Uitspraak ECLI:NL:OGHACMB:2020:16

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-02-2020. De uitspraak is gedaan door Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba op 12-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:OGHACMB:2020:16, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is AUA201903184


Bron: Rechtspraak

Uitspraak van 12 februari 2020BBZ nr. AUA201903184

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de Landsverordening beroep in belastingzaken van:
[Belanghebbende]

belanghebbende,
gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN

de Inspecteur.

ECLI:NL:OGHACMB:2020:16:DOC
nl

Uitspraak van 12 februari 2020BBZ nr. AUA201903184
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de Landsverordening beroep in belastingzaken van:
[Belanghebbende]

belanghebbende,
gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN

de Inspecteur.
procesverloop

1

1.1
Aan belanghebbende is met dagtekening 31 januari 2019 een aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 2014 opgelegd naar een belastbaar inkomen van Afl. 86.315, resulterend in een verschuldigd belastingbedrag van Afl.1.126.
1.2
Belanghebbende heeft op 7 januari 2019 bezwaar gemaakt tegen de aanslag.
1.3
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 augustus 2019 de aanslag gehandhaafd.
1.4
Belanghebbende heeft op 17 september 2019 beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. Hierbij is een bedrag aan griffierecht betaald van Afl. 25.
1.5
De Inspecteur heeft op 23 oktober 2019 een verweerschrift ingediend.
1.6
Op verzoek van het Gerecht heeft de Inspecteur op 8 januari 2020 een nader stuk ingediend.
1.7
De Inspecteur heeft op 8 januari 2020 ambtshalve de aanslag verminderd tot een bedrag van Afl. 1.071.
1.8
De zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2020 te Oranjestad. Belanghebbende is verschenen. Namens de Inspecteur is verschenen [de Inspecteur].
2

2.1
Belanghebbende is geboren op [geboortedatum]. In het onderhavige jaar 2014 is belanghebbende ingezetene van Aruba.
2.2
Belanghebbende heeft in het verleden bij Goudse Levensverzekeringen NV in Nederland een lijfrenteverzekering aangekocht. De uitkering vindt plaats tijdens een vooraf overeengekomen termijn en is aangevangen in 2011.
2.3
Belanghebbende heeft in 2014 uit Nederland een ABP-pensioen en voornoemde lijfrente-uitkering genoten. Uit Curaçao heeft belanghebbende een AOV-uitkering genoten. De echtgenote van belanghebbende heeft uit Nederland een AOW-uitkering genoten en uit Curaçao een AOV-uitkering.
2.4
Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur het belastbaar (wereld)inkomen als volgt berekend:-Pensioen ABP Nederland (32.848 euro) Afl. 78.461-Lijfrente-uitkering Goudse (6.372 euro) 9.458-AOV-uitkering Curaçao 774-kosten 86.383-AOW-uitkering Nederland echtgenote 2.037-AOV-uitkering Curaçao echtgenote 1.176-kosten 3.056-persoonlijke lasten -/- 681-ouderenaftrek
Belastbaar (wereld)inkomen 86.315

2.5
De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag inkomstenbelasting aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verleend ter zake van het ABP-pensioen. De daarvoor gemaakte berekening is evenwel onjuist gebleken. Daarom heeft de Inspecteur nadien ambtshalve de aanslag verminderd tot een bedrag van Afl.1.071.
3

3.1
In geschil is of de Inspecteur de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting juist heeft berekend. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.
3.2
Verder betoogt belanghebbende dat de Inspecteur hem ten onrechte niet heeft gehoord in de bezwaarfase.
3.3
Belanghebbende concludeert tot vermindering van de aanslag. De Inspecteur concludeert tot handhaving van de aanslag zoals deze ambtshalve door hem is verminderd.
overwegingen

4

Ontvankelijkheid bezwaar
4.1
In artikel 17, lid 1, van de Algemene landsverordening belastingen (hierna: ALB) is bepaald dat degene die bezwaar heeft tegen een hem opgelegde belastingaanslag, binnen twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet een gemotiveerd bewaarschrift kan indienen bij de Inspecteur.
4.2
Het onderhavige aanslagbiljet is gedagtekend op 31 januari 2019. Het bezwaar is ingediend op 7 januari 2019, dus vóór de dagtekening van de aanslag. In dat geval blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien de aanslag ten tijde van het indienen van het bezwaar reeds tot stand was gekomen (GEA Aruba 7 januari 2019, nr. AUA201801879, ECLI:NL:OGEAA:2019:1). Daarvan is in dit geval sprake. Gelet hierop is het bezwaar ontvankelijk.
Hoorplicht

4.3
Op grond van artikel 18, lid 5 ALB wordt de belanghebbende in de bezwaarfase gehoord als hij daar om heeft verzocht. In het onderhavige geval heeft belanghebbende niet verzocht te worden gehoord. Van een schending van de hoorplicht is derhalve geen sprake.
Samentelling inkomsten

