Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2019:1684

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-03-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 12-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2019:1684, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 13/110580-18


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/110580-18 (Promis)

Datum uitspraak: 12 maart 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] .

ECLI:NL:RBAMS:2019:1684:DOC
nl

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/110580-18 (Promis)

Datum uitspraak: 12 maart 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] .
1

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 februari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. P. Velleman, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.H. Wormhoudt, naar voren hebben gebracht.
2

De tekst van de integrale tenlastelegging, zoals gewijzigd ter zitting, is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4

4.1
Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte dient te worden veroordeeld voor het primair aan hem ten laste gelegde. Volgens de officier van justitie is er sprake van aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Hij brengt hierbij naar voren dat verdachte de bewuste nacht te veel uren aaneen had gewerkt, hij ter plaatse zeer bekend was en er geen zicht belemmerende omstandigheden waren. Bovendien was de kruising goed verlicht, was verdachte een beginnend bestuurder en had hij als professionele verkeersdeelnemer bedacht moeten zijn op fouten van andere weggebruikers. Omdat het donker en regenachtig was en de verkeerslichten waren uitgeschakeld, had verdachte extra behoedzaam moeten zijn. Verdachte heeft de aldaar geldende maximumsnelheid overschreden, is met onverminderde snelheid en zonder voorrang te verlenen de kruising opgereden. Hoewel [slachtoffer] (hierna: fietser) waarschijnlijk zonder verlichting fietste, had verdachte hem volgens de officier van justitie kunnen zien doordat de fiets was voorzien van reflecterende banden. Gelet op de snelheid van de auto van verdachte en de reflecterende voorband van de fiets, moet het licht van zijn koplampen via de voorband van de fiets rechtstreeks in de ogen van verdachte gereflecteerd hebben. Verdachte had ruim de tijd en gelegenheid om de fietser te zien fietsen. Als gevolg van het handelen van verdachte vond een ongeluk plaats. Hieraan heeft de fietser zwaar lichamelijk letsel overgehouden.
4.2
Standpunt van de verdediging

Volgens de raadsman kan het letsel van de fietser worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel. De raadsman is evenwel van mening dat zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde niet bewezen kan worden verklaard en voert daarvoor het volgende aan. Hoewel vaststaat dat verdachte geen voorrang heeft verleend, kan niet worden gesproken van een strafbaar feit. Verdachte heeft blijkens het proces-verbaal VerkeersOngevalAnalyse (VOA) 43 kilometer per uur gereden, en dus niet harder dan de aldaar geldende maximumsnelheid. Bovendien liet verdachte gas los bij het naderen van het kruispunt en staat geenszins vast dat hij te veel uren achter elkaar werkzaam was in zijn taxi. De fietser voerde geen verlichting, de kruising was onverlicht, het was donker buiten en het regende. De reflecterende voorband van de fietser kan verdachte nooit hebben gezien.
4.3
Oordeel van de rechtbank

4.3.1.
Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.
Op 27 maart 2016 omstreeks 05:40 uur vond in Amsterdam op de kruising van het Naussauplein en de Nassaukade een aanrijding plaats tussen een personenauto en een fietser. Deze fietser, [slachtoffer] , hield hieraan ernstig letsel over, waaronder een schedelfractuur, een aangezichtsfractuur en contusiehaarden frontaal. Als gevolg van dit letsel is een operatie aan de schedel nodig geweest en heeft het slachtoffer langdurig moeten revalideren.

Verdachte, in hoedanigheid als beroepschauffeur (taxichauffeur), bestuurde de personenauto. Hij is aan te merken als beginnend bestuurder. Het was op het moment van het ongeluk donker buiten, het regende, het wegdek was nat en de wegverlichting brandde. Komend vanuit de richting van het Frederik Hendrikplantsoen, reed verdachte over de Nassaukade in de richting van de Houtmankade.

