Uitspraak ECLI:NL:OGHACMB:2019:110

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-06-2019. De uitspraak is gedaan door Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba op 11-06-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:OGHACMB:2019:110, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is AR 79267/2016 – CUR201601396 en CUR2018H00100


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:OGHACMB:2019:110:DOC
nl

Burgerlijke zaken over 2019 Vonnis no.:Registratienummers: AR 79267/2016 – CUR201601396 en CUR2018H00100Uitspraak: 11 juni 2019
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIEvan Aruba, Curaçao, Sint Maarten envan Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S

in de zaak van:

[APPELLANTE],
wonende in Curaçao,oorspronkelijk eiseres, thans appellante, gemachtigde: mr. A.W.P. Eustatius,
tegen

[GEÏNTIMEERDE],
wonende in Curaçao,oorspronkelijk gedaagde, thans geïntimeerde, gemachtigde: mr. E.E. Palm-Meyer.
Partijen worden hierna [appellante] en [geïntimeerde] genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1
Bij akte van appel van 29 maart 2018 is [appellante] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 19 februari 2018 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: het Gerecht).
1.2
Bij op 8 mei2018 ingekomen memorie van grieven heeft [appellante] een grief tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en de vorderingen van [appellante] alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.
1.3
Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grief bestreden. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten in hoger beroep.
1.4
Op de daarvoor nader bepaalde dag hebben partijen pleitnotities overgelegd.
1.5
Vonnis is gevraagd en nader bepaald op vandaag.
2. De beoordeling

