Uitspraak ECLI:NL:OGEAA:2020:40

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-02-2020. De uitspraak is gedaan door Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba op 12-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:OGEAA:2020:40, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is AUA201902256


Bron: Rechtspraak

Uitspraak van 12 februari 2020BBZ nr. AUA201902256

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:
[Belanghebbende]

belanghebbende,
gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER INVOERRECHTEN EN ACCIJNZEN

de Inspecteur.

ECLI:NL:OGEAA:2020:40:DOC
nl

Uitspraak van 12 februari 2020BBZ nr. AUA201902256
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:
[Belanghebbende]

belanghebbende,
gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER INVOERRECHTEN EN ACCIJNZEN

de Inspecteur.
procesverloop

1

1.1
Aan belanghebbende is op 10 april 2018 een uitnodiging tot betaling van invoerrechten uitgereikt ten bedrage van Afl. 22.502.
1.2
Belanghebbende heeft op 8 mei 2018 daartegen bezwaar gemaakt.
1.3
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 6 juni 2019 de uitnodiging tot betaling verminderd tot een bedrag van Afl. 22.233.
1.4
Belanghebbende heeft op 5 juli 2019 tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep ingesteld bij het Gerecht. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van Afl 150.
1.5
De Inspecteur heeft op 13 november 2019 een verweerschrift ingediend.
1.6
Belanghebbende heeft op 13 januari 2020 nadere stukken ingediend.
1.7
De zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2020 te Oranjestad. Namens belanghebbende is advocaat [A] verschenen. Namens de Inspecteur zijn verschenen [B] en [C]. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en ingebracht.
2

2.1
Importeur [P] (hierna: de importeur) heeft in de jaren 2016 en 2017 bouwmaterialen voor een stalenstructuur (hierna: de goederen) ingevoerd.
2.2
De goederen zijn geleverd door [PP] te Venezuela (hierna: de leverancier). In de tussen de leverancier en de importeur gesloten overeenkomst van 25 april 2016 is onder meer bepaald dat de goederen onder CIF-voorwaarden (Cost, Insurance en Freigt) zullen worden verkocht en vervoerd naar de haven van Aruba.
2.3
Op de door de leverancier tot mei 2017 voortgebrachte facturen zijn de vracht- en verzekeringskosten niet afzonderlijk vermeld. Op deze facturen is wel steeds vermeld: ‘condición de la venta: CIF’ (verkoopvoorwaarde: CIF).
2.4
Naar aanleiding van een mededeling van de Inspecteur heeft de leverancier vanaf augustus 2017 op de facturen de FOB-prijs (Free On Board) vermeld en zijn de vracht- en verzekeringskosten afzonderlijk vermeld. Deze facturen zijn door de Inspecteur geaccepteerd.
2.5
Belanghebbende, handelend onder de naam ‘[X]’, heeft aangiften ten invoer gedaan naar een douanewaarde die overeenstemt met de op facturen vermelde prijzen.
2.6
Bij het vaststellen van de onderwerpelijke uitnodiging tot betaling heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat met betrekking tot de tot mei 2017 voortgebrachte facturen (hierna: de facturen), behalve de vermelde prijs ook vracht- en verzekeringskosten tot de douanewaarde gerekend moeten worden. Als verzekeringskosten heeft de Inspecteur in aanmerking genomen 1,5% van de factuurprijs inclusief de vrachtkosten. De Inspecteur heeft ter zake van de bijgetelde vracht- en verzekeringskosten een bedrag van Afl. 22.233 aan invoerrechten geheven.
3

3.1
In geschil is de door de Inspecteur gehanteerde douanewaarde niet te hoog is.
3.2
Belanghebbende betoogt primair dat de uitnodiging tot betaling moet worden vernietigd. Redengevend daarvoor is dat in de op de facturen vermelde prijs de vracht- en verzekeringskosten zijn begrepen, zodat de Inspecteur deze kosten ten onrechte heeft bijgeteld.
3.3
Subsidiair betoogt belanghebbende dat de bijtelling van de verzekeringskosten geen 1,5% maar slechts 0,6% dient te bedragen. Redengevend daarvoor is dat uit de vanaf augustus 2017 voortgebrachte facturen – waarop de vracht- en verzekeringskosten afzonderlijk zijn vermeld – blijkt dat de verzekeringskosten slechts 0,6% bedragen. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat zij kan instemmen met de bijtelling van de vrachtkosten.
3.4
De Inspecteur verdedigt het standpunt dat de vracht- en verzekeringskosten terecht zijn bijgeteld, maar dat de bijtelling van de verzekeringskosten – overeenkomstig het subsidiaire standpunt van belanghebbende – zich dient te beperken tot 0,6% van de factuurprijs inclusief de vrachtkosten.
3.5
Belanghebbende concludeert primair tot vernietiging van de uitnodiging tot betaling en subsidiair tot vermindering ervan. De Inspecteur concludeert tot vermindering van de uitnodiging tot betaling.
overwegingen

