Uitspraak ECLI:NL:OGEAC:2020:8

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-01-2020. De uitspraak is gedaan door Gerecht in eerste aanleg van Curaçao op 10-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:OGEAC:2020:8, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is Cur201804115


Bron: Rechtspraak


GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO[eiseres],de minister van Justitie,

Uitspraak

in het geding tussen:

wonend in Curaçao,eiseres,gemachtigde: de advocaat mr. A.K.H. Ayubi,
tegen:

verweerder,gemachtigden: de advocaat mr. P. Tweeboom.

ECLI:NL:OGEAC:2020:8:DOC
nl

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO[eiseres],de minister van Justitie,
Uitspraak

in het geding tussen:

wonend in Curaçao,eiseres,gemachtigde: de advocaat mr. A.K.H. Ayubi,
tegen:

verweerder,gemachtigden: de advocaat mr. P. Tweeboom.
procesverloop

Procesverloop

Op 17 oktober 2001 heeft eiseres verweerder verzocht om aan haar een verblijfsvergunning te verlenen met als verblijfsdoel gezinshereniging.

Verweerder heeft bij beschikking van 12 april 2002 voormeld verzoek afgewezen.

Daartegen heeft eiseres op 3 mei 2018 bezwaar gemaakt.

Bij beschikking van 22 oktober 2018 heeft verweerder het door eiseres gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard (de bestreden beschikking).

Daartegen heeft eiseres op 5 december 2018 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 24 januari 2019 een verweerschrift ingediend.

Bij beschikking van 14 november 2019 heeft verweerder de beslissing op bezwaar van 22 oktober 2018 ingetrokken en het bezwaar van eiseres wederom niet-ontvankelijk verklaard.

Het Gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 november 2019. Eiseres heeft zich doen vertegenwoordigen door haar gemachtigde en verweerder door mr. Tweeboom.

Overwegingen
1. Aan eiseres zijn na haar verzoek van 17 oktober 2001 om aan haar een verblijfsvergunning te verlenen met als verblijfsdoel gezinshereniging, meerdere vergunningen tot tijdelijk verblijf verleend. De laatst aan haar verleende verblijfsvergunning betreft een vergunning tot tijdelijk verblijf met als verblijfsdoel arbeid. Die vergunning is op 12 februari 2019 verleend en is geldig tot en met 24 oktober 2010.
2. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat eiseres geen procesbelang meer heeft, gelet op de bij beschikking van 12 februari 2019 aan eiseres verleende vergunning tot tijdelijk verblijf.
3. Eiseres meent dat er wel sprake is van procesbelang in verband met het verblijfsgat dat vanaf haar aanvraag van 17 oktober 2001 is ontstaan, dat thans aan verlening van een vergunning voor onbepaalde tijd in de weg staat.
4. Het is vaste jurisprudentie dat in een geval waarin in een procedure over een reguliere verblijfsvergunning een andere reguliere verblijfsvergunning werd verleend, alsdan is bereikt wat eiseres met haar beroep kennelijk nastreeft. De stelling dat eiseres, indien de vergunning alsnog wordt verleend, gezien het tijdsverloop (per direct) om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd kan verzoeken leidt niet tot een ander oordeel, omdat ook dit belang wordt ontleend aan een onzekere, gestelde aanspraak, ter vaststelling waarvan de wetgever niet gewild heeft dat zou worden doorgeprocedeerd, zolang de verleende vergunning geldig blijft.
5. Het Gerecht is van oordeel dat eiseres geen belang meer heeft bij een oordeel over dit beroep. Eiseres beschikt immers over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, zodat zij heeft verkregen wat zij kennelijk met dit beroep nastreefde.
6. Het beroep is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. Het Gerecht ziet geen grond voor vergoeding van het griffierecht dan wel voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten.
beslissing

Beslissing

Het Gerecht:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, rechter in het Gerecht, en uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2020 te Curaçao, in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen na kennisgeving van deze uitspraak. Zie hoofdstuk 5 van de Lar.