Uitspraak ECLI:NL:OGEAA:2020:2

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 16-01-2020. De uitspraak is gedaan door Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba op 09-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:OGEAA:2020:2, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is AUA201900265


Bron: Rechtspraak

Vonnis van 8 januari 2020Behorend bij A.R. no. AUA201900265

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS in de zaak van:

[naam eiseres],

h.o.d.n. SIASCA HEAVY EQUIPMENT AND CONSTRUCTION,

wonende en gevestigd in Aruba,eiseres, hierna ook te noemen: [eiseres],gemachtigden: de advocaten mrs. A.M.N. Thijsen en A.A. Ruiz,
tegen:

de naamloze vennootschap
HOKWA CONSTRUCTIEBEDRIJF N.V.,

gevestigd in Aruba, gedaagde,hierna ook te noemen: Hokwa,gemachtigde: [naam General Manager] (gevolmachtigd General Manager van Hokwa).

ECLI:NL:OGEAA:2020:2:DOC
nl

Vonnis van 8 januari 2020Behorend bij A.R. no. AUA201900265
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS in de zaak van:

[naam eiseres],

h.o.d.n. SIASCA HEAVY EQUIPMENT AND CONSTRUCTION,

wonende en gevestigd in Aruba,eiseres, hierna ook te noemen: [eiseres],gemachtigden: de advocaten mrs. A.M.N. Thijsen en A.A. Ruiz,
tegen:

de naamloze vennootschap
HOKWA CONSTRUCTIEBEDRIJF N.V.,

gevestigd in Aruba, gedaagde,hierna ook te noemen: Hokwa,gemachtigde: [naam General Manager] (gevolmachtigd General Manager van Hokwa).
procesverloop

1

1.1
Het procesverloop blijkt uit:-het verzoekschrift, met producties;-de conclusie van antwoord, met producties;-de conclusie van repliek, met producties;-de conclusie van dupliek, met producties;-de door [eiseres] genomen akte uitlating producties.
1.2
Vonnis is nader bepaald op heden.
2

2.1 [
eiseres] verzoekt dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
a. Hokwa veroordeelt om aan [eiseres] tegen behoorlijke kwijting te betalen Afl. 127.772,59;
b. Hokwa veroordeelt in de proceskosten.
2.2
Hokwa voert verweer en concludeert tot afwijzing van het door [eiseres] gevorderde voorzover die vordering Afl. 23.630,45 te boven gaat.
2.3
Voor zover van belang voor de uitspraak worden de stellingen van partijen hierna besproken.
overwegingen