4.4
Vaststaat dat belanghebbende het hoogste persoonlijke arbeidsinkomen heeft. Op grond van artikel 20 Landsverordening inkomstenbelasting (hierna: LIB) heeft de Inspecteur de AOW- en AOV-uitkering van de echtgenote dan ook terecht bij belanghebbende in aanmerking genomen.
Voorkoming dubbele belastingheffing

4.5
Op grond van artikel 1 in verbinding met artikel 3 LIB worden natuurlijke personen die in Aruba wonen, belast voor hun totale wereldinkomen. Het is daarbij niet van belang waar ter wereld dat inkomen is verkregen. Tot dit wereldinkomen behoren in het onderhavige geval de uit Nederland en Curaçao genoten uitkeringen.
4.6
Belanghebbende stelt dat de lijfrente-uitkering ook in Nederland aan belastingheffing is onderworpen, zodat een situatie ontstaat van dubbele belastingheffing. De Belastingregeling voor het Koninkrijk (hierna: BRK) bevat regels ter voorkoming van dubbele belasting.
4.7
Vaststaat dat de door belanghebbende genoten lijfrente-uitkering niet in enig verband staat tot de vroegere arbeid van belanghebbende. Dit brengt mee dat deze lijfrente-uitkering op grond van artikel 20 BRK ter heffing is toegewezen aan het land van inwoning, dus aan Aruba. Ook de AOW- en AOV-uitkeringen zijn op grond van artikel 20 BRK ter heffing toegewezen aan het land van inwoning, dus aan Aruba (vgl. GEA Aruba 27 mei 2019, ECLI:NL:OGEAA:2019:287). Het is dan aan Nederland respectievelijk Curaçao om ter zake van die inkomsten aftrek ter voorkoming van dubbele belasting te verlenen. Als Nederland en Curaçao dat niet zouden doen, kan dat niet ertoe leiden dat in Aruba geen heffing over deze inkomsten kan plaatsvinden. De Inspecteur heeft deze uitkeringen dan ook terecht in het inkomen begrepen. Hij hoeft ter zake geen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting te verlenen.
4.8
De heffing over het ABP-pensioen komt ingevolge artikel 17, lid 1 en lid 4, BRK toe aan Nederland (vgl. GEA Curaçao 1 maart 2018, ECLI:NL:OGEAC:2018:29). Dit laat onverlet dat Aruba het ABP-pensioen in de heffingsgrondslag van de inkomstenbelasting kan begrijpen. Om dubbele belasting te voorkomen moet van de zijde van Aruba een tegemoetkoming (belastingvermindering) worden verleend. De wijze van tegemoetkoming is geregeld in artikel 24, lid 1, BRK.
4.9
De verschuldigde inkomstenbelasting over het wereldinkomen van belanghebbende van Afl. 86.315 bedraagt Afl. 11.774. Van de zijde van Aruba moet op de voet van artikel 24, lid 1, BRK een belastingvermindering worden verleend ter zake van het uit Nederland genoten ABP-pensioen van Afl. 78.461. Deze vermindering bedraagt (Afl. 78.461 : Afl. 86.315) x Afl. 11.774, ofwel Afl. 10.703. De verschuldigde inkomstenbelasting na de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting bedraagt alsdan Afl. 11.774 minus Afl. 10.703, ofwel Afl. 1.071.
4.10
Gelet op het vorenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard. De aanslag zal worden gehandhaafd zoals deze ambtshalve door de Inspecteur is verminderd tot een bedrag van Afl. 1.071.
5

5.1
Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten, nu niet is gebleken van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Zo heeft belanghebbende zelf het beroepschrift geschreven en ingediend. Van door een derde beroepsmatig verleende bijstand is dus geen sprake.
5.2
Wel dient de Inspecteur op grond van artikel 18, lid 4, Landsverordening beroep in belastingzaken, het betaalde griffierecht van Afl. 25 aan belanghebbende te vergoeden.
6

Het Gerecht:
- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt de uitspraak op bezwaar;- handhaaft de aanslag zoals deze ambtshalve is verminderd tot een aanslag van Afl. 1.071;- draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van Afl. 25 te vergoeden.
1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak; 2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende: a. de naam en het adres van de indiener,b. de dagtekening,c. waartegen u in beroep komt, d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
- natuurlijke personen: Afl. 75 - personenvennootschappen en rechtspersonen: Afl. 300
Deze uitspraak is gegeven door mr. dr. A.J.H. van Suilen, rechter, en is uitgesproken op 12 februari 2020, in tegenwoordigheid van de griffier N.N. Noël – van der Biezen BSc.

De griffier, De rechter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………….. aan partijen verzonden.

HOGER BEROEP

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)

J.G. Emanstraat 51

Oranjestad

Aruba

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:
belastinggriffieAUA@caribjustitia.org

Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd: