Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2019:1740

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-03-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 12-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2019:1740, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 13/993068-16 (Promis)


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/993068-16 (Promis)

Datum uitspraak: 12 maart 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

ECLI:NL:RBAMS:2019:1740:DOC
nl

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/993068-16 (Promis)

Datum uitspraak: 12 maart 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .
1

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 februari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.M. de Leeuw en van verdachte en zijn raadsvrouw, mr. P. Figge naar voren hebben gebracht.

2

Verdachte wordt – kort samengevat – verweten dat hij zich in 2015 schuldig heeft gemaakt:

primair

subsidiair

meer subsidiair

De tekst van de volledige – gewijzigde – tenlastelegging is opgenomen in de aan dit vonnis gehechte bijlage en geldt als hier ingevoegd.

3

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4

4.1.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Op 20 november 2015 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in het bedrijfspand aan de [adres 1] in [plaats] , waarbij kartons en pallets met verpakkingsmateriaal met opschrift P&G Professional Ariel zijn aangetroffen en in beslag zijn genomen. In een afgesloten ruimte werden vervolgens facturen en afleveringsbonnen aangetroffen met betrekking tot de handel in waspoeder. Deze facturen en afleveringsbonnen stonden op naam van Majapak B.V. (hierna: Majapak), gevestigd aan de [adres 2] , [plaats] ( [plaats] ). Op deze locatie werden vervolgens verpakkingsmateriaal (12 pallets) en gevulde kartons met daarop het merk Ariel (724 stuks) aangetroffen. De huurder van dit bedrijfspand, de heer [naam huurder] , verklaarde dat hij vanaf 19 januari 2015 tot en met 18 juli 2015 het pand aan de [adres 2] in [plaats] onderverhuurde aan Majapak. Hiertoe had een Turkse mevrouw, die zich [naam 1] noemde, contact met hem opgenomen. Het huurcontract werd vervolgens getekend door, [verdachte] , van wie [naam huurder] meende dat het de echtgenoot van [naam 1] was (de rechtbank begrijpt: verdachte). [naam 1] en verdachte hebben de sleutels opgehaald en [naam 1] heeft ze aan het einde van de huurperiode ingeleverd. Een maand daarna berichtte [naam 1] hem dat zij het pand weer wilde huren in verband met een nieuwe bestelling. Zij kwam de sleutels ophalen. Gecommuniceerd werd over de huur via de e-mail met [naam 1] via [e-mail] . Er werd giraal betaald door Majapak.De merkhouder Procter & Gamble (hierna: P&G) heeft op basis van monsters vastgesteld dat de op beide plaatsen aangetroffen kartonnen verpakkingen merkvervalste goederen betroffen en heeft aangifte gedaan.In het verdere verloop van het onderzoek bleek dat de verpakkingen bewerkt waren door Speciaaldrukkerij TOF Soest B.V. te Soest (hierna: TOF). De eigenaar en bestuurder van TOF, de heer [naam bestuurder] , verklaarde dat hij 27.000 tot 30.000 dozen heeft gestanst voor Majapak en dat hij de opdracht hiervoor had gekregen van de heer [naam 2] en mevrouw [naam 3] . [naam bestuurder] verklaarde ook dat hij heeft gesproken met een Turkse man, [naam 4] / [naam 5] (fonetisch), en een Turkse vrouw. Zij spraken goed Nederlands. [naam 6] was hun baas, maar die is inmiddels overleden. [naam 6] kwam voor zijn overlijden ook wel eens bij de drukkerij; hij had ook zulke opdrachten en de door hem meegebrachte stansmessen werden bewaard voor een vervolgorder.Tijdens de doorzoeking van de woning van [naam 2] en [naam 3] op de [adres 3] in [plaats] zijn onder meer drie pallets met verpakkingen Ariel en Dash, en een laptop in beslag genomen. In de laptop is een e-mailwisseling uit de periode van mei tot en met augustus 2015 gevonden met de heer [naam 7] over het ontwerp van dozen Ariel. In deze e-mails melden ‘ [naam 8] en [naam 9] ’ dat zij dozen hebben verkocht aan ‘ [naam 5] en [naam 10] , de compagnon van [naam 6] ’. Een telefoonnummer in een telefoon uit de woning [naam 2] en [naam 3] blijkt te zijn opgeslagen als ‘ [naam 5] ’ en staat op naam van de heer [naam 11] . Uit onderzoek blijkt dat in de tweede helft van 2015 tussen dit nummer en het nummer van [naam 12] zeer veelvuldig contact is geweest. In de laptop staan verder ook e-mails van augustus 2015 over het drukwerk 27.000 keer Ariel. Uit deze e-mails volgt dat de drukkerij Grafiplaza deze opdracht weigert in verband met het ontbreken van toestemming van P&G. ‘ [naam 9] [naam 2] ’ bevestigt in een e-mail dat zij geen toestemming heeft van P&G, maar meldt dat zij een andere drukkerij heeft gevonden die wel wil drukken, te weten Zalsman B.V., en verzoekt Grafiplaza om geen contact op te nemen met P&G. In de laptop staan ook e-mails over de periode van juli tot en met november 2015 met het e-mailadres van Majapak B.V., waarin is gecorrespondeerd met ‘ [naam 10] / [naam 13] en [naam 5] ’ en wordt gerefereerd aan een order van 27.000 vellen. Uit het e-mailverkeer blijkt dat de gebruiker van het e-mailadres op naam van [naam 2] bestellingen plaatst en informatie krijgt over de modellen. In een schriftje uit de administratie van [naam 2] en [naam 3] staat op ‘29/7’ een verwijzing naar 27.000 dozen en TOF. Onderaan de pagina staat de naam ‘ [verdachte] ’ en het e-mailadres van Majapak. In het schriftje staan bij ‘8/8’ de namen ‘ [naam 10] / [naam 5] ’.
Verdachte heeft verklaard dat Majapak zijn bedrijf is. Het bedrijf is gevestigd aan [adres 4] in [plaats] . De opslagruimte in [plaats] is sinds mei 2015 onderverhuurd aan Blauw Bloed Horeca, waarvoor de contactpersoon [naam 6] was. [naam 12] , die zich ook wel [naam 1] noemt, heeft hem geholpen. Zij belde, e-mailde of hielp hem met het lezen van brieven. Ook heeft [naam 12] gebeld voor de tweede huurperiode voor de loods in [plaats] . Verdachte wist dat [naam 6] al langer handelde in waspoeder. Hij heeft eens zo’n verpakking Ariel waspoeder gekocht die afkomstig was van [naam 6] , dit was slecht waspoeder, er bleef na het wassen allemaal zout in de kleding achter.

