Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2019:1685

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-03-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 12-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2019:1685, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 13/148422-18


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/148422-18 (Promis)

Datum uitspraak: 12 maart 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[naam verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres]

ECLI:NL:RBAMS:2019:1685:DOC
nl

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/148422-18 (Promis)

Datum uitspraak: 12 maart 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[naam verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres]
1

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 februari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R. Kloos en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. J.C. Daniëls naar voren hebben gebracht.

Als benadeelde partij is ter terechtzitting verschenen [naam 1] , tezamen met mr. H.S. de Lint. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij, die door de advocaat ter terechtzitting is toegelicht. Ook heeft [naam 1] gebruik gemaakt van het spreekrecht.

2

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 22 januari 2018 te Uithoorn heeft schuldig gemaakt aan het voorzaken van een verkeersongeval met dodelijke afloop.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4

4.1
Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte dient te worden veroordeeld voor het primair aan hem ten laste gelegde. Volgens de officier van justitie is er sprake van zeer onvoorzichtig rijgedrag waardoor het slachtoffer [naam 2] (hierna: fietser) is komen te overlijden. Verdachte heeft de bocht dusdanig afgesneden dat hij op de weghelft van tegemoetkomend verkeer is beland, terwijl hij wist dat zich daar een fietser kon bevinden.
4.2
Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw is van mening dat niet bewezen kan worden dat er sprake is van een zwaarder verwijt dan aanmerkelijke schuld aan het ongeval. Het was donker buiten en verdachte reed 30 á 40 kilometer per uur, waarmee hij dus de daar geldende maximumsnelheid niet overschreed. Hij was gewend die bocht af te snijden en had uitgekeken naar tegemoetkomend verkeer voordat hij de bocht instuurde. Tot op de dag van vandaag weet verdachte niet hoe het mogelijk is dat hij de fietser niet zag. Tot slot voert de raadsvrouw aan dat de fietser zich iets buiten de gesuggereerde fietsstrook bevond.
4.3
Oordeel van de rechtbank

4.3.1.
Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.
Op 22 januari 2018 omstreeks 08:07 uur vond een ongeval plaats op de Amsteldijk Noord te Uithoorn, waar een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur gold en een adviessnelheid van 30 kilometer per uur was gesteld. Het was op dat moment donker buiten. Verdachte reed in zijn personenauto over de rijbaan van de Handelsweg, komende uit de rijrichting van de Amsteldijk Zuid in de richting van de Achterom gaande in de rijrichting van de Amsteldijk Noord. Op beide wegen is één rijbaan. Op de rijbaan waar verdachte reed bevonden zich geen obstakels of omstandigheden die zijn zicht konden belemmeren.

De bocht van de Handelsweg naar de Amsteldijk Noord was aan weerzijden voorzien van bord J2 (bocht naar rechts) dan wel bord J3 (bocht naar links) van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Bij het inrijden van de bocht, vanaf de Handelsweg naar de Amsteldijk Noord, dient elke bestuurder zich zoveel als mogelijk aan de rechterzijde van de weg te bevinden. Dit volgt uit artikel 3 lid 1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

De fietser reed over de Amsteldijk Noord, kwam vanuit de Amsteldijk Zuid en fietste in de richting van de Handelsweg. Hij bevond zich op de rechterzijde van de weg en op zijn fiets brandden zowel de voor- als achter verlichting.

Naar eigen zeggen kende verdachte de bocht omdat hij daar dagelijks reed onderweg naar zijn werk. Onder meer ter zitting heeft hij verklaard dat hij op voornoemde dag in zijn auto door die bocht reed, deze afsneed en daardoor op de weghelft voor tegenliggend verkeer belandde. Dit volgt ook uit het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse (VOA) en de daarbij horende afbeeldingen. Uit het procesdossier volgt niet dat verdachte de aldaar geldende maximumsnelheid overschreed.

In de bocht, op de weghelft van de fietser, zijn de auto van verdachte en de fietser frontaal op elkaar gebotst. Twee dagen later is de fietser aan zijn verwondingen als gevolg van het ongeluk, te weten ernstig hersen- en schedelletsel, overleden in het ziekenhuis.

4.3.2.
Oordeel over het feit

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW), zoals primair is ten laste gelegd, komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Van schuld in de zin van dit artikel is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij wordt opgemerkt dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.
Uit de redengevende feiten en omstandigheden blijkt dat verdachte bij het nemen van de bocht, op de Handelsweg in de richting van de Amsteldijk Noord te Uithoorn, van zijn rechterweghelft is afgeweken naar links en vervolgens deze bocht veel te krap heeft genomen, waardoor hij met zijn voertuig geheel op de linkerweghelft is komen te rijden. Door deze gedraging van verdachte is een aanrijding ontstaan tussen verdachte en een zich op zijn ‘eigen’ rechterweghelft bevindende fietser. De fietser heeft door de aanrijding zodanig zwaar lichamelijk letsel bekomen, dat hij twee dagen aan zijn verwondingen is overleden in het ziekenhuis.

Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat verdachte plaatselijk bekend was. Niet is gebleken dat verdachte met een hogere snelheid heeft gereden dan de plaatselijk toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden door de bocht op de hiervoor beschreven wijze te nemen. Verdachte heeft een ernstige fout gemaakt. Hij had alle ruimte en gelegenheid om de bocht op een normale manier, via de rechter weghelft, te nemen. Als hij dat had gedaan, had de aanrijding niet plaatsgevonden. Verdachte heeft er bovendien onvoldoende op gelet of er zich geen andere verkeersdeelnemers op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer bevonden want hij heeft de fietser niet gezien, ondanks dat deze verlichting voerde. De rechtbank neemt daarbij in ogenschouw dat uit de foto’s van de plaats van het ongeval valt af te leiden dat de bocht overzichtelijk was.

De rechtbank acht het dus aan de aanmerkelijke schuld van verdachte te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor de fietser is overleden. De rechtbank veroordeelt verdachte daarom voor het primair ten laste gelegde. De rechtbank ziet onvoldoende grond om de hierboven genoemde gedragingen als zeer onvoorzichtig te kwalificeren, zoals door de officier van justitie is gevorderd.

5

- terwijl het donker was en- terwijl verdachte ter plaatse bekend was,
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen het primair ten laste gelegde bewezen, namelijk dat verdachte op 22 januari 2018 te Uithoorn, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Amsteldijk Noord, zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen waardoor een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan een ander, genaamd [naam 2] , zodanig zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht dat hij aan de gevolgen daarvan op 24 januari 2018 is overleden,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Amsteldijk Noord, komende uit de richting van de Handelsweg, en gaande in de richting van de Amsteldijk Zuid,

verdachte heeft, in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet zoveel mogelijk rechts gehouden, immers heeft hij de fietsstrook van de Amsteldijk Noord voor fietsers in de tegengestelde richting bereden,

verdachte heeft zich daarbij niet voldoende vergewist dat die fietsstrook vrij was van enig verkeer,

verdachte is vervolgens tegen [naam 2] , die de fietsstrook bereed - komende uit de richting van de Amsteldijk Zuid en gaande in de richting van de Handelsweg - aangebotst, ten gevolge waarvan die [naam 1] is komen te overlijden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

overwegingen

8

8.1.
Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. Daarnaast heeft hij de rechtbank verzocht verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen te ontzeggen voor de duur van drie jaren.
8.2.
Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met het volgende. Verdachte heeft geen enkele aantekening op zijn strafblad, wat hem een zogenoemd maakt. Hij herbeleeft het ongeluk iedere dag opnieuw en hij trekt zich het ongeluk zeer aan. Verder heeft verdachte zich bekommerd over de nabestaanden en meermaals contact met hen, de politie en de verzekeraar gezocht. Uiteindelijk heeft hij de nabestaanden een brief geschreven. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank geen gevangenisstraf aan verdachte op te leggen. Een deels voorwaardelijke taakstraf vindt zij een passende straf. Daarnaast voert zij aan dat het voor verdachte erg belangrijk is dat hij mag blijven autorijden. Vanaf zijn woning is het anderhalf uur reizen naar zijn werk en bovendien moet hij naar externe partijen in verband met afspraken. Ook bezoekt verdachte zijn moeder in een verzorgingstehuis en zijn lichamelijk en geestelijk gehandicapte broer. Voor die bezoeken heeft hij zijn rijbewijs nodig.
8.3.
Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft op 22 januari 2018 een verkeersongeval veroorzaakt, ten gevolge waarvan [naam 2] is overleden. Verdachte heeft bij het nemen van de bocht, de bocht volledig afgesneden en is zodoende op de weghelft van tegemoetkomend verkeer beland. Aldaar botste hij frontaal op het hem tegemoet fietsende slachtoffer. Deze manier van rijden heeft het slachtoffer het leven gekost. De rechtbank rekent dit verdachte aan als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag.
Uit de verklaring van de (tweeling)broer van het slachtoffer, zoals door hem ter zitting voorgelezen, is duidelijk geworden dat het slachtoffer en zijn broer een bijzondere band hadden en dat het slachtoffer enorm wordt gemist. Verder is ter zitting naar voren gekomen dat de vriendin van het slachtoffer, na het ongeluk, is bevallen van hun zoontje wat betekent dat hun zoontje zonder vader zal opgroeien en zijn vriendin er in al haar verdriet alleen voor staat.

De rechtbank heeft begrepen dat verdachte zich verantwoordelijk voelt voor het ongeluk, dat ook grote gevolgen heeft gehad voor verdachte. De rechtbank begrijpt ook dat hij dit ongeval niet moedwillig heeft veroorzaakt. De strafoplegging sluit dan ook niet aan bij het opzettelijk veroorzaken van de dood van het slachtoffer, maar bij het door onvoorzichtigheid veroorzaken van een ernstig ongeval.

De rechtbank zoekt ten aanzien van de strafoplegging aansluiting bij de oriëntatiepunten zoals deze zijn vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), en die dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging. Volgens deze oriëntatiepunten is het uitgangspunt bij het veroorzaken van een verkeersongeval, waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld aan de zijde van verdachte (die geen alcohol had genuttigd) en het slachtoffer overlijdt, een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 240 uren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van één jaar.

De rechtbank acht, gelet op het verwijt dat aan verdachte kan worden gemaakt, een straf en een bijkomende straf op zijn plaats. Gelet op de ernst van de verweten gedraging en de gevolgen daarvan acht de rechtbank een werkstraf van 240 uur passend en geboden. Zij ziet echter aanleiding een deel van die taakstraf, 60 uren, in voorwaardelijke vorm aan verdachte op te leggen en bepaalt daarbij een proeftijd van twee jaren.

De rechtbank neemt hierbij in ogenschouw dat verdachte werkt. Mede met het oog op de aan de nabestaanden te betalen schadevergoeding is het van belang dat verdachte zijn werkzaamheden blijft verrichten en zodoende inkomen genereert. Een taakstraf van 240 uur zou daaraan in de weg kunnen komen te staan. Bovendien vindt de rechtbank een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van één jaar passend. Deze bijkomende straf is een zware belasting voor verdachte. De rechtbank ziet geen aanleiding om ten aanzien van de ontzegging van de rijbevoegdheid af te wijken van voornoemd oriëntatiepunt. Verdachte heeft gesteld dat een onvoorwaardelijke ontzegging hem bemoeilijkt in het bereiken van zijn werk, maar heeft ook verklaard dat dit niet onmogelijk is. De voornoemde matiging van de werkstraf, wordt naast de volle werkweek van verdachte mede ingegeven door de extra belasting die de ontzegging van de rijbevoegdheid oplevert voor zijn dagelijkse gang naar het werk.

De rechtbank komt tot een lagere straf dan de officier van justitie heeft gevorderd, omdat de rechtbank aanmerkelijke schuld bewezen acht, en niet ernstige schuld.

9

9.1.
Vordering van de benadeelde partij

Hoewel de rechtbank niet beschikt over een ondertekende vordering van de benadeelde partij, is het de rechtbank op zitting duidelijk geworden dat [naam 1] , broer van het slachtoffer, zich als benadeelde partij heeft gesteld. De rechtbank gaat hierbij af op de verklaring ter zitting van de advocaat van de benadeelde partij, inhoudende dat [naam 1] álle kosten heeft gedragen en dat [naam 3] , de moeder van het slachtoffer, geen kosten heeft gedragen.
De benadeelde partij [naam 1] vordert € 32.042,00 aan materiële schadevergoeding en € 2.500,00 aan immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.
9.2.
Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat hij vermoedt dat de verzekeringsmaatschappij van verdachte een groot deel van de kosten op zich zal nemen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de kosten ten aanzien van de begrafenis van het slachtoffer, groot € 4.517,00, toewijsbaar zijn. Datzelfde geldt voor de door de nabestaanden gemaakte vluchten naar Nederland, met uitzondering van de vlucht op 5 januari 2018 omdat deze vlucht plaatsvond voorafgaand aan het ongeluk. De officier van justitie heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de overige gevorderde materiële kosten. Hoewel hij heeft aangegeven niet te twijfelen aan de gemaakte kosten, zijn de gevorderde bedragen onvoldoende onderbouwd. Tot slot is hij van mening dat de verzochte immateriële schadevergoeding, ter hoogte van € 2.500,00, toegewezen dient te worden. Hij verzoekt de rechtbank bij al het voornoemde de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel te bepalen.
9.3.
Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat volgens haar berekening de kosten voor de begrafenis en de crematie € 2.664,00 (€ 195,00 + € 450,00 + € 1.560,00 + € 443,00 + € 16,00) bedragen. Volgens de raadsvrouw dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard ten aanzien van de kostenpost ‘’. Uit de vordering valt niet op te maken welke en hoeveel vakantiedagen zijn opgenomen. Ook de kostenpost ‘’ is onvoldoende onderbouwd. Bovendien is verzocht om een vlucht van 5 januari 2018 te vergoeden. Dit is niet toewijsbaar omdat die vlucht plaatsvond voorafgaand aan het ongeluk. De raadsvrouw heeft verder naar voren gebracht dat de kosten voor ‘’ en ‘’ niet voldoende zijn gemotiveerd. Hoewel in de bijlagen achter de vordering benadeelde partij advocaatkosten zijn opgenomen, begrijpt de raadsvrouw van de advocaat dat deze kosten niet in deze procedure worden gevorderd.De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de benadeelde partij in de posten en niet-ontvankelijk te verklaren. Datzelfde geldt voor de overige kosten ten aanzien van de post .Verdachte heeft aangegeven de immateriële schadevergoeding, ter hoogte van € 2.500,00, te willen betalen.
9.4.
Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De door de benadeelde partij gevorderde materiële schadevergoeding ten aanzien van de begrafenis en crematie is volgens de rechtbank rechtstreeks veroorzaakt door het primair ten laste gelegde feit. De rechtbank begroot deze kosten op € 195,00 plus € 450,00 plus € 1.560,00 plus € 225,35 plus € 217,74 plus € 16,00 is € 2.664,09. De rechtbank zal de benadeelde partij in het overige gedeelte van deze kostenpost niet-ontvankelijk verklaren, nu dat gedeelte is betwist en niet met stukken is onderbouwd. Ten aanzien van de kostenposten en , zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard. Hoewel een hoeveelheid rekeningen en betalingen is overgelegd, is het rechtsreeks verband tussen de bedragen en het feit niet duidelijk geworden. Dit maakt dat de vordering ten aanzien van die kosten onvoldoende onderbouwd is.
Immateriële schade (affectieschade)

