Uitspraak ECLI:NL:OGEAC:2019:189

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-09-2019. De uitspraak is gedaan door Gerecht in eerste aanleg van Curaçao op 09-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:OGEAC:2019:189, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is CUR20182390


Bron: Rechtspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS

in de zaak van:

[EISER],

met gekozen woonplaats te Curaçao,eiser,gemachtigde: mr. S.P. Osepa,
tegen

ECLI:NL:OGEAC:2019:189:DOC
nl

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS

in de zaak van:

[EISER],

met gekozen woonplaats te Curaçao,eiser,gemachtigde: mr. S.P. Osepa,
tegen

1

en2. HET LAND CURAÇAO,
wonend respectievelijk gezeteld te Curaçao,gedaagden,gemachtigden: mrs. C.A.D. Jänsch en S.N.I. Francisco.
procesverloop

1

Het procesverloop blijkt uit:- het verzoekschrift van 23 juli 2018- de conclusie van antwoord van 12 november 2018- de conclusie van repliek van 25 maart 2019- de conclusie van dupliek van 24 juni 2019.
Vonnis is bepaald op heden.

2

Het volgende wordt als vaststaand aangenomen:
a. a) [De OvJ] is als officier van justitie verbonden aan het openbaar ministerie (OM) alhier. Hij is in die hoedanigheid onder meer betrokken geweest bij de vervolging van personen die door het OM werden verdacht van betrokkenheid bij de moord op 5 mei 2013 op politicus Helmin Wiels. Eiser, voormalig minister van financiën, is een van die personen.
b) Op 31 maart 2017 werd [naam getuige], het toenmalige (op non-actief gestelde) hoofd van de Veiligheidsdienst Curacao (VDC) door de rechter-commissaris gehoord in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek. Gumbs heeft een voor eiser belastende verklaring afgelegd. Die verklaring hield onder meer in dat een informant van de VDC hem had verteld te hebben waargenomen dat een overvaller van een juwelier in het gezelschap van wijlen [betrokkene 1] met de buit bij eiser kwam, dat eiser geen belangstelling had voor de buit, dat eiser vroeg of de informant Wiels wilde vermoorden, dat de overvaller en [betrokkene 1] later in het gezelschap van [betrokkene 2] bij eiser terugkwamen en dat [betrokkene 2] toen de moordopdracht aanvaardde.
c) In zijn requisitoir van 6 juni 2018 in het hoger beroep in de strafzaak tegen [betrokkene 2] heeft [de OvJ] de verklaringen van [naam getuige] als bewijsmiddel aangedragen.
3

3.1.
Eiser verwijt gedaagden in zijn verzoekschrift dat het OM heeft volhard in het gebruik van de verklaring van [naam getuige] als bewijs in de strafzaak tegen [betrokkene 2], hoewel het OM wist dat de verklaring, waarin eiser als opdrachtgever van de moord op Wiels wordt genoemd, ‘onwaarschijnlijk was en achteraf onverifieerbaar is gebleken en aldus onbetrouwbaar’.
3.2.
Daarmee hebben gedaagden volgens eiser onrechtmatig jegens hem gehandeld door a) inbreuk te maken op eisers eer en goede naam, b) inbreuk te maken op de onschuldpresumptie en c) eisers recht op rechtsbescherming te frustreren. Zij hebben eiser in een situatie gemanoeuvreerd waarbij, weliswaar indirect, in rechte een oordeel over hem werd gevormd zonder dat hem middelen ter beschikking stonden om dat oordeel formeel ongedaan te maken. Zij hebben het eiser onmogelijk gemaakt ‘om zijn recht op rechtsbescherming in te roepen om zich te verweren tegen de aanvallen van het openbaar ministerie op zijn eer en goede naam en de daarmee gepaard gaande onschuldpresumptie’. Materiële en immateriële schade is hiervan volgens eiser het gevolg geweest.
3.3.
Volgens eiser kan aan [de OvJ] persoonlijk een verwijt worden gemaakt van de onrechtmatige gedragingen.
3.4.
Eiser vordert dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
(i) voor recht wordt verklaard dat [de OvJ] en het Land, gezamenlijk en afzonderlijk, onrechtmatig jegens eiser hebben gehandeld;(ii) gedaagden, gezamenlijk en afzonderlijk, wordt gelast de onrechtmatige behandeling te staken.
3.5.
Gedaagden hebben verweer gevoerd. Daarop zal hierna bij de beoordeling waar nodig worden ingegaan.
overwegingen