3

3.1.1
Hokwa heeft erkend dat zij nog Afl. 23.630,45 verschuldigd is aan [eiseres].
3.1.2
Hokwa heeft de onder randnummer 8. van zijn conclusie van antwoord vermelde bedragen ad Afl. 3.869,25, Afl. 5.692,50 en Afl. 16.993,60 bij wijze van verrekening in mindering gebracht op het volgens hem aan [eiseres] verschuldigde bedrag. [eiseres] heeft de verschuldigdheid van die bedragen bestreden, zodat de gegrondheid van dit (impliciete) beroep op verrekening van Hokwa niet op eenvoudige wijze valt vast te stellen. Dat beroep kan daarom op grond van artikel 6:136 BW niet aan toewijzing van meer dan het door Hokwa erkende bedrag in de weg staan.
3.1.3 [
eiseres] heeft erkend dat Hokwa inmiddels een betaling van Afl. 3.500,-- heeft verricht. In het licht van die erkenning en die van Hokwa onder 3.1.1 komt vast te staan dat Hokwa in elk geval verschuldigd is aan [eiseres] (23.630,45 + 3.869,25 + 5.692,50 + 16.993,60 =) Afl. 50.185,80.
3.2 [
eiseres] stelt dat Hokwa het in hoofdsom gevorderde bedrag aan haar verschuldigd is aan openstaande rekeningen uit 2016 en 2017 met betrekking tot gekochte producten, en uit hoofde van een lening en commissie. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.
3.3
Productie 2 bij het verzoekschrift betreft een door [eiseres] op enig in het verleden gelegen moment aan Hokwa uitgebrachte factuur met als totaalbedrag Afl. 60.096,51. Die factuur heeft de directeur van Hokwa (hierna: de directeur) op 12 augustus 2017 voorzien van haar handtekening, alsmede heeft zij een vinkje gezet bij het totaalbedrag. [eiseres] stelt dat de directeur de factuur aldus voor akkoord heeft ondertekend, en aldus de verschuldigdheid van voormeld bedrag heeft erkend. Die door Hokwa gemotiveerd betwiste stelling mist naar het oordeel van het Gerecht voldoende feitelijke grondslag, en wordt daarom gepasseerd. Uit het enkele ondertekenen en afvinken van een factuur als de onderhavige zonder daarbij te vermelden “” blijkt geen erkenning van verschuldigdheid van het in de factuur vermelde totaalbedrag. Aldus is het beweerdelijke vertrouwen van [eiseres] dat dit wel het geval was niet gerechtvaardigd. Ook deze stelling van [eiseres] worden verworpen.
3.4 [
eiseres] stelt dat partijen (te weten de echtgenoot van [eiseres] en de directeur) mondeling hebben afgesproken dat [eiseres] een percentage (15%) in de vorm van commissie zou krijgen omdat [eiseres] Hokwa in contact heeft gebracht met Constructora Azzurra C.A. (hierna: Azzurra) waardoor Hokwa werkzaamheden voor Azzurra heeft kunnen verrichten. Aldus is Hokwa volgens [eiseres] Afl. 42.853,03 aan haar verschuldigd aan gematigde vastgestelde commissie ad 5% over Afl. 857.061,02. Die door Hokwa bestreden stelling mist naar het oordeel van het Gerecht eveneens voldoende feitelijke onderbouwing. Gesteld noch is gebleken is met name wanneer precies bedoelde afspraak is gemaakt tussen de echtgenoot van [eiseres] en de directeur alsmede wat precies de grondslagen voor de berekening/vaststelling van de commissie zouden zijn. Daar komt nog bij dat uit niets blijkt dat de echtgenoot van [eiseres] bevoegd was een dergelijke overeenkomst aan te gaan voor (de eenmanszaak van) [eiseres]. Dit één en ander leidt op dit onderdeel tot de slotsom dat het te dezen gevorderde bedrag ad Afl. 42.853,03 zal worden afgewezen.
3.5
Ter zake het door [eiseres] aan Hokwa in rekening gebrachte bedrag ad Afl. 14.724,-- voor beweerdelijke door [eiseres] in opdracht van Hokwa uitgevoerde graafwerkzaamheden wordt het volgende overwogen. Ook die door Hokwa gemotiveerd betwiste stelling mist naar het oordeel van het Gerecht voldoende feitelijke onderbouwing, en wordt daarom gepasseerd. Gesteld noch is gebleken met name wanneer precies en door wie namens partijen precies bedoelde overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen. Het op dit punt gevorderde bedrag zal eveneens worden afgewezen.
3.6
Zonder nadere doch ontbrekend uitleg valt niet in te zien waarom Hokwa Afl. 7.660,-- dient te betalen aan [eiseres], welk bedrag [eiseres] stelt te hebben betaald aan [naam debiteur] teneinde in onderpand gegeven auto’s terug te krijgen. In de als (onderdeel van) productie 7 bij het verzoekschrift overgelegde overeenkomst van geldlening blijkt immers geenszins dat (de eenmanszaak van) [eiseres] (anders dan haar echtgenoot) partij is die overeenkomst, en evenmin is gesteld of gebleken dat [eiseres] door de beweerdelijke betaling is gesubrogeerd of anderszins is getreden in mogelijke rechten van haar echtgenoot jegens Hokwa. Ook dit door [eiseres] gevorderde bedrag ad Afl. 7.660,-- zal worden afgewezen.
3.7 [
eiseres] stelt dat Hokwa Afl. 1.678,38 verschuldigd is uit hoofde van diverse door [eiseres] voor Hokwa gekochte artikelen. Ook die door Hokwa bestreden stelling mist voldoende feitelijke grondslag, en wordt daarom gepasseerd. Met name is niet gesteld om wat voor artikelen precies het hier gaat en wanneer precies die artikelen voor Hokwa zijn gekocht.
3.8
Ter zake van de door [eiseres] aan Hokwa in rekening gebrachte factuur 2016-0020 ad Afl. 621,-- wordt het volgende overwogen. [eiseres] stelt in dat verband dat zij op opdracht van Hokwa zes uren met haar bobcat voor dat bedrag bij Blue werkzaamheden heeft verricht. Het wordt eentonig, maar ook die door Hokwa bestreden stelling mist voldