en onrustig. In plaats van vreedzaam deel te nemen aan de demonstratie, heeft verdachte zich met een groep van de demonstratie afgesplitst om achter [slachtoffer] , een man van Turkse komaf, aan te rennen en hem te mishandelen. Verdachte en de anderen hebben [slachtoffer] tegen zijn hoofd gestompt en, terwijl hij al op de grond was gevallen, tegen zijn hoofd en lichaam geschopt. [slachtoffer] heeft hierdoor een breuk in zijn middenhandsbot en meerdere schaafwonden opgelopen.

Hoewel door de verdediging is aangevoerd dat [slachtoffer] zich provocerend tegen de Koerdische demonstranten heeft opgesteld, is dit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende uit het dossier gebleken.

Verdachte heeft met zijn gewelddadige handelen een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] . Het incident heeft veel weg van een openlijke geweldpleging. [slachtoffer] is door meerdere mensen belaagd en, ook nadat hij al op de grond was gevallen, geschopt en geslagen. De mishandeling vond midden op de dag op straat plaats in de nabijheid van de demonstratie, en daarmee in het zicht van anderen, die wel uit waren op een vreedzame demonstratie en met dit geweld werden geconfronteerd.

De rechtbank houdt bij de op te leggen straf rekening met straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd en zij hanteert daarom, op grond van het hiervoor overwogene, als uitgangspunt de oriëntatiepunten die zien op openlijke geweldpleging met lichamelijk letsel tot gevolg, zoals vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Deze oriëntatiepunten indiceren een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 150 uur.

Verdachte is, blijkens het hem betreffende uittreksel uit het Justitiële Documentatieregister van 6 november 2018, niet eerder veroordeeld voor soortgelijke feiten.

De rechtbank acht alles afwegende een taakstraf van 120 uur passend en geboden.

9

9.1.
De vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 7.295,61 aan materiële schadevergoeding, bestaande uit:

De benadeelde partij vordert daarnaast € 3.500,00 aan immateriële schadevergoeding.

De benadeelde partij heeft gevorderd verdachte hoofdelijk te veroordelen tot het betalen van de materiële en immateriële schadevergoeding, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het schadeveroorzakend feit.

-

€ 5.991,36 aan gederfde winst;

€ 268,40 aan kosten voor de fysiotherapeut en de chiropractor;

€ 966,00 aan eigen bijdrage van de zorgverzekering;

€ 20,28 aan kosten voor de medicatie;

€ 8,50 aan parkeerkosten;

€ 41,07 voor de kosten van het opvragen van medische gegevens bij de huisarts.

9.2
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de door de benadeelde partij gevorderde bedragen aan materiële schadevergoeding met in achtneming van het navolgende toe te wijzen, met uitzondering van de aanmaningskosten van € 48,40 voor de fysiotherapeut. De gederfde inkomsten dienen volgens de officier van justitie te worden geschat op € 3.000,00 in het kader van een voorschot. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding heeft hij verzocht de vordering toe te wijzen tot een bedrag van € 2.500,00.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de totale schadevergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente en dat de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte wordt opgelegd.

9.3.
Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om het gedeelte van de vordering dat ziet op de inkomstenderving af te wijzen, nu de gederfde winst enkel is gebaseerd op de omzetderving. Op basis van de overgelegde gegevens kan onmogelijk een schatting van de door de benadeelde partij gederfde winst gemaakt worden. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu nader onderzoek naar de bedrijfsgegevens van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De raadsvrouw heeft verzocht het gedeelte van de vordering dat ziet op de kosten voor de fysiotherapeut en chiropractor af te wijzen, nu niet uit het dossier noch de overgelegde stukken blijkt dat de rug- en nekklachten van de benadeelde partij door het handelen van verdachte zijn veroorzaakt. De aanmaningskosten van de fysiotherapeut komen überhaupt niet voor vergoeding in aanmerking, omdat deze zijn veroorzaakt door wanbetaling van de benadeelde partij.

De raadsvrouw heeft verzocht het gedeelte van de vordering dat ziet op de kosten van de eigen bijdrage voor de zorgverzekering af te wijzen, nu niet uit het dossier noch de overgelegde stukken blijkt dat de kosten van de benadeelde partij door het handelen van verdachte zijn veroorzaakt. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu nader onderzoek naar in hoeverre de kosten voor de eigen bijdrage het rechtstreeks gevolg van het handelen van verdachte is, een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De raadsvrouw heeft verzocht het gedeelte van de vordering dat ziet op de kosten voor de medicijnen af te wijzen, nu niet uit het dossier noch de overgelegde stukken af te leiden is of deze kosten door het handelen van verdachte zijn veroorzaakt.