4.2.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft – onder verwijzing naar de in haar schriftelijke requisitoir opgenomen bewijsmiddelen – gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde. De officier van justitie acht bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen verantwoordelijk is voor het vervaardigen, vervoeren, doorvoeren en verkopen van merkvervalste dozen Ariel. Gelet op de duur van de gedraging en de hoeveelheid goederen die het betreft, stelt de officier van justitie dat dit in het kader van beroep of bedrijf is gedaan.

4.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw stelt zich primair op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten. De raadsvrouw heeft – onder verwijzing naar haar pleitnota –aangevoerd dat geen sprake is van opzet op het medeplegen van merkvervalsing dan wel de medeplichtigheid daartoe. Subsidiair stelt de verdediging dat – indien de rechtbank meent dat verdachte wel verwijtbaar heeft gehandeld – slechts voor een beperkt deel de medeplichtigheid van verdachte bewezen kan worden omdat hij bij de verkoop van een partij wasmiddel als tussenpersoon heeft gefungeerd.

4.4.
Het oordeel van de rechtbank
Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat een samenwerkingsverband van een aantal personen heeft bestaan dat zich bezighield met de handel in waspoeder, dat verpakt werd in nagebootste Ariel kartons. Het waspoeder, het karton en het drukwerk werden besteld op naam van Majapak, de onderneming van verdachte. Ook werd gebruik gemaakt van de door verdachte gehuurde loods aan de [adres 2] in [plaats] .

Verdachte heeft verklaard dat hij niets wist van deze handel en dat anderen zijn naam en die van zijn bedrijf hebben misbruikt. Hij heeft de loods vanaf mei 2015 onderverhuurd aan een man die hij kent als [naam 6] . Hij wist niet dat [naam 6] en zijn metgezellen de loods zouden gebruiken voor de handel in waspoeder, aldus verdachte ter zitting.