Het Nassauplein was als voorrangsweg aangeduid middels borden volgens Model B1 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met dien verstande dat bestuurders op het Nassauplein voorrang hadden. Voor bestuurders die over de Nassaukade deze voorrangsweg naderden werd dit kenbaar gemaakt door aldaar een kort voor het kruispunt duidelijk zichtbaar geplaatst bord volgens Model B6 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

Het verkeer op voornoemd kruispunt werd geregeld door een verkeersregelinstallatie. Deze installatie was ten tijde van het ongeval buiten werking. De wettelijk toegestane maximumsnelheid ter plaatse bedroeg 50 kilometer per uur. Uit een berekening volgt dat verdachte ongeveer 43 kilometer per uur reed. Tijdens zijn verhoor bij de politie heeft hij verklaard dat hij voor zijn gevoel ongeveer 60 kilometer per uur reed en met onverminderde snelheid de kruising opreed. Ter zitting heeft verdachte naar voren gebracht dat hij gas losliet toen hij de kruising naderde en dat hij goed bekend is met de verkeerssituatie ter plaatse. Vanuit verdachte bezien kwam de fietser van links, waarop verdachte op de fietser is gebotst. De fiets is na de aanrijding aangetroffen met uitgeschakelde verlichting. Uit het dossier valt niet op te maken dat iemand de verlichting van de fiets heeft uitgeschakeld na het ongeval.

4.3.2.
Oordeel over het feit

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW), zoals primair is ten laste gelegd, komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Van schuld in de zin van dit artikel is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.
Uit de redengevende feiten en omstandigheden blijkt dat verdachte op het moment van het oversteken van de kruising voorrang had moeten verlenen aan de, vanuit hem bezien, van links komende fietser. Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat verdachte de maximumsnelheid heeft overschreden, nu hij volgens de berekeningen in de VOA ongeveer 43 kilometer per uur reed. Van deze omstandigheid in de tenlastelegging wordt verdachte vrijgesproken.

Door het echter niet verlenen van voorrang ontstond er een botsing tussen beiden. Ongeacht of verdachte nu gas los heeft gelaten, zoals hij ter zitting heeft verklaard, of met onverminderde snelheid de kruising overstak, zoals hij eerder bij de politie heeft verklaard, staat voor de rechtbank vast dat hij vaart heeft geminderd om veilig de kruising te kunnen oversteken. Daarbij gaat de rechtbank er vanuit dat zijn snelheid zeker niet beduidend lager dan de 43 (inschatting VOA) kilometer per uur zal hebben gelegen. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de verkeerssituatie aldaar goed kent en dus bekend is met de specifieke gevaren van betreffend kruispunt. Dit kruispunt kent vele rij- en fietsstroken en voetgangersoversteekplaatsen, waarbij het verkeer uit allerlei verschillende richtingen kan komen. Overdag wordt dit kruispunt bediend door verkeerslichten. Kortom: een onoverzichtelijk kruispunt, zeker wanneer het donker en regenachtig is. Hoewel niet is vast te stellen dat de fietser verlichting voerde, rust op de bestuurder van een auto altijd de zorgplicht om zich, zeker bij een voorrangsweg, te vergewissen van andere verkeersdeelnemers. Verder dient men erop bedacht te zijn dat verkeersdeelnemers zonder verlichting kunnen lopen, fietsen of rijden. Bovendien brandde de wegverlichting en brengt het fietsen zonder verlichting niet met zich dat de fietser in het geheel niet zichtbaar was.