4

4.1
Ingevolge artikel 127, lid 1, van de Landsverordening in-, uit- en doorvoer (hierna: LIUD), wordt invoerrecht geheven naar een percentage van de douanewaarde van een goed.
4.2
Blijkens artikel 59, lid 1 LIUD dient onder douanewaarde te worden verstaan: ‘de normale prijs, dat wil zeggen de prijs die geacht wordt op de dag van aangifte voor levering ter plaatse van invoer voor die goederen te kunnen worden bedongen ingevolge een onder vrije mededinging tussen twee van elkaar onafhankelijke partijen tot stand gekomen overeenkomst van koop en verkoop.'
4.3
Het bepaalde in artikel 59 LIUD is na het verkrijgen van de ‘status aparte’ per 1 januari 1986 integraal overgenomen uit artikel 59 Algemene Verordening I.U. en D. 1908 (zie artikel 1 Algemene overgangsregeling wetgeving en bestuur, AB 1987 no. GT 2). In de wetsgeschiedenis is over artikel 59, lid 1 Algemene Verordening I.U. en D. 1908, het volgende opgemerkt:“Bij de vaststelling van de normale prijs fungeert de koopprijs als een hulpmiddel. Zij wordt geacht de normale prijs uit te drukken indien:
loweralpha

de daaraan ten grondslag liggende overeenkomst gericht is op levering van de goederen ter plaatse van invoer;

de koper getracht heeft de goederen zo goedkoop mogelijk te verkrijgen en daartegenover de verkoper er naar heeft gestreefd een zo hoog mogelijke prijs te bedingen ;

de koper geen andere verplichting op zich heeft genomen dan betaling van de koopsom;

geen bijzondere betrekkingen tussen de koper en verkoper bestaan, welke geacht worden van invloed te zijn op de tot stand gekomen koopprijs.”

(MvT, zitting 1970-1971, 46, nr. 3, p. 9) .
4.4
Op grond van artikel 59, lid 2, letter a LIUD worden in de normale prijs geacht te zijn begrepen alle kosten die betrekking hebben op de verkoop en op de levering tot op de eerste losplaats in Aruba. Blijkens de wetsgeschiedenis worden onder deze kosten onder meer begrepen de vrachtkosten, de assurantiekosten, de commissies, de courtages (makelaarsvergoedingen), de kosten van het opmaken in het buitenland van de bij invoer vereiste bescheiden, de in het buitenland verschuldigde rechten en belastingen, de prijs van verpakkingsmiddelen en de kosten van inlading (MvT, zitting 1970-1971, 46, nr. 3, p. 9) .
4.5
Ingevolge artikel 59 LIUD wordt voor het vaststellen van de douanewaarde uitgegaan van een normale of theoretische prijs. In de normale prijs worden ook geacht te zijn begrepen alle kosten met betrekking tot de verkoop en levering, waaronder de vracht- en verzekeringskosten. Deze methode van theoretische definitie brengt mee dat niet van belang is door welke partij de vracht- en verzekeringskosten worden gedragen.
4.6
Ter voorkoming van manipulatie van de vracht- en verzekeringskosten hanteert de Inspecteur het beleid dat deze kosten afzonderlijk op de factuur dienen te worden vermeld, en als niet daaraan wordt voldaan als vrachtkosten in aanmerking worden genomen de kosten van vergelijkbare vrachten en als verzekeringskosten 1,5% van de factuurprijs inclusief de vrachtkosten.
4.7
Op de facturen zijn de vracht- en verzekeringskosten niet afzonderlijk vermeld. In dat geval brengt een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat belanghebbende, die stelt dat deze kosten in de factuurprijs zijn begrepen, daarvan de bewijslast draagt. Deze bewijslastverdeling brengt mee dat indien er twijfel bestaat over het door belanghebbende gestelde, dit ten nadele werkt van belanghebbende.
4.8
Belanghebbende heeft in dat verband gewezen op de tussen de leverancier en de importeur gesloten overeenkomst, waarin is bepaald dat de goederen onder CIF-voorwaarden zijn verkocht. Volgens belanghebbende is bij dergelijke voorwaarden de leverancier verantwoordelijk voor de goederen aan boord van het schip tot aan de haven van Aruba en worden de vracht- en verzekeringskosten door de leverancier betaald. Deze kosten zijn door de leverancier doorberekend in de prijs zoals deze op de factuur is vermeld, aldus belanghebbende.
4.9
Verder heeft belanghebbende gewezen op de door de leverancier tot mei 2017 voortgebrachte facturen, waarop steeds is vermeld: ‘condición de la venta: CIF’ (verkoopvoorwaarde: CIF). Naar aanleiding van een mededeling van de Inspecteur heeft de leverancier nadien op de facturen de FOB-prijs (Free On Board) vermeld en zijn de vracht- en verzekeringskosten afzonderlijk vermeld. Laatstgenoemde facturen zijn door de Inspecteur geaccepteerd ter vaststelling van de douanewaarde.
4.10
Het Gerecht is van oordeel dat belanghebbende met de verwijzing naar het bepaalde in de overeenkomst en op de facturen omtrent de CIF-voorwaarden, erin is geslaagd aannemelijk te maken dat in de factuurprijs ook de vracht- en verzekeringskosten zijn begrepen. Door de CIF-voorwaarden draagt de leverancier de kosten van het transport en de transportverzekering, welke kosten onder zakelijke omstandigheden zullen worden doorberekend in de factuurprijs. In het onderhavige geval is niet gebleken dat de betrekking tussen de leverancier en de importeur onder niet-zakelijke omstandigheden tot stand is gekomen. Dit brengt mee dat in de factuurprijs geacht worden tevens de vracht- en verzekeringskosten te zijn begrepen, zodat de Inspecteur deze kosten ten onrechte heeft bijgeteld.
4.11
Het vorenstaande betekent dat het gelijk aan belanghebbende is. De uitnodiging tot betaling zal worden vernietigd.
5