De rechtbank ziet in het dossier echter concrete aanwijzingen dat verdachte hiervan wel degelijk op de hoogte was. Allereerst heeft verdachte bij de FIOD verklaard dat hij wist dat [naam 6] in waspoeder deed, dat hij het waspoeder zelf ook een keer gebruikt heeft en dat het slecht waspoeder was en dat er na het wassen allemaal zout in de kleding achterbleef.

Ook na het overlijden van [naam 6] is verdachte de loods blijven huren. Naar zijn zeggen stelde hij de loods toen beschikbaar aan medeverdachte [naam 12] . Ter zitting heeft hij verklaard dat hij voor [naam 12] dozen waspoeder heeft geleverd aan een tweetal wasserettes (Wash Place en Wash Company). Minst genomen kan hieruit worden afgeleid dat verdachte ook wetenschap had van de betrokkenheid van [naam 12] bij de handel in waspoeder. Toch is hij ook nadien zijn loods ter beschikking van haar blijven stellen.

Het dossier bevat bovendien aanwijzingen voor een eerdere betrokkenheid van verdachte bij de handel in waspoeder. Naar eigen zeggen had verdachte de loods in [plaats] vanaf 19 januari 2015 gehuurd voor gebruik ten behoeve van zijn eigen handel in citroensap en andere goederen. In zijn kantoorruimte aan de [adres 1] in [plaats] zijn echter facturen aangetroffen van de aanschaf van waspoeder, gedateerd 23 januari 2015 (4 dagen na ingang van de huurovereenkomst), 19 februari 2015 en 3 maart 2015, gericht aan Majapak op het adres [adres 2] in [plaats] . Deze periode is gelegen voordat verdachte de loods onderverhuurde aan [naam 6] en dus voordat sprake zou zijn van het gestelde misbruik van zijn naam en dat van zijn bedrijf door [naam 6] . De rechtbank concludeert dat de verklaring van verdachte dat hij geen enkele wetenschap of betrokkenheid had bij de in Wormerveer opgeslagen waspoeder en de merkvervalste dozen als ongeloofwaardig terzijde moet worden geschoven. Hoe groot die betrokkenheid precies is geweest, blijkt onvoldoende uit de overige inhoud van het dossier. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde medeplegen van merkvervalsing. Wel kan in ieder geval worden vastgesteld dat hij een faciliterende rol heeft gespeeld, door zijn loods voor de opslag en verwerking van merkvervalste dozen waspoeder ter beschikking te stellen.
De rechtbank acht de subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid aan de merkvervalsing bewezen voor zover het gaat om het in voorraad hebben van valse verpakkingsmaterialen in de door hem gehuurde loods aan de [adres 2] in [plaats] . Verdachte wordt vrijgesproken van het deel dat betrekking heeft op de [adres 1] in [plaats] , nu uit het dossier niet blijkt dat verdachte dat pand heeft gehuurd, onderverhuurd of ter beschikking heeft gesteld.

Aan de vraag of het meer subsidiaire tenlastegelegde handelen ten aanzien van 80 dozen bewezen kan worden komt de rechtbank niet toe.

5

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.1. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat:

Majapak B.V. op 20 november 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk, in een bedrijfspand, te weten:- aan de [adres 2] te [plaats] : 12 pallets verpakkingsmateriaal en 724 gevulde kartons met daarop het merk Ariel,
zijnde waren, die op hun verpakking valselijk waren voorzien van het merk en de handelsnaam waarop een ander recht had,

in voorraad heeft gehad, zulks terwijl Majapak B.V. en/of meer andere personen van het plegen van dit misdrijf hun beroep hebben gemaakt en/of het plegen van dit misdrijf als bedrijf hebben uitgeoefend,

tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 1 januari 2015 tot en met 20 november 2015 in Nederland, opzettelijk gelegenheid heeft verschaft,

immers heeft hij, verdachte- het bedrijfspand aan de [adres 2] te [plaats] gehuurd en onderverhuurd en ter beschikking gesteld.

6

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

overwegingen

8

8.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar onder primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen. Daarnaast vordert de officier van justitie een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaar.