Gezien al bovengenoemde omstandigheden was gas loslaten onvoldoende om zich te vergewissen van voorrangsverkeer en reed verdachte te hard voor de daar geldende verkeerssituatie. Het is in het verkeer niet voldoende om alleen maar niet harder te rijden dan de in het algemeen ter plaatse geldende maximum snelheid. Een verkeersdeelnemer moet zijn snelheid aanpassen aan de specifieke situatie en, aangekomen bij een onoverzichtelijk kruispunt met slecht zicht zonder werkende verkeerslichten, dus langzaam en behoedzaam die kruising naderen en daarbij bedacht zijn op mogelijke verrassingen, waaronder fouten van andere verkeersdeelnemers. De rechtbank is van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden door de kruising op de hiervoor beschreven wijze over te steken. Verdachte heeft een grove fout gemaakt en er onvoldoende op gelet of er zich voorrangsverkeer op de weg bevond. Als gevolg van die fout heeft de aanrijding plaatsgevonden. Het letsel dat het slachtoffer hieraan heeft overgehouden kwalificeert de rechtbank, net als de officier van justitie en de raadsman, gezien de aard, de ernst en de langdurigheid van het herstel, als zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank acht het primair ten laste gelegde dus bewezen, waarbij de rechtbank bewezen acht dat sprake is van aanmerkelijke schuld van verdachte en zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer.

5

- terwijl het regende en de weg vochtig was,- terwijl het donker was,- terwijl verdachte beginnend bestuurder was,
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. vervatte bewijsmiddelen het primair ten laste gelegde bewezen, namelijk dat verdachte

op 27 maart 2016 te Amsterdam, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, in de hoedanigheid van beroepschauffeur, daarmee rijdende over de Nassaukade en het Nassauplein zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen zodat een ander, genaamd [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedelfractuur, een aangezichtsfractuur en contusiehaarden, werd toegebracht

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Nassaukade, komende uit de richting van het Frederik Hendrikplantsoen, en gaande in de richting van de Houtmankade,

verdachte is een op het Nassauplein gelegen oversteekplaats voor voetgangers en fietsers genaderd, welke werden aangegeven middels een in zijn verdachtes rijrichting gekeerd bord B6 Bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990,

verdachte heeft zich daarbij niet voldoende vergewist en is zich niet voldoende blijven vergewissen dat de Nassaukade en het Nassauplein vrij was van enig (kruisend) verkeer,

verdachte is niet gestopt en heeft [slachtoffer] die, gezien zijn, verdachtes rijrichting, doende was om dat Nassauplein van links naar rechts over te steken, geen voorrang verleend,

waarna vervolgens verdachte en zijn personenauto tegen die [slachtoffer] is aangebotst, waardoor aan deze [slachtoffer] vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

overwegingen

8

8.1.
Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 150 uren. Daarnaast heeft hij de rechtbank verzocht verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen te ontzeggen voor de duur van zes maanden. De officier van justitie heeft er bij zijn eis rekening mee gehouden dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.
8.2.
Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt dat bij een eventuele strafoplegging rekening dient te worden gehouden met het tijdsverloop. Verder verzoekt de raadsman de rechtbank niet over te gaan tot oplegging van een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen. Hij vindt dat de rechtbank kan volstaan met een voorwaardelijke ontzegging voor de duur van negen maanden.
8.3.
Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft op 27 maart 2016 een verkeersongeval veroorzaakt, ten gevolge waarvan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen. Verdachte heeft bij het oversteken van de kruising geen voorrang verleend en onvoldoende afgeremd gelet op de verkeerssituatie. De rechtbank rekent dit verdachte aan als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gedrag.

Uit de berichtgeving van het Slachtofferloket van het Openbaar Ministerie, emailbericht van 7 februari 2019, volgt dat het slachtoffer na het incident enkele weken in coma heeft gelegen, waarna hij aan aantal maanden in een revalidatiecentrum in Utrecht verbleef. Omdat zijn voorhoofd was gebroken is door middel van een bottransplantatie nieuw bot in zijn voorhoofd geplaatst. Ook had hij botten in zijn (boven)rug gebroken. Het slachtoffer heeft epilepsie opgelopen, zijn korte termijn geheugen is aangetast en hij kan niet meer op zichzelf wonen. Zijn is broer is na het ongeval uit Pakistan overgekomen en zorgt tot op de dag vandaag voor het slachtoffer.

Duidelijk is geworden dat verdachte zich verantwoordelijk voelt voor het ongeluk. De rechtbank begrijpt dat het ongeval ook grote gevolgen heeft gehad voor verdachte en twijfelt er niet aan dat hij dit ongeval niet moedwillig heeft veroorzaakt. De strafoplegging sluit dan ook niet aan bij het opzettelijk aanrichten van het leed van het slachtoffer, maar bij het door onvoorzichtigheid veroorzaken van een ernstig ongeval.