9.4.
Het oordeel van de rechtbank

9.4.1.
Materiële schade

-
-
-
-
-
-
-
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

De rechtbank acht de vordering met betrekking tot de gederfde inkomsten niet-ontvankelijk. In de vordering is de gederfde winst geschat naar aanleiding van een verklaring van een boekhouder over de dagomzet die de benadeelde partij voorafgaand het incident maakte. Naar het oordeel van de rechtbank kan alleen op grond daarvan niet de hoogte van de gederfde inkomsten worden vastgesteld. Dat vraagt nader onderzoek naar bedrijfsgegevens van de zaak van benadeelde. De behandeling van de vordering levert daarom voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden.

De rechtbank acht de vordering met betrekking tot de kosten voor de fysiotherapeut en de chiropractor niet-ontvankelijk. Niet voldoende is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het bewezen verklaarde feit. Uit de door de benadeelde partij bijgevoegde verklaring van de neuroloog dr. M.M. van der Graaff van 3 augustus 2018 blijkt dat twee jaar eerder bij de benadeelde partij al sprake was van een beginnende hernia en dat de nekklachten verklaard kunnen worden vanuit degeneratieve afwijkingen. Naar het oordeel van de rechtbank is uit de stukken ook niet gebleken dat de reeds bestaande klachten zijn verergerd door het bewezen verklaarde feit.

De rechtbank acht de vordering met betrekking tot kosten voor de eigen bijdrage van de zorgverzekering niet-ontvankelijk. Niet staat vast dat de benadeelde partij medische kosten heeft moeten maken ten behoeve van het door het bewezenverklaarde feit veroorzaakte letsel.

De rechtbank acht de vordering met betrekking tot kosten voor de medicatie niet-ontvankelijk. Niet voldoende is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het bewezen verklaarde feit. Door de benadeelde partij is aangevoerd dat medicatie is ingenomen ter pijnbestrijding. Naar het oordeel van de rechtbank is uit de stukken niet gebleken dat de ondervonden pijn een gevolg was van de mishandeling op 27 januari 2018.

De rechtbank wijst de gevorderde parkeerkosten voor bezoek aan ziekenhuis toe tot een bedrag van € 8,50, nu deze vordering voldoende is onderbouwd en deze vordering ook overigens niet is betwist door de verdediging.

De rechtbank wijst de gevorderde kosten voor het opvragen van de medische gegevens bij de huisarts ter onderbouwing van de vordering tot schadevergoeding toe tot een bedrag van € 41,07, nu deze vordering voldoende is onderbouwd en deze vordering ook overigens niet is betwist door de verdediging.
De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 49,57 zal worden toegewezen. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

9.4.2.
Immateriële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van de strafbare feiten lichamelijk letsel heeft opgelopen en er inbreuk is gepleegd op zijn lichamelijke integriteit.

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 1.000,00. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

9.4.3.
Wettelijke rente, hoofdelijkheid, schadevergoedingsmaatregel

De schadevergoeding zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (27 januari 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht met zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat gehele bedrag aansprakelijk is.

De rechtbank zal ten behoeve van de benadeelde partij de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens hem naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 1049,57, bestaande uit € 49,57 aan materiële schadevergoeding en € 1.000,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (27 januari 2018) tot aan de dag van de algehele vergoeding.

10

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 47 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

beslissing

11

 Veroordeelt verdachte tot een bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van , met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van twee uren per dag.
 Wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot € 1049,57 (duizendnegenenveertig euro en zevenenvijftig eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (27 januari 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening.





De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:
Medeplegen van mishandeling

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] € 1049,57 (duizendnegenenveertig euro en zevenenvijftig eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (27 januari 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening, aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 20 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Sipkens, voorzitter,mrs. Ch.A. van Dijk en R.A.J. Hübel, rechters,in tegenwoordigheid van mr. R. Stockmann, griffier,en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 maart 2019.
Bijlage [...]

_b3073d3e-5b47-4992-b35c-404b19f04814
1

Hoge Raad 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474.