Uitspraak ECLI:NL:OGHACMB:2019:159

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 16-08-2019. De uitspraak is gedaan door Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba op 12-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:OGHACMB:2019:159, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is AUA2019H00011 en AUA2019H00019


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:OGHACMB:2019:159:DOC
nl

center
100
9c498d36-0817-4a49-8d9b-9823935deb63
16
550
image/png

Uitspraak

AUA2019H00011 en AUA2019H00019

Datum uitspraak: 12 augustus 2019

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

X,

wonend in Aruba,appellant (hierna: belanghebbende),
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (het Gerecht) van 14 december 2018 in de zaken BBZ nrs. AUA201802151 en AUA201802152, in het geding tussen:

belanghebbende

en

de inspecteur der belastingen in Aruba

verweerder (hierna: de Inspecteur).
1.Procesverloop

1.1. Aan belanghebbende zijn met dagtekening 31 maart 2017 voor het jaar 2012 aanslagen opgelegd in de inkomstenbelasting en premies AZV.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de voor het jaar 2012 opgelegde aanslagen op 5 april 2017 bezwaar gemaakt.

1.3. De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar met dagtekening 26 april 2018 de aanslagen gehandhaafd. Belanghebbende is op 17 juli 2018 tegen die uitspraken in beroep gekomen bij het Gerecht.

1.4. Bij uitspraak van 14 december 2018 heeft het Gerecht het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.

1.5. Belanghebbende heeft bij brief van 15 januari 2019, ontvangen op 16 januari 2019 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van het Gerecht. De Inspecteur heeft met dagtekening 14 maart 2019 een verweerschrift in hoger beroep ingediend.

1.6. Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van het Gerecht ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.1.7. Het Hof heeft de zaak ter zitting te Oranjestad behandeld op 20 mei 2019, waar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede A, namens de Inspecteur. Ter zitting is tevens behandeld het hoger beroep van B met de zaaknummers AUA2019H00012 en 2019H00020. Wat in de ene zaak is aangevoerd en overgelegd, geldt als tevens te zijn aangevoerd en overgelegd in de andere zaak.
2

2.1
De onderhavige aanslagen zijn met dagtekening 31 maart 2017 aan belanghebbende opgelegd. Belanghebbende heeft daartegen op 5 april 2017 bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft daarop met dagtekening 26 april 2018 uitspraak gedaan.
2.2.
Belanghebbende is op 19 mei 2018 met het bestaan en de inhoud van de uitspraak op bezwaar bekend geworden. Op 17 juli 2018 heeft belanghebbende daartegen bij het Gerecht beroep ingesteld.
3

3.1.
In hoger beroep is in geschil of belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard in zijn beroep tegen de uitspraken op bezwaar met dagtekening 26 april 2018.
3.2.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij – zo begrijpt het Hof – ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard in zijn beroep.
3.3.
De Inspecteur is van mening dat belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard in zijn beroep en voor het overige dat de aanslagen tot de juiste bedragen zijn vastgesteld.
3.4.
Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede op wat zij ter zitting hebben bijgebracht.
3.5.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van het Gerecht en – naar het Hof begrijpt – tot terugwijzing naar het Gerecht voor de inhoudelijke behandeling van de door belanghebbende aangevoerde beroepsgronden. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van het Gerecht.
overwegingen

4

4.1.
Ook in hoger beroep staat vast dat belanghebbende het beroepschrift buiten de wettelijke termijn van twee maanden (artikel 19, eerste lid, van de Algemene landsverordening belastingen) bij het Gerecht heeft ingediend. Vaststaat voorts dat belanghebbende in ieder geval op 19 mei 2018 met het bestaan en de inhoud van de uitspraken op bezwaar bekend is geworden. Op laatstgenoemde datum was de wettelijke beroepstermijn van twee maanden nog niet verstreken. Belanghebbende resteerde op datum ontvangst nog een wettelijke beroepstermijn van vijf weken. In een dergelijk geval is de verwijzing door het Gerecht in haar rechtsoverweging 2.6 naar de aldaar genoemde jurisprudentie en de daaraan gekoppelde termijn van drie weken niet relevant.
4.2.
Als reden voor het niet eerder dan 17 juli 2018 aanwenden van het rechtsmiddel van beroep stelt belanghebbende dat zijn echtgenote B op 24 mei 2018 een ambtshalve vermindering met dagtekening 29 juni 2019 van de aan haar opgelegde aanslag AZV 2012 heeft ontvangen. Hierdoor en door het grote aantal beschikkingen dat belanghebbende in de periode 2012 tot en met 2016 heeft ontvangen, is belanghebbende – zo begrijpt het Hof - in verwarring geraakt omtrent de ingang van de beroepstermijn van twee maanden. Dit standpunt faalt. Daartoe overweegt het Hof dat de uitspraken op bezwaar, waarvan beroep, een duidelijke rechtsmiddelverwijzing bevatten waarin uitdrukkelijk wordt gewezen op een beroepstermijn van maximaal twee maanden na dagtekening. De door belanghebbende aangevoerde gronden voor overschrijding van de beroepstermijn vormen geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 5, vijfde lid, van de Landsverordening beroep in belastingzaken. Ook wat belanghebbende overigens aan klachten heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.
Slotsom

Gelet op al het voorgaande is het hoger beroep ongegrond.
4

1. leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak; 2. onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. waartegen u in beroep komt; d. waarom u het daar niet mee eens bent (de gronden van het beroep).
Het Hof de uitspraak van het Gerecht.

De uitspraak is gedaan door mrs. D. Haan, voorzitter, H.A.J. Kroon en M.G.J.M. van Kempen leden, in tegenwoordigheid van M.M.M. Faro MSc, als griffier. De beslissing is op 12 augustus 2019 in het openbaar uitgesproken.

Afschriften zijn per post/per e-mail op () aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na dagtekening van het afschrift van de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Partijen hebben ook de mogelijkheid hun beroepschrift in te dienen bij de griffie van het Gerecht in Eerste aanleg dat de zaak in eerste aanleg heeft behandeld. De datum van binnenkomst bij de griffie van het lokale Gerecht in Eerste aanleg is in dat geval bepalend voor de vraag of het beroep tijdig is ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.