Uitspraak ECLI:NL:OGEAC:2019:190

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-09-2019. De uitspraak is gedaan door Gerecht in eerste aanleg van Curaçao op 10-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:OGEAC:2019:190, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is CUR201902713


Bron: Rechtspraak


GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAOUitspraak[verzoekster], de MINISTER VAN JUSTITIE,

op het verzoek om een proceskostenvergoeding in de zaak tussen:

wonende in Curaçao,verzoekster,gemachtigden: mrs. G.C.A. Scherperboer-Parris en M. Elzinga-Soumah,
en

verweerder,gemachtigden: mrs. A.C. van Hoof en L.S. Davelaar.

ECLI:NL:OGEAC:2019:190:DOC
nl

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAOUitspraak[verzoekster], de MINISTER VAN JUSTITIE,
op het verzoek om een proceskostenvergoeding in de zaak tussen:

wonende in Curaçao,verzoekster,gemachtigden: mrs. G.C.A. Scherperboer-Parris en M. Elzinga-Soumah,
en

verweerder,gemachtigden: mrs. A.C. van Hoof en L.S. Davelaar.
procesverloop

Procesverloop

Bij beroepschrift, bij het Gerecht ingediend op 29 juli 2019, heeft verzoekster beroep ingesteld tegen de weigering van verweerder om te beschikken op haar aanvraag van 25 maart 2019 om een vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen (de aanvraag).

Bij e-mailbericht van 11 augustus 2019 heeft verzoekster het beroep ingetrokken en het Gerecht verzocht verweerder te veroordelen in de proceskosten.

Verweerder heeft op dit verzoek gereageerd.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Lar wordt onder een beschikking verstaan een schriftelijk besluit van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling die niet van algemene strekking is. Op grond van het tweede lid wordt met een beschikking gelijkgesteld een weigering om een beschikking te geven.
2. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat zij pas na instelling van het beroep op de hoogte is geraakt van de beschikking die verweerder op 5 juli 2019 heeft genomen en die strekt tot inwilliging van de aanvraag (de beschikking). Het beroep was volgens haar dan ook terecht en tijdig ingediend en verweerder moet worden geacht pas daarna aan haar tegemoet te zijn gekomen.
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het verzoek om proceskosten dient te worden afgewezen. Verweerder voert daartoe aan dat de beschikking reeds voor het verstrijken van de vier maanden waarbinnen op de aanvraag moest worden beslist op 5 juli 2019 per e-mail naar de gemachtigde van verzoekster is verzonden. Voorts biedt de Lar volgens verweerder geen grondslag voor terugbetaling van griffierechten na intrekking van het beroep en hij verwijst hierbij naar de uitspraak van het Gerecht van 6 augustus 2019, in de zaaknummers CUR201701831 en CUR201701832.
4. Het Gerecht overweegt dat verzoekster beroep heeft ingesteld tegen de fictieve weigering van verweerder om te beschikken op de aanvraag. Ten tijde van de indiening van het beroepschrift had verweerder reeds op dat verzoek beslist, maar de desbetreffende beslissing was nog niet aan verzoekster bekendgemaakt. Uit de door verweerder overgelegde stukken blijkt immers dat op 5 juli 2019 de beschikking is gemaild [e-mailadres], een onjuist e-mailadres. Pas op 5 augustus 2019 is de beschikking naar het juiste e‑mailadres, [e-mailadres], verstuurd. Verzoekster kon daarom ten tijde van de indiening van het beroepschrift redelijkerwijs menen dat zij beroep moest instellen om te bewerkstelligen dat een beslissing op de aanvraag zou worden genomen. Nu de beschikking pas op 5 augustus 2019 – dus na instelling van het beroep – aan verzoekster op de juiste wijze bekend is gemaakt, moet verweerder worden geacht daarmee aan verzoekster te zijn tegemoetgekomen.Het Gerecht is van oordeel dat verdere behandeling van het verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten niet nodig is en dat op de voet van vermelde bepalingen onmiddellijk uitspraak kan worden gedaan.
5. De slotsom is dat het verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten voor toewijzing in aanmerking komt. Het Gerecht begroot de proceskosten op NAf 175,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, waarde per punt NAf 700,-, wegingsfactor 0,25 in verband met de relatieve eenvoud van de zaak).
6. Verder volgt uit het voorgaande dat verweerder op grond van artikel 17, zesde lid, van de Lar gehouden is aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht te vergoeden. Het Gerecht zal verweerder daarom gelasten het door verzoekster betaalde griffierecht van NAf 150 te vergoeden. Weliswaar wordt het beroep niet gegrond verklaard, maar de, zich hier voordoende, situatie dat wordt ingetrokken omdat tegemoet is gekomen, staat daarmee op één lijn. De uitspraak van 6 augustus jl. van het Gerecht waaraan verweerder refereert, is hiermee niet in tegenspraak. Daar ging het immers niet om een intrekking wegens het tegemoetkomen aan de betrokkene.
Op grond van artikel 16, tweede lid, geldt de dag waarop de beschikking is verzonden of uitgereikt als de dag waarop deze is gegeven.Op grond van artikel 17, zesde lid, wordt aan de indiener van het beroepschrift bij intrekking ervan om redenen dat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan zijn bezwaren is tegemoetgekomen, het door hem gestorte griffierecht vergoed door dat orgaan.Op grond van artikel 50, tiende lid, kan in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de desbetreffende partij is tegemoetgekomen, het betrokken overheidslichaam op verzoek van die partij bij afzonderlijke uitspraak in de proceskosten worden veroordeeld.Op grond van artikel 79, eerste lid, aanhef en onder c, kan het Gerecht onmiddellijk uitspraak doen indien verdere behandeling van het beroepschrift hem niet nodig voorkomt, omdat de bestreden beschikking door het bevoegde bestuursorgaan is ingetrokken of gewijzigd, en daarmee kennelijk aan de bezwaren van de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen.
beslissing

Beslissing


Het Gerecht:

Aldus vastgesteld door mr. D. Haan, rechter in het Gerecht, en bekend gemaakt op 10 september 2019 te Curaçao, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing staat verzet open binnen na de dag van bekendmaking van de uitspraak. Zie artikel 80 van de Lar.

-

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van NAf 175,- (zegge: honderdvijfenzeventig Nederlands Antilliaanse guldens), te betalen aan verzoekster;

draagt verweerder op het betaalde griffierecht van NAf 150,- (zegge: honderdvijftig Nederlands Antilliaanse guldens) aan verzoekster te vergoeden.