Door het overlijden van [naam 2] moet de benadeelde partij zijn broer missen. Het verdriet en leed dat hij hierdoor ondervindt is groot en reëel, maar komt niet voor vergoeding in aanmerking. In het huidige Nederlandse recht is de mogelijkheid voor vergoeding van immateriële schade ten aanzien van het verlies van een dierbare zeer beperkt. Alleen schade bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, zoals onder andere de shockschade, kan onder omstandigheden voor vergoeding in aanmerking komen. Affectieschade valt daar niet onder. Op 10 april 2018 is het wetsvoorstel dat voorziet in de vergoeding van affectieschade door de Eerste Kamer der Staten-Generaal met algemene stemmen aangenomen. Met dit voorstel hebben nabestaanden van overleden slachtoffers en naasten van slachtoffers met ernstig en blijvend letsel als gevolg van bijvoorbeeld een verkeersongeluk, medische fout, bedrijfsongeval of geweldsmisdrijf recht op vergoeding gekregen. Het wetsvoorstel is opgenomen in de Wet affectieschade en is per 1 januari 2019 in werking getreden (Stb 2018, 132). Vergoeding van affectieschade kan echter slechts worden gevorderd in strafzaken met betrekking tot strafbare feiten die zijn gepleegd op of ná 1 januari 2019. Dit betekent dat, hoewel verdachte naar voren heeft gebracht bereid te zijn de immateriële schade te willen vergoeden, de vordering tot vergoeding van € 2.500,- aan immateriële schade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Het bewezenverklaarde feit vond immers op 22 januari 2018 plaats, en dus voor de inwerkingtreding van voornoemde wet. Dit neemt niet weg dat het verdachte vrij staat alsnog aan het verzoek tot vergoeding van de immateriële schade aan de benadeelde partij te voldoen.
Schadevergoedingsmaatregel

In het belang van de benadeelde partij wordt als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde voor een bedrag van in totaal € 2.664,09 (vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening) de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd.
De rechtbank merkt hierbij op dat de benadeelde partij het gedeelte van de vordering dat niet-ontvankelijk is verklaard, eventueel bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen indien partijen (en hun verzekeraars) niet onderling tot een afspraak daarover kunnen komen.

10

De op te leggen straf en bijkomende straf zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht, en op de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

11

­

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het primair bewezen verklaarde levert op:

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van .

Beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van .

Beveelt dat een gedeelte van deze straf, groot , niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij verdachte zich voor het einde van de op bepaalde proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Beveelt dat, als de verdachte het voorwaardelijk deel van de taakstraf bij tenuitvoerlegging niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van .

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van .

Wijst de vordering van [naam 1] toe tot € 2.664,09 (tweeduizend zeshonderdvierenzestig euro en negen cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 1] , € 2.664,09 (tweeduizend zeshonderdvierenzestig euro en negen cent) aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 36 (zesendertig) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A. Spoel, voorzitter,mrs. C.M. Berkhout en M.F. Ferdinandusse, rechters,in tegenwoordigheid van mrs. S.C. van Klaveren en N.B. Mathot, griffiers,en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 maart 2019.
[...]