Proceskosten bezwaar
5.1
In artikel 2 van de Algemene landsverordening belastingen (ALB) is een limitatieve opsomming gegeven van belastingheffingen waarop de ALB van toepassing is. De heffing van invoerrechten is niet genoemd. Dit betekent dat in onderhavige procedure over de heffing van invoerrechten de ALB niet van toepassing is. Het Gerecht kan derhalve geen gebruik maken van de op artikel 22a ALB gebaseerde mogelijkheid om de kosten van het bezwaar te vergoeden
Proceskosten beroep

5.2
De Landsverordening beroep in belastingzaken (LBB) is van toepassing op beroepsprocedures in belastinggeschillen, waaronder geschillen over invoerrechten (vgl. GEA Curaçao 29 juli 2016, ECLI:NL:OGEAC:2016:155). Dit brengt mee dat in onderhavige procedure het Gerecht gebruik kan maken van de op artikel 15 LBB gebaseerde mogelijkheid om de kosten van het beroep te vergoeden.
5.3
Ingevolge artikel 15, lid 1 LBB worden de kosten vergoed die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De regels over de (hoogte van de) vergoeding zijn neergelegd in het Landsbesluit proceskostenvergoeding in belastingzaken.
5.4
In artikel 1 van dit Landsbesluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand. Deze kosten kunnen worden berekend op Afl. 1.400 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt Afl. 700, wegingsfactor 1).
Griffierecht

5.5
Verder dient de Inspecteur op grond van artikel 18, lid 4, LBB, het betaalde griffierecht van Afl. 150 aan belanghebbende te vergoeden.
6

Het Gerecht:
- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt de uitspraak op bezwaar;- vernietigt de uitnodiging tot betaling;- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van Afl. 1.400; en- draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van Afl. 150 te vergoeden.
1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak; 2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende: a. de naam en het adres van de indiener,b. de dagtekening,c. waartegen u in beroep komt, d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
- natuurlijke personen: Afl. 75 - personenvennootschappen en rechtspersonen: Afl. 300
Deze uitspraak is gegeven door mr. dr. A.J.H. van Suilen, rechter, en is uitgesproken op 12 februari 2020, in tegenwoordigheid van de griffier N.N. Noël – van der Biezen BSc.

De griffier, De rechter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.

HOGER BEROEP

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)

J.G. Emanstraat 51

Oranjestad

Aruba

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:
belastinggriffieAUA@caribjustitia.org

Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd: