Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2019:1734

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-03-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 12-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2019:1734, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is AMS 19/867


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK AMSTERDAMuitspraak van de voorzieningenrechter van 12 maart 2019 in de zaak tussenUltimate Party B.V., gevestigd te Amsterdam, verzoekster
(gemachtigde: mr. G.L.M. Teeuwen),

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 19/867

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder(gemachtigden: mr. L. van der Laan, mr. R. Nomden en S.P.C. Bijlmakers).

ECLI:NL:RBAMS:2019:1734:DOC
nl

RECHTBANK AMSTERDAMuitspraak van de voorzieningenrechter van 12 maart 2019 in de zaak tussenUltimate Party B.V., gevestigd te Amsterdam, verzoekster
(gemachtigde: mr. G.L.M. Teeuwen),
Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 19/867

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder(gemachtigden: mr. L. van der Laan, mr. R. Nomden en S.P.C. Bijlmakers).
procesverloop

Procesverloop

Met het besluit van 7 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder verzoekster een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat zij zich dient te onthouden van het tegen betaling aanbieden of verlenen van diensten op of aan de weg in strijd met het Beleid regulering rondleidingen met gids op de Wallen.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2019. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en door [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. Verzoekster organiseert kroegentochten (door haar ‘pubcrawls’ genoemd) in het Wallengebied.
3. Om – kort gezegd – de leefbaarheid in het Wallengebied te bevorderen en om de overlast van grote groepen in dit gebied te verminderen, heeft verweerder het ‘Beleid regulering rondleidingen met gids op de Wallen’ (hierna: het Beleid) vastgesteld. Conform dit beleid gelden er voor het rondleiden van groepen met een gids in het Wallengebied vanaf 1 april 2018 onder meer de volgende regels:- voor het rondleiden van groepen vanaf vijf personen is een ontheffing vereist, op basis van een ontheffingsstelsel als bedoeld in artikel 2.50, vierde lid, van de APV; - de maximum groepsgrootte is 20 personen;- de rondleidingen zijn uiterlijk om 23.00 uur beëindigd.
4. Tijdens diverse controles is geconstateerd dat er door verzoekster kroegentochten in het Wallengebied werden gehouden waaraan meer dan 20 personen deelnamen, dat deze plaatsvonden na 23.00 uur en dat er geen sprake was van een ontheffing.
5. Naar aanleiding van deze constateringen heeft verweerder verzoekster een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat zij zich dient te onthouden van het tegen betaling aanbieden of verlenen van diensten op of aan de weg in strijd met het Beleid. Verweerder heeft dit als volgt gemotiveerd. De kroegentochten worden aangemerkt als rondleiding en vallen dus onder de werkingssfeer van artikel 2.50 van de APV en het ontheffingsstelsel. Er is diverse malen geconstateerd dat verzoekster zich niet aan de regels heeft gehouden voor het houden van rondleidingen. Er is dus sprake van overtredingen. Het overtreden van deze regels is vanwege de leefbaarheid in de openbare ruimte ontoelaatbaar. Het belang van een schone en nette openbare ruimte die niet gebruikt wordt voor commerciële doeleinden en het tegengaan van overlast en irritatie, weegt daarbij zwaarder dan verzoeksters belang, aldus verweerder.
6. De constateringen, zoals genoemd onder 4., worden door verzoekster niet betwist. De voorzieningenrechter ziet zich dan ook uitsluitend voor de vraag gesteld of het aanbieden en houden van kroegentochten onder de verbodsbepaling in artikel 2.50, eerste lid, aanhef en onder a, van de APV valt, en zo ja, of het Beleid daar op van toepassing is.
Aanleiding van deze procedure

