Uitspraak ECLI:NL:OGEAC:2019:223

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-10-2019. De uitspraak is gedaan door Gerecht in eerste aanleg van Curaçao op 07-10-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:OGEAC:2019:223, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is CUR201801441


Bron: Rechtspraak

Uitspraak van 7 oktober 2019BBZ nr. CUR201801441

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:
[X] B.V.

belanghebbende,
gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER INVOERRECHTEN EN ACCIJNZEN

de Inspecteur.

ECLI:NL:OGEAC:2019:223:DOC
nl

Uitspraak van 7 oktober 2019BBZ nr. CUR201801441
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:
[X] B.V.

belanghebbende,
gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER INVOERRECHTEN EN ACCIJNZEN

de Inspecteur.
procesverloop

1

1.1
Belanghebbende heeft op 26 september 2017 voor een partij ringbanden en tabbladen een verzoek om vrijstelling van rechten bij invoer ingediend. Dit verzoek is door de Inspecteur afgewezen.
1.2
Belanghebbende heeft op 28 september 2017 bezwaar gemaakt tegen de afwijzing. Daarbij is aangifte gedaan voor de goederen en is een bedrag van NAf 2.761,70 betaald. De Inspecteur heeft op 6 maart 2018 uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar afgewezen.
1.3
Belanghebbende is op 16 maart 2018 bij de Inspecteur in beroep gekomen tegen de uitspraak op bezwaar. De Inspecteur heeft dat beroepschrift op 14 mei 2018 doorgezonden naar het Gerecht. Op 28 juni 2018 heeft belanghebbende wederom een beroepschrift ingediend. Dit beroepschrift is aangemerkt als aanvulling van de eerder ingediende beroepschrift.
1.4
Op 15 februari 2019 heeft belanghebbende een nader stuk ingediend. Een afschrift hiervan is naar de Inspecteur verzonden.
1.5
Belanghebbende heeft een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 150.
1.6
De zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2019 te Willemstad. Aldaar is namens belanghebbende [A] verschenen en namens de Inspecteur [B] en [C].
1.7
De behandeling ter zitting is geschorst om de Inspecteur de gelegenheid te geven zijn zienswijze te geven over de tariefindeling van de door belanghebbende naar de zitting meegebrachte ringband en tabbladen. De Inspecteur heeft op 7 maart 2019 zijn reactie gestuurd. Een afschrift hiervan is naar belanghebbende gestuurd.
1.8
Belanghebbende heeft op 21 maart 2019 een stuk ingediend. De Inspecteur heeft op 11 april 2019 een stuk ingediend. De stukken zijn telkens naar de wederpartij gestuurd.
1.9
De mondelinge behandeling is hervat op de zitting van 27 juni 2019. Aldaar zijn verschenen namens belanghebbende [A] en namens de Inspecteur [B], [D] en [E]. De Inspecteur heeft een pleitnota overgelegd en voorgedragen.
1.10.
Na sluiting van de zitting heeft belanghebbende op verzoek van het Gerecht per e-mail een kopie van de (voorkant van de) ringband en van de tabbladen gestuurd. Een exemplaar hiervan is als bijlage bij deze uitspraak gevoegd.
1.11
Het Gerecht heeft bij tussenuitspraak van 7 augustus 2019, ECLI:NL: OGEAM:2018:13, partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de afzonderlijke waarde van de ringbanden en de tabbladen.
1.12
Bij e-mailbericht van 8 augustus 2019 heeft belanghebbende zich uitgelaten over de waarde. Ondanks de uitnodiging daartoe heeft de Inspecteur zich over de waarde niet uitgelaten. Hierna heeft het Gerecht het onderzoek gesloten.
2

2.1
In de tussenuitspraak van 7 augustus 2019, heeft het Gerecht als volgt geoordeeld. De tabbladen dienen te worden ingedeeld in tariefpost 4901. Daarvoor geldt een heffing van 0% aan invoerrechten. De ringbanden dienen te worden ingedeeld in goederencode 48203000. Daarvoor geldt een heffing van 5.5% aan invoerrechten. Voor de tabbladen en de ringbanden geldt een heffing van 6% aan omzetbelasting.
2.2
Het Gerecht zal slechts in uitzonderlijke gevallen terugkomen van een in een tussenuitspraak gegeven oordeel. Van een uitzonderlijk geval is in dit geval niet gebleken, zodat de in de tussenuitspraak gegeven oordelen als eindbeslissingen kunnen worden opgevat.
2.3
Verder heeft het Gerecht in 4.8 van de tussenuitspraak het volgende overwogen:“Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. De afzonderlijke waarde van de ringbanden en de tabbladen is niet bekend bij het Gerecht. Daarom is het Gerecht niet in staat om op basis van de hiervoor bepaalde goederencodes de verschuldigde rechten bij invoer te bepalen. Het Gerecht zal partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de waarde.”
2.4
Belanghebbende heeft op 8 augustus 2019 een factuur overgelegd van de leverancier ([Y] B.V.) van de ringbanden en de tabbladen (hierna tezamen aangemerkt als: goederen). Op de factuur is – voor zover van belang – het volgende vermeld:
1. DTP kosten ringbanden € 69,00 € 69,001050 Tabbladen 19-delig + voorblad [X] € 3,80 € 3.990,001. DTP kosten tabbladen 1e ronde € 276,00 € 276,001. DTP kosten tabbladen watermerk € 69,00 € 69,001. Transportkosten € 320,00 € 320,00
525 Ringband “[X]” € 3,65 € 1.916,25

Korting over ringbanden 4% € 76,65 € -/- 76,65Korting over tabbladen 4% € 159,60
Totaal € 6.404,00

overwegingen

3

3.1
Belanghebbendes verzoek om vrijstelling van rechten bij invoer is afgewezen. Zij heeft bezwaar aangetekend en daarbij heeft zij aangifte ten invoer gedaan en rechten bij invoer betaald. Het bezwaar tegen de afwijzing van haar verzoek om vrijstelling wordt geacht mede te zijn gericht tegen de betaalde rechten bij invoer. De uitspraak op bezwaar houdt in dit verband tevens in dat het bedrag aan verschuldigde rechten bij invoer wordt gehandhaafd.
3.2
Voor de invoer van de goederen heeft belanghebbende een bedrag van NAf 1.757,40 (10,5%) aan invoerrechten en NAf 1.004,30 (6%) aan omzetbelasting betaald, derhalve in totaal een bedrag van NAf 2.761,70. Uit het overgelegde invoerdocument volgt dat de douanewaarde van de goederen is vastgesteld op een bedrag van NAf 16.737.
3.3
Voor de berekening van de douanewaarde van de ringbanden zal het Gerecht uitgaan van de door belanghebbende overgelegde factuur (zie 2.4). Daaruit volgt dat een bedrag van € 4.335 (€ 3.990 + € 276 + €69), derhalve (afgerond) 70% (4.335/6.084) van het factuurbedrag betrekking heeft op de tabbladen. Gelet daarop stelt het Gerecht de douanewaarde van de tabbladen vast op 70% van NAf 16.737= NAf 11.715. De douanewaarde van de ringbanden stelt het Gerecht vast op NAf 5.022.
Verschuldigde invoerrechten en omzetbelasting

3.4
De verschuldigde invoerrechten voor de tabbladen is nihil. Immers, zoals hiervoor in 2.1 is overwogen geldt voor tabbladen een heffing van invoerrechten van 0%. De verschuldigde invoerrechten voor de ringbanden bedraagt gelet op de hiervoor vastgestelde douanewaarde, NAf 5.022 x 5.5%= NAf 276. Belanghebbende heeft aan invoerrechten betaald NAf 1.757,40, derhalve dient aan haar een bedrag van NAf 1.481,40 te worden gerestitueerd. De verschuldigde omzetbelasting is juist vastgesteld op NAf 1.004,30.
5

5.1
Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten, nu niet is gebleken van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Van door een derde beroepsmatig verleende bijstand is immers niet gebleken.
5.2
Wel dient de Inspecteur op grond van artikel 18, lid 5, Landsverordening op het beroep in belastingzaken, het betaalde griffierecht van NAf 150 aan belanghebbende te vergoeden.
6

Het Gerecht:

1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak; 2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende: a. de naam en het adres van de indiener,b. de dagtekening,c. waartegen u in beroep komt, d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
- natuurlijke personen: NAf 200 - personenvennootschappen en rechtspersonen: NAf 500
-

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover het de handhaving van de verschuldigde invoerrechten betreft;

bepaalt dat belanghebbende ter zake van de invoer van de goederen een bedrag van NAf 276 aan invoerrechten is verschuldigd;

draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van NAf 150 te vergoeden.

Deze uitspraak is gegeven door mr. D.J. Jansen, rechter in dit gerecht, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 oktober 2019, in tegenwoordigheid van de griffier M.M.M. Faro MSc.

De griffier, De rechter,

HOGER BEROEP

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)

Wilhelminaplein 4

Willemstad

Curaçao

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:
belastinggriffieCUR@caribjustitia.org

Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:

center
100
05ab4ff8-54bd-4361-8f60-ddd6ba328e73
23
565
image/png