4

4.1.
Eiser grondt zijn vorderingen op artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek. Ingevolge het eerste lid van dit artikel is hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, verplicht de schade die de ander dientengevolge leidt te vergoeden. Het tweede lid bepaalt dat als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.
4.2.
De vorderingen van eiser stuiten reeds af op het ontbreken van een onrechtmatig karakter van de aan gedaagden verweten gedragingen.
4.3.
Het stond het OM vrij in het requisitoir in de zaak tegen [betrokkene 2] bewijsmiddelen op te voeren, een op die bewijsmiddelen gebaseerd scenario te schetsen en conclusies te trekken zoals dat is gebeurd. Dat in dat scenario ook de rol van derden aan de orde is gekomen, is in een zaak zoals die van de moord op Wiels welhaast onvermijdelijk. Uitgangspunt is dat het OM de mogelijkheid moet hebben ter openbare zitting zijn standpunt omtrent een strafzaak zo overtuigend mogelijk naar voren te brengen, en dat hem een zekere beoordelingsvrijheid toekomt met betrekking tot de wijze waarop dit geschiedt en met betrekking tot de argumenten die daarbij worden aangevoerd (vergelijk Gerechtshof ’s-Gravenhage 30 september 1999, NJK 2000, 35 (). Dat daarbij de naam van eiser als mogelijke en vermoedelijke opdrachtgever van de moord op Wiels is genoemd, zal voor eiser - die geen procesdeelnemer was in de strafzaak tegen [betrokkene 2] en zich in die zaak niet kon verweren - hoogst onaangenaam zijn geweest. Gelet evenwel op de verklaringen van [naam getuige] en andere in het requisitoir aangedragen bewijsmiddelen (waaronder het SMS-berichtenverkeer tussen [betrokkene 2] en eiser) en gelet op de complexiteit, ernst en omvang van de zaak, kan niet geoordeeld worden dat het noemen van de naam van eiser niet functioneel, gerechtvaardigd en toelaatbaar was. Het OM heeft het belang van de waarheidsvinding en de berechting van ernstig strafbare feiten in de zaak tegen [betrokkene 2] mogen laten prevaleren boven de belangen waarin eiser thans stelt te zijn geschonden.
4.4.
De verklaringen van [naam getuige] zijn door het hof blijkens het overgelegde vonnis van 13 juli 2018 in de zaak tegen [betrokkene 2] bovendien betrouwbaar geacht (zie de bewijsoverwegingen op pagina 20 en 21), zodat eiser reeds om die reden niet gevolgd kan worden in zijn stelling dat het OM zonder nadere verificatie in die zaak geen beroep op die verklaringen had mogen doen.
4.5.
Bij conclusie van repliek heeft eiser als feitelijke grondslag voor zijn vorderingen nog toegevoegd een beschikking van de rechter-commissaris van 3 oktober 2016 op een verzoek van eiser ex artikel 56 lid 3 Wetboek van Strafvordering, waaruit volgens eiser zou blijken dat hij door de Curaçaose rechterlijke macht reeds op voorhand schuldig werd geacht. Die beschikking biedt echter geen aanknopingspunten voor die stelling, ook niet in de door eiser onder 4 van zijn conclusie van repliek geciteerde passage.
4.6.
Voorts heeft eiser bij repliek als feitelijke grondslag toegevoegd het vonnis van het hof in de strafzaak tegen [betrokkene 2] van 13 juli 2018. Volgens eiser is het jegens hem onrechtmatig dat hij in dat vonnis wordt genoemd als degene van wie [betrokkene 2] de moordopdracht heeft aangenomen. Ook daarin kan eiser niet worden gevolgd. Het hof deed in de zaak tegen [betrokkene 2] geen uitspraak over de vraag of eiser zich aan een strafbaar feit had schuldig gemaakt. Die vraag was in die zaak niet aan de orde, het ging om [betrokkene 2]. Dat in de motivering van het vonnis de naam van eiser werd genoemd en eisers rol werd omschreven zoals de desbetreffende rechters die op basis van de in die zaak beschikbare informatie zagen, levert geen schending op van enig rechtsbeginsel, laat staan van een fundamenteel rechtsbeginsel. Eiser heeft in de strafzaak tegen hemzelf de gelegenheid zich tegen de verdenkingen jegens hem te verdedigen.
4.7.
Voorts heeft eiser zich in zijn conclusie van repliek beklaagd over het persbericht dat het Gemeenschappelijk Hof van Justitie op 13 juli 2018 heeft doen uitgaan, waarin eiser bij naam wordt genoemd als degene van wie volgens het vonnis in de zaak tegen [betrokkene 2] de verdachte de moordopdracht heeft aangenomen. De publiekrechtelijke rechtspersoon het Gemeenschappelijk Hof van Justitie is echter geen partij in dit geding. Verwijten aan het adres van deze rechtspersoon, wat daar verder van zij, kunnen in dit geding niet worden beoordeeld en kunnen evenmin aan gedaagden worden toegerekend.
4.8.
Ten slotte verwijt eiser gedaagden bij repliek dat het OM het persbericht van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie op zijn facebook-pagina heeft geplaatst. Eiser heeft niet gesteld dat het persbericht (dat niet in het geding is gebracht) geen juiste weergave was van het vonnis waarover bericht werd. De enkele omstandigheid dat eisers naam in het door het OM overgenomen persbericht werd genoemd, brengt niet mee dat het OM publiekelijk stelling heeft genomen over eisers schuld aan de moord op Wiels. Ook hierin is geen grond gelegen voor het oordeel dat gedaagden onrechtmatig jegens eiser hebben gehandeld.
4.9.
Op grond van het voorgaande zal het gevorderde worden afgewezen. De overige stellingen en verweren behoeven geen bespreking. Het is het gerecht ambtshalve bekend dat, nadat in deze zaak vonnis was gevraagd, de strafzaak tegen eiser in eerste aanleg is uitgemond in een veroordeling van eiser voor onder meer uitlokking van de moord op Wiels. Het gerecht ziet geen aanleiding het debat in de onderhavige zaak te heropenen om de uitspraak in die strafzaak daarin te betrekken.
4.10.
Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, vermeerderd met rente als hierna omschreven.
beslissing

5

Het Gerecht

5.1.
wijst het gevorderde af;
5.2.
veroordeelt eiser tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van gedaagden tot op heden begroot op NAf 2.500 voor salaris gemachtigde en aan nakosten NAf 250 zonder betekening en NAf 400 met betekening, alle bedragen in geval van niet-voldoening te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dit vonnis en verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in aanwezigheid van de griffier op 9 september 2019 in het openbaar uitgesproken.