Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2019:1764

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-03-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 12-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2019:1764, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 13/258331-18 (A), 13/235309-18 (B), 13/223570-18 (C), 13/236735-18 (D)


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummers: 13/bijz258331-18 (A), 13/235309-18 (B), 13/223570-18 (C), 13/236735-18 (D), 13/237145-18 (tul)

Datum uitspraak: 12 maart 2019

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1989,zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,gedetineerd in het [penitentiaire inrichting] te [plaats] .

ECLI:NL:RBAMS:2019:1764:DOC
nl

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummers: 13/bijz258331-18 (A), 13/235309-18 (B), 13/223570-18 (C), 13/236735-18 (D), 13/237145-18 (tul)

Datum uitspraak: 12 maart 2019

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1989,zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,gedetineerd in het [penitentiaire inrichting] te [plaats] .
1

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 februari 2019.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, B, C en D aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. H.H. Boersma, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. A.S. Kamphuis naar voren hebben gebracht.

2

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

Zaak A

het medeplegen van een diefstal met geweld op 16 december 2018 in Amsterdam;
Zaak B

1.diefstal van blikken bier en een zak chips bij de Albert Heijn op 21 november 2018 in Amsterdam;
2.het niet voldoen aan een ambtelijk bevel op 21 november 2018 in Amsterdam;
Zaak C

het niet voldoen aan een ambtelijk bevel op 9 november 2018 in Amsterdam;

Zaak D

diefstal van drinkwaren bij de Albert Heijn op 22 november 2018 in Amsterdam.
De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4

4.1.
Vrijspraak van het in zaak B onder feit 2 en het in zaak C ten laste gelegde

Aan verdachte is in zaak B onder feit 2 en in zaak C ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het in artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) bepaalde. Artikel 184 Sr houdt in – voor zover van belang - dat degene strafbaar is die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of vordering, welke krachtens wettelijk voorschrift is gedaan.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van deze feiten dient te worden vrijgesproken, omdat in de tenlastelegging is opgenomen dat verdachte zich niet buiten een bepaald gebied mocht begeven. Volgens de aan verdachte opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel moest verdachte zich echter binnen een bepaald gebied bevinden. Er was dus geen sprake van een gebiedsverbod, maar van een gebiedsgebod.

In onderhavige zaak geld het volgende. Door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers is op 1 november 2018 beslist dat verdachte, vanwege het bij herhaling overtreden van huisregels in de zin van verbale en fysieke agressie richting medebewoners en personeel, zou worden geplaatst in de Extra Begeleiding en Toezicht Locatie (EBTL) te Amsterdam. Vervolgens is op 2 november 2018 beslist dat aan verdachte, voor de duur dat hij op de EBTL zou verblijven, een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vreemdelingenwet 2000 werd opgelegd. Deze maatregel hield in dat verdachte moest verblijven binnen het gebied zoals beschreven in de gebiedsbepaling EBTL Transformatorweg Amsterdam. De maatregel is namens de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie opgelegd door een ambtenaar van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, en op 2 november 2018 meteen aan verdachte uitgereikt.

Het niet voldoen aan de maatregel is strafbaar gesteld op grond van artikel 108, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Dat artikel is gericht op bescherming van de openbare veiligheid. Iemand is strafbaar als hij zich niet binnen het op grond van artikel 56 van de Vreemdelingenwet 2000 aangewezen gebied bevindt. De tenlastelegging in onderhavige zaak is echter niet toegesneden op dit artikel, maar op artikel 184 Sr. Deze bepaling, die een algemene strafbaarstelling als misdrijf behelst voor uiteenlopende gevallen van niet naleving van bevelen of vorderingen, eist een "krachtens wettelijk voorschrift" gegeven bevel of gedane vordering. Artikel 184 Sr is gericht op de bescherming van het openbaar gezag. Iemand is strafbaar als hij een ambtelijk bevel niet opvolgt.

De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of de vrijheidsbeperkende maatregel heeft te gelden als een krachtens wettelijk voorschrift gegeven bevel. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend.

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat in de wet sprake moet zijn van een uitdrukkelijk gegeven bevelsbevoegdheid. De Vreemdelingenwet 2000, waaronder artikel 56, bevat naar het oordeel van de rechtbank niet een dergelijke bevoegdheid. Verdachte zal om deze reden van beide feiten worden vrijgesproken.

