Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2019:1738

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-03-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 11-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2019:1738, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is AWB 18-3003


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK AMSTERDAMuitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2019 in de zaak tussen
Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 18/3003

[eiser]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder(gemachtigde: mr. K. Visser).

ECLI:NL:RBAMS:2019:1738:DOC
nl

RECHTBANK AMSTERDAMuitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2019 in de zaak tussen
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 18/3003

[eiser]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder(gemachtigde: mr. K. Visser).
procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2018 (bestreden besluit) heeft verweerder een door eiser gemaakt bezwaar niet‑ontvankelijk verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld en verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2019. Eiser is verschenen en verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

overwegingen

Overwegingen

1. Verweerder heeft in het bestreden besluit vermeld dat een handhaver namens het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel [stadsdeel] van de gemeente Amsterdam (het stadsdeel) eisers fiets op 19 december 2017 heeft verwijderd van de locatie [adres] en vervolgens heeft opgeslagen in het fietsdepot. Eiser heeft zijn fiets op 28 december 2017 bij het fietsdepot opgehaald. Volgens verweerder is het besluit de fiets te verwijderen en op te slaan op 6 november 2017, door het aanbrengen van een sticker op de fiets op die datum, bekendgemaakt en heeft eiser daartegen niet tijdig, dat wil zeggen binnen zes weken, bezwaar gemaakt, omdat verweerder het bezwaar pas op 9 januari 2018 heeft ontvangen. Volgens verweerder is niet gebleken dat eiser een geldige reden voor de termijnoverschrijding had.

2.1
Eiser vindt dat hij tijdig bezwaar heeft gemaakt. Hij bestrijdt dat op zijn fiets een sticker is aangebracht, dat op 6 november 2017 een besluit aan hem is bekendgemaakt en dat vanaf die datum de bezwaartermijn is gaan lopen. Verweerder kan niet aantonen dat hij een besluit aan eiser heeft bekendgemaakt. Als datum van bekendmaking moet de datum worden genomen dat zijn twee fietsen, waarvan er één niet meer in het fietsdepot is aangetroffen en dus verdwenen was, in opdracht van het stadsdeel werden meegenomen, te weten op 19 december 2017. De bezwaartermijn van zes weken is daarom pas vanaf die datum gaan lopen, volgens eiser.
2.2.1
De rechtbank overweegt als volgt.
2.2.2
Uit het met het verweerschrift toegezonden constateringsformulier blijkt dat eisers fiets, met nummer [nummer] , op 19 december 2017 is meegevoerd is en vervolgens is opgeslagen, omdat het in strijd met artikel 4.27, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Amsterdam (APV) is verlaten. Uit het constateringsformulier blijkt ook dat op 6 november 2017 een sticker op de fiets is aangebracht. Het constateringsformulier bevat een foto waarop is waar te nemen dat op een fiets een sticker is aangebracht, met daarop – onder meer – de tekst ‘’ en ‘’. Deze sticker correspondeert met de sticker die is aangebracht op het formulier ‘kennisgeving besluit’ waaruit valt af te leiden dat eisers fiets op 28 december 2017 aan eiser is overhandigd, na betaling van administratiekosten van € 22,50. Op deze sticker is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld: ‘’, ‘’.
2.2.3
Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van het vorenstaande aannemelijk dat het stadsdeel bovengenoemde sticker op 6 november 2017 op eisers fiets heeft aangebracht. De rechtbank is van oordeel dat de sticker een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is, dat gericht is op een rechtsgevolg dat op 6 november 2017 intreedt (het primaire besluit). Het moet worden gekwalificeerd als een last onder bestuursdwang om de fiets vóór 20 november 2017 te verwijderen, omdat sprake is van strijd is met artikel 4:27 van de APV.
2.2.4
Vervolgens komt de vraag aan de orde of en zo ja wanneer het besluit van 6 november 2017 aan eiser is bekend gemaakt.
2.2.5
Op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. Op grond van artikel 3:41, tweede lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van het besluit, indien zij niet kan geschieden op de wijze als voorzien in het eerste lid, op een andere geschikte wijze.
2.2.6
Artikel 5:24, derde lid, van de Awb schrijft in gevallen waarin een bestuursorgaan een last onder dwangsom oplegt, in afwijking van de in artikel 3:41 en 3:42 van de Awb opgenomen regels over de bekendmaking van besluiten, voor dat de last bekend moet worden gemaakt aan rechthebbenden op het gebruik van de zaak ten aanzien waarvan bestuursdwang zal worden toegepast, aan de overtreder en eventueel aan de aanvrager van de beschikking om bestuursdwang.
2.2.7
Niet in geschil is dat eiser zijn fiets op 28 december 2017 uit het depot heeft opgehaald en dat hem daarbij het formulier ‘kennisgeving besluit’ is overhandigd, waarop voornoemde sticker, inhoudende het primaire besluit, is aangebracht. Omdat, zoals vaststaat, de overtreder ten tijde van het toepassen van bestuursdwang niet bekend was, is de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 februari 2005, van oordeel dat het primaire besluit niet op grond van artikel 5:24, derde lid, van de Awb aan eiser bekend behoefde te worden gemaakt voordat bestuursdwang werd toegepast. Het besluit is aan eiser uitgereikt toen hij zijn verwijderde fiets ophaalde, namelijk op 28 december 2017, waarmee het aan hem is bekendgemaakt. Gelet op het vorenstaande volgt de rechtbank verweerder niet in zijn standpunt dat de bekendmaking van dat besluit al bij het aanbrengen van de sticker op 6 november 2017 of tijdens het wegvoeren van de fiets op 19 december 2017 plaatsvond.
2.2.8
Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn van zes weken voor het indienen van het bezwaarschrift aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Omdat het primaire besluit op 28 december 2017 op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, is de bezwaartermijn op 29 december 2017 gaan lopen. De rechtbank stelt vast dat eiser binnen de termijn van zes weken, namelijk op 8 januari 2018, en dus tijdig hiertegen bezwaar heeft gemaakt.
2.2.9
De rechtbank komt op grond van het vorenstaande tot het oordeel dat verweerder het bezwaar van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.
3. Het beroep zal gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd. Omdat nog niet inhoudelijk op het bezwaar is beslist en de rechtbank niet zelf in de zaak kan voorzien, zal de rechtbank bepalen dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaar tegen het primaire besluit neemt.
4. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
beslissing

Beslissing

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de toezending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan eiser te vergoeden.
De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, rechter, in aanwezigheid van mr. F.S. Zwerwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2019.

griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

_279a8024-bff4-4926-9073-9947ca5cf499
1

Vergelijk de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 oktober 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:12168).

_3ed938c6-f308-452e-98db-eae48c67bcf2
2

ECLI:NL:RVS:2005:AS5483, rechtsoverweging 2.5.