Kern van het geschil

Oordeel voorzieningenrechter

7.1.1.
Op grond van artikel 2.50, eerste lid, aanhef en onder a, van de APV is het verboden op of aan de weg of het openbaar water tegen betaling diensten aan te bieden of te verlenen voor een werkzaamheid, zoals schoenpoetser, gids, portrettist, fotograaf, bewaker van voertuigen of andere zaken.
7.1.2.
Het aanbieden en houden van kroegentochten valt ook onder deze verbodsbepaling. Voor deze kroegentochten moet worden betaald en zij vinden onder andere plaats (lees: deze dienst wordt verleend) op de openbare weg, namelijk op het moment dat de groep zich van kroeg naar kroeg begeeft, waarmee kroegentochten invloed (kunnen) hebben op de openbare ruimte. Anders dan verzoekster betoogt, is de reikwijdte van deze verbodsbepaling niet beperkt tot het zogeheten ‘proppen’. De tekst van deze verbodsbepaling en de toelichting daarbij biedt voor een dergelijke beperkte reikwijdte geen aanknopingspunten. Verder is van belang dat de kroegentochten aan toeristen worden aangeboden via flyers in hotels en hostels en dat zij van kroeg naar kroeg worden begeleid door een gids.
7.2.1.
Verweerder heeft het Beleid ook op de door verzoekster georganiseerde kroegentochten kunnen toepassen. Immers, een dergelijke soort kroegentocht kan in lijn met het algemeen spraakgebruik aangemerkt worden als rondleiding met gids. Deelnemers worden namelijk van kroeg naar kroeg begeleid. Dat er tijdens deze tocht kroegen en geen (andere) bezienswaardigheden of monumenten centraal staan, maakt anders dan verzoekster betoogt, niet dat er geen sprake is van een rondleiding. Hetzelfde geldt voor het feit dat het grootste deel van de tijd van de kroegentocht binnen in een kroeg wordt doorgebracht. Daarnaast vindt een kroegentocht plaats onder leiding van gidsen. Zij zorgen er voor dat de kroegentocht vlot verloopt, leiden de deelnemers van kroeg naar kroeg, dragen ter herkenning een bepaald T-shirt en maken vooraf met een speech duidelijk aan welke regels de deelnemers zich moeten houden. Of zij tijdens de kroegentocht informatie vertellen over Amsterdam, het Wallengebied of de te bezoeken kroegen, is voor het zijn van gids op zichzelf niet bepalend. Bovendien adverteert verzoekster zelf met de tekst .
7.2.2.
Dat verzoekster al jarenlang kroegentochten houdt en dat over de invulling daarvan meerdere malen concrete afspraken zijn gemaakt tussen verzoekster, de gemeente Amsterdam en de politie, maakt niet dat verweerder niet op enig moment over heeft kunnen gaan tot het vaststellen van het Beleid. Verweerder is immers bevoegd om de wijze van handhaving van artikel 2.50, eerste lid, aanhef en onder a, van de APV neer te leggen in beleidsregels. Deze beleidsregels acht de voorzieningenrechter niet kennelijk onredelijk, gelet op de motivering en toelichting in de ‘Beleidsnotitie Regulering rondleidingen met gids op de wallen’ en de brief van verweerder van 30 januari 2018 aan de gemeenteraad. Verder heeft verweerder in het bestreden besluit gemotiveerd dat de druk op de schaarse en openbare ruimte in het Wallengebied toeneemt en dat dit ook leidt tot overlast bij bewoners en ondernemers. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat volgens het Beleid het aanbieden en houden van kroegentochten niet onmogelijk is, mits voldaan wordt aan de daarin opgenomen regels.
7.3.
Gelet op het bovenstaande valt het door verzoekster aanbieden en houden van kroegentochten onder de in artikel 2.50, eerste lid, aanhef en onder a, van de APV neergelegde verbodsbepaling en onder de reikwijdte van het Beleid. Nu niet in geschil is dat verzoekster zich niet aan de in het beleid opgenomen regels heeft gehouden en niet in het bezit was van ontheffingen, was verweerder bevoegd om over te gaan tot het opleggen van een last onder dwangsom aan verzoekster.
7.4.
Het bezwaar van verzoekster tegen het bestreden besluit heeft bij deze stand van zaken naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen redelijke kans van slagen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
beslissing

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Langeveld, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Lemmens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2019.
griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

_8327120b-ff6a-4c56-8bb2-646ca4a15cb9
1

Algemene Plaatselijke Verordening 2008 (Amsterdam).

_5aaa6ff6-bde5-4652-addc-0dab5118a3fd
2

Op 9 december 2018 en op 5 en 6 januari 2019.

_e17ce412-6585-45db-aa11-be93d2999c66
3

Vgl. de toelichting bij artikel 2.50 van de APV.