2.1
In hoger beroep kan worden uitgegaan van het volgende (zie ook rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.5 van het bestreden vonnis).
2.1.2
Bij testament van 28 december 1998 verleden ten overstaan van notaris mr. Palm is [naam 1A] (hierna: [naam 1A]), een dag voor haar overlijden, aan [appellante], haar pleegdochter, gelegateerd “De rechten jegens de grondeigenaar wegens het met hun toestemming op hun grond stichten van de opstal [adres nr]”. [naam 1A] was de weduwe van de in 1987 overleden [naam 4], huurder van de grond waarop het perceel [adres nr] 46 (partijen spreken zowel over [adres nr A] als over [adres nr]) is gelegen. [appellante] heeft de huur na het overlijden van [naam 1A] voortgezet tegen een huurprijs van NAf 315,- per jaar.
2.1.3
Het pand [adres nr A] betreft bedrijfs-/winkelruimte, die door [appellante] werd verhuurd aan [naam 2] (hierna: [naam 2]) tegen een huur van NAf 3.750,- per maand.
2.1.3
De grond waarop het pand [adres nr A] is gesticht valt in de onverdeelde boedel van [naam 3].
2.1.4 [
geïntimeerde] treedt in en buiten rechte op als een van de rechthebbenden in de onverdeelde boedel van [naam 3]. Zij is door de overige rechthebbenden gemachtigd om verweer te voeren in de onderhavige procedure.
2.1.5
Bij deurwaardersexploot van 25 juni 2009 hebben de erven [naam 3] aan [appellante] onder meer de huur opgezegd van het perceel [adres nr A]. In de mede bij dit exploit betekende brief van mr. E.E. de Palm-Meyer van 25 juni 2009 aan [appellante] was die opzegging ook opgenomen, onder gelijktijdig verzoek om het gehuurde te ontruimen.
2.5
Bij vonnis van 20 september 2010 in de zaak onder nummer AR 2009/803, aangespannen door [geïntimeerde] tegen [appellante] en [naam 2], heeft het Gerecht [naam 2] gelast om “het perceel [adres nr A]” op Curaçao te ontruimen. In haar vordering jegens [appellante] is [geïntimeerde] niet-ontvankelijk verklaard omdat het Gerecht, in het eindvonnis, heeft geconstateerd dat [appellante] niet was verschenen en dat zij niet behoorlijk was opgeroepen.
2.17 .
De “ontruiming” door [naam 2] vond plaats medio december 2010. Sindsdien hebben de erven [naam 3] het perceel aan [naam 2] verhuurd.
2.2 [
appellante] heeft in deze procedure verzocht haar toestemming te verlenen om kosteloos te procederen en gevorderd dat het Gerecht:- voor recht zal verklaren dat zij de rechtmatige huurster is van het perceel [adres nr]; - voor recht zal verklaren dat zij de rechtmatige bezitster althans houdster is van de opstal gesticht op het perceel [adres nr];- [ geïntimeerde] zal veroordelen om de onrechtmatig geïnde huurpenningen vanaf januari 2013 tot heden terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente;dit alles onder veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding.
2.3
In het bestreden vonnis heeft het Gerecht de vordering afgewezen met veroordeling van [appellante] in de kosten. Het heeft daartoe overwogen dat de rechtsvordering tot nakoming van de huurovereenkomst, waarop alle vorderingen in dit geding zijn gebaseerd, inmiddels was verjaard.
2.4
Dat oordeel wordt in hoger beroep vergeefs bestreden. Daartoe wordt als volgt overwogen.
2.5
De door [appellante] middels verhuur geëxploiteerde opstal was door natrekking, die onmiddellijk en van rechtswege is opgetreden toen de opstal ( een van steen opgetrokken minimarket) werd gesticht, steeds eigendom geweest van de eigenaren van de gehuurde grond. Van het vestigen van een opstalrecht is niet gebleken. Het gebruik dat [naam 4] en later [appellante] van de opstal hebben gemaakt is dan (zo meenden ook de erven [naam] getuige hun brief van 13 juli 1999; productie 5 bij conclusie van dupliek) ontleend aan hun positie als huurders van de grond, een figuur die ook wel bekend staat als “grondhuur”. Het zijn deze rechten die [naam 1A] heeft gelegateerd aan [appellante]. Van bezit van een gepretendeerd opstalrecht is derhalve geen sprake geweest en daarmee is ook verkrijgende verjaring van een dergelijk zakelijk recht door [naam 4] of [appellante] uitgesloten.
2.6
Door het versturen van de opzeggingsbrief van 25 juni 2009, die de deurwaarder aan [appellante] in persoon heeft betekend en de ontvangst waarvan [appellante] ook niet heeft ontkend, en de weigering van nadere betalingen, gevolgd door de feitelijke ontruiming van [naam 2] als (onder)huurder, heeft [geïntimeerde] namens de erfgenamen te kennen gegeven dat de huurovereenkomst wat hen betreft was beëindigd en heeft zij de nakoming daarvan gestaakt door de (onder)huurder van [appellante] te ontruimen, hetzij fysiek hetzij door haar een nieuw huurcontract als hoofdhuurder aan te bieden welk aanbod [naam 2] ook heeft aanvaard.
2.7
De vordering van [appellante] om de nakoming te hervatten werd daarmee opeisbaar zodat de verjaringstermijn van die vordering op dat moment, uiterlijk december 2010, is gaan lopen (artikel 3:307 BW). Dat geldt ook voor de vordering [appellante] tot opheffing van een onrechtmatige toestand (artikel 3:314 BW).
2.8 [
appellante] was op dat moment ook in staat om deze vorderingen geldend te maken. Zij wist van de opzegging en het voornemen van de erven [naam] om de opstal zelf te gaan verhuren. Zij heeft ook gemerkt dat [naam 2] geen huur meer aan haar betaalde. [appellante] voert weliswaar aan dat er op “gegeven moment” een geschil bestond tussen haar en [naam 2] waardoor laatstgenoemde de huur niet betaalde, en [appellante] met [naam 2] heeft afgesproken hierover te praten wanneer zij weer in Curaçao was, maar die stelling is, waar het gaat om de tijdsbepaling te weinig specifiek. Het is ook niet direct aannemelijk dat [appellante] en [naam 2] (ook naar aanleiding van de ontruimingsprocedure) geen enkel contact meer hebben gehad en als dat wel zo is, komt het, gelet op de voorgeschiedenis voor rekening van [appellante] dat zij de zaken zo op hun beloop heeft gelaten. [appellante] heeft van deze stellingen ook geen tegenbewijs aangeboden wat gelet op het voorshands aannemelijke standpunt van [geïntimeerde] wel op haar weg had gelegen. Dat [appellante] pas in 2013 heeft ontdekt dat [naam 2] inmiddels aan [geïntimeerde] betaalde is dan niet ter zake dienend; het gaat er immers om dat zij wist dat [naam 2] niet meer aan haar betaalde en dat de erven [naam] de huurovereenkomst niet meer nakwamen. Overigens geldt ook hier dat [appellante] niet heeft aangeboden haar stelling te bewijzen. Opvallend is ten slotte ook dat [appellante] na 2009 geen pogingen meer heeft gedaan de huur te betalen.
2.9
Dat [appellante] nog tegen de opzeggingsbrief van 25 juni 2009 heeft geprotesteerd, nadat de door haar op 29 juni 2009 aangeboden cheque was geweigerd, blijkt nergens uit en een bewijsaanbod ontbreekt. Datzelfde geldt voor de stelling dat [appellante] in 2013, nadat zij had ontdekt dat [naam 2] aan [geïntimeerde] betaald, meteen [geïntimeerde] heeft aangeschreven. In het dossier zit alleen een brief van 9 februari 2016, derhalve meer dan vijf jaar na aanvang van de verjaringstermijn(en). Andere handelingen waarmee de verjaring zou kunnen zijn gestuit, heeft [appellante] niet gesteld.
2.10
De rechtsvordering tot nakoming van de huurovereenkomst was daarmee, zoals ook het Gerecht heeft geoordeeld, verjaard toen [appellante] deze op 14 juni 2016 jegens [geïntimeerde] instelde en dat geldt ook voor de rechtsvordering ex artikel 3:314 BW. Of [geïntimeerde], die [appellante] kennelijk (sedert 2000; zie conclusie van repliek blz. 1 en de aan die conclusie gehechte producties) heeft aanvaard als degene aan wie zij de huur moest betalen en die haar het feitelijk genot van de zaak heeft verschaft en ontnomen, daadwerkelijk een erfgename is van [naam 3], althans dat zij de bevoegdheid had om namens de erven te handelen, behoeft dan niet meer nader te worden onderzocht. Overigens is gesteld noch gebleken dat de erven [naam] [appellante] nog steeds als huurster van de grond beschouwen of dat [appellante] hen heeft benaderd om de in haar ogen onrechtmatige interventie van [geïntimeerde] terug te draaien.
2.11
Hierop stuiten alle vorderingen af. Aannemelijk is dat ook een eventuele vordering van [appellante] als “grondhuurster” tot vergoeding van de waarde van de opstal, op basis van artikel 6:212 of 6:248 BW (zie recent het vonnis van dit Hof van 14 mei 2019 in de zaak met nummer CUR2018H00033), inmiddels is verjaard, maar die kwestie is in deze procedure verder niet aan de orde. Of het legaat geldig is en of het is afgegeven is dan niet meer van belang.
2.12
Het hoger beroep faalt derhalve en het bestreden vonnis dient te worden bevestigd. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
B E S L I S S I N G

Het Hof:

bevestigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en tot op heden begroot op NAf 6.000,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. M.W. Scholte, F.W.J. Meijer en S.E. Sijsma, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 11 juni 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.