De rechtbank hecht bij de strafoplegging belang aan de oriëntatiepunten zoals deze zijn vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), en die dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging. Volgens deze oriëntatiepunten is het uitgangspunt bij het veroorzaken van een verkeersongeval, waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld aan de zijde van verdachte (die geen alcohol had genuttigd) en zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer, een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 120 uren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden.

De rechtbank acht, gelet op het verwijt dat aan verdachte kan worden gemaakt, een straf en een bijkomende straf op zijn plaats. Gelet op de ernst van de verweten gedraging en de gevolgen daarvan acht de rechtbank een werkstraf van 120 uur passend en geboden. Bovendien vindt de rechtbank als uitgangspunt een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden passend. Zij ziet echter aanleiding in dit geval deze bijkomende straf in voorwaardelijke vorm aan verdachte op te leggen en bepaalt daarbij een proeftijd van twee jaren. Het ongeluk is bijna drie jaren geleden gebeurd. De rechtbank constateert echter dat geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van berechting. Hoewel verdachte op 27 maart 2016 in verzekering is gesteld, is hem per brief op 7 juni 2018 te kennen gegeven dat het Openbaar Ministerie voornemens was hem te vervolgen en geldt die datum als startdatum voor de redelijke termijn. Dat neemt niet weg dat het tijdverloop sinds het ongeval aanzienlijk is en daar houdt de rechtbank bij het bepalen van de straf wel in het voordeel van verdachte rekening mee.

9

De op te leggen straf en bijkomende straf zijn gegrond op de artikelen 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht, en op de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

beslissing

10

­
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5. is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van , met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van .

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van .

Beveelt dat een gedeelte, groot van deze bijkomende straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A. Spoel, voorzitter,mrs. C.M. Berkhout en M.F. Ferdinandusse, rechters,in tegenwoordigheid van mrs. S.C. van Klaveren en N.B. Mathot, griffiers,en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 maart 2019.
[(...)]

_eebee1b4-fbce-4a5a-827c-ec0b303cca8d
1

Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

_f5988b78-b5c8-4ec7-a064-4736ab580e86
2

Proces-verbaal aanrijding misdrijf, 5 december 2016, p. 1.

_7d61d968-c721-4f6b-ad8e-1ca9bbca83d6
3

Letselverklaring betreffende [slachtoffer] , opgesteld door geneeskundige [geneeskundige] op 18 april 2016, p. 19.

_e5bb02b2-facb-4100-b94f-f6f8f093eb50
4

De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting op 26 februari 2019.

_a146787c-17de-4aa8-bd1a-33117295089a
5

Een geschrift, te weten een uittreksel waaruit de datum van eerste afgifte van het rijbewijs van verdachte volgt, p. 33.

_3dc7bed4-f100-4385-8ecb-c493dd7ac1a4
6

Proces-verbaal aanrijding misdrijf, 5 december 2016, p. 1.

_b6b337e2-a539-4218-97f6-6810e94888d3
7

Proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op 7 april 2016 (hierna: VOA), p. 42.

_bef68ebf-d6f4-43a7-b838-902803004c9e
8

VOA, p. 41.

_878546a4-562e-4137-b1bf-98ca748f1ac1
9

VOA, p. 41.

_af540bd8-0097-462c-8ea1-8db363162260
10

VOA, p. 52.

_0200a35f-7db8-4e04-85e3-f8addede34cb
11

Proces-verbaal verhoor verdachte van 27 maart 2016, p. 9.

_27faac69-3e5e-4134-afc2-227ce0906696
12

De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting op 26 februari 2019.

_7fefb9d6-2021-449a-a73f-d54692e03b97
13

VOA, p. 41.

_9b447ff5-d7a3-4463-a2ec-8f10bc014f3e
14

VOA, p. 47.