8.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte bij een bewezenverklaring moet worden veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf. Indien de rechtbank dat geen passende straf vindt, wordt verzocht een onvoorwaardelijke taakstraf dan wel een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan het in voorraad hebben van merkvervalste dozen Ariel. Een merk vertegenwoordigt een bepaalde reputatie en exclusiviteit en een consument moet op de juistheid van een vermelding van een merk op een product kunnen vertrouwen. Door merkvervalsing wordt niet alleen schade berokkend aan rechthebbenden en consumenten, maar wordt tevens oneerlijke concurrentie aangedaan aan andere bedrijven. De merkhouders hebben zich kostbare productie- en marketinginspanningen getroost om hun merken tot bekende merken te maken en garant te staan voor een bepaalde kwaliteit. Zij lopen inkomsten mis als consumenten de namaakartikelen kopen in plaats van de originele artikelen en lopen bovendien het risico dat de kwaliteit van die namaakgoederen inferieur is, hetgeen negatief afstraalt op hun merk. Verdachte heeft aan dit hele proces een bijdrage geleverd door een loods beschikbaar te stellen voor de opslag van merkvervalste dozen Ariel, hetgeen voor de plegers een belangrijke voorwaarde is om de goederen te kunnen aanschaffen en verspreiden. Gelet op de ernst van het feit acht de rechtbank in beginsel een taakstraf gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf passend.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie betreffende verdachte van 2 januari 2019, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder in Nederland is veroordeeld voor een soortgelijk misdrijf.

De rechtbank stelt daarnaast vast dat in deze strafzaak sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Als uitgangspunt geldt dat binnen een termijn van twee jaar na aanvang daarvan in eerste aanleg vonnis moet zijn gewezen. De redelijke termijn is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval beginnen te lopen vanaf het moment waarop verdachte is verhoord, te weten 20 april 2016. Tussen die datum en de datum van het vonnis – 12 maart 2019 – ligt een periode van twee jaar en elf maanden. Deze overschrijding van de redelijke termijn met ongeveer elf maanden is niet te wijten aan verdachte. Overeenkomstig vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2008:BD2578) wordt bij een dusdanige overschrijding strafvermindering toegepast. Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn zal aan verdachte naast de werkstraf niet ook een voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd.

Alles afwegend, acht de rechtbank oplegging van een taakstraf voor de duur van honderdtwintig uur passend en geboden.

9

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 48 en 337 van het Wetboek van Strafrecht.

beslissing

10


De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplichtigheid aan opzettelijk waren die zelf of op hun verpakking valselijk zijn voorzien van de handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht heeft, in voorraad hebben, terwijl de schuldige van het plegen van dit misdrijf zijn beroep maakt en/of het plegen van dit misdrijf als bedrijf uitoefent.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van , met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.T. Hylkema, voorzitter,mrs. M.J.E. Geradts en F.W. Pieters, rechters,in tegenwoordigheid van mr. F.F. van Lier, griffier,en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 maart 2019.
_549668bf-ccff-4584-b7d0-eb8836ec181f
1

Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
_44bfe785-77e9-4597-80f0-9246868b2f33
2

IBN-001, p. 305-309

_d414cc93-9cfb-441e-a1f3-3ec1452a338a
3

DOC-005, p. 488; DOC-006, p. 489; DOC-007, p. 490

_ac60bf42-0155-445a-b5bc-23e115d5edaa
4

IBN-002, p. 312-315

_1de29429-f55b-4692-9958-f984f6708270
5

G-001-01, p. 458-460

_e2a6f395-b3c2-4952-8119-020401f778bb
6

Een geschrift, zijnde DOC-020, p. 520-528 en een geschrift, zijnde DOC-021, p. 528-537

_c9bd908d-0d92-4b81-924c-dbe658ccd8f8
7

IBN-001, p. 305-307; IBN-005, p. 332-335; IBN-002, p. 312-314

_8673d910-3bf6-4520-9579-2b988180ea13
8

V004-02, 411-414

_cc516eff-ea67-4906-811a-1ca80d20f97b
9

IBN-005-01, p. 336-340

_1e59f164-7ca5-465a-93fc-a5845637ed57
10

AMB-017, p. 106-110, AMB-022, p. 124-125; AMB-025, p. 131-135; IBN-005

_75215365-efbf-4ede-b7ba-f364f78f68ad
11

V003-01, p. 391-403