4.2.
Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

Zaak A

op 16 december 2018 te Amsterdam op de openbare weg (te weten: de Warmoesstraat te Amsterdam) tezamen en in vereniging met een ander heeft weggenomen een tas, toebehorende aan [slachtoffer] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen voornoemde [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte en/of zijn mededader

de arm van die [slachtoffer] vast pakt en deze op zijn rug brengt en vervolgens voornoemde tas van de schouder van die [slachtoffer] heeft getrokken en die [slachtoffer] heeft geslagen tegen zijn hand;

Zaak B

Ten aanzien van feit 1:

op 21 november 2018 te Amsterdam, blikken bier en een zak chips, die aan een ander toebehoorden, te weten aan de Albert Heijn, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Zaak D

op 22 november 2018 te Amsterdam drinkwaren, die geheel of ten dele aan een ander toebehoorden, te weten aan winkelbedrijf Albert Heijn, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

overwegingen

8

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem in zaak A, zaak B, zaak C en zaak D bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven maanden. Bij repliek heeft de officier van justitie gevorderd verdachte vrij te spreken van het in zaak B onder feit 2 en het in zaak C ten laste gelegde, en hem een gevangenisstraf van zes maanden en twee weken, met aftrek van voorarrest, op te leggen.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededader schuldig gemaakt aan een diefstal waarbij geweld niet werd geschuwd. De armen van het slachtoffer werden op zijn rug gedraaid en hij werd tegen de muur geduwd, waarna verdachte en zijn mededader de tas van zijn schouder hebben weggenomen. De verdachte en zijn mededader hebben hiermee laten zien geen respect te hebben voor de eigendommen van een ander en een voor het slachtoffer bedreigende situatie doen ontstaan. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke strafbare feiten nog lange tijd gevoelens van angst en onveiligheid kunnen ondervinden. Dergelijke feiten versterken bovendien de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

Verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan twee winkeldiefstallen. Dergelijke feiten veroorzaken schade, ellende en ergernis, voor de samenleving in het algemeen en voor de benadeelden in het bijzonder.

De rechtbank ziet in dat er sprake is van een zorgelijke situatie. Uit het voorgeleidingsconsult van psychiaters M. Binnewijzend en S.C.J. Frehe van 18 december 2018 volgt dat verdachte een trauma heeft opgelopen doordat zijn ouders en broertje in 2011 zijn omgekomen in Libië. Naar eigen zeggen kampt verdachte met psychische klachten en is hij verslaafd aan XTC en cocaïne. Uit het dossier blijkt dat verdachte sinds augustus 2018 in het asielzoekerscentrum in Drachten verbleef. Vanwege onaanvaardbaar gedrag heeft het COA verdachte geplaatst in de EBTL in Amsterdam.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat op dit moment enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is.

In de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) wordt als uitgangspunt voor een straatroof met licht geweld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden gehanteerd. Voor een winkeldiefstal geldt volgens de oriëntatiepunten bij recidive een voorwaardelijke gevangenisstraf van één week. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 165 dagen passend en geboden is.
9

Bij de stukken bevindt zich de op 31 januari 2019 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/237145-18, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 5 december 2018 van de politierechter in het arrondissement Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier weken, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot twee weken, niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte is toegezonden.

Uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat de proeftijd van voornoemd voorwaardelijk strafdeel is gestart op 20 december 2018. De in onderhavige zaken bewezen geachte feiten zijn allemaal voor die tijd gepleegd. De rechtbank ziet daarin aanleiding de vordering tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke strafdeel af te wijzen.

10

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 63, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

beslissing

11






De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het in zaak B onder 2 en het in zaak C ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Zaak A:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Zaak B ten aanzien van feit 1 en zaak D:

diefstal, meermalen gepleegd

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een voor de duur van .

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 5 december 2018 onder parketnummer 13/237145-18, af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Sipkens, voorzitter,mrs. Ch.A. van Dijk en R.A.J. Hübel, rechters,in tegenwoordigheid van mr. R. Stockmann, griffier,en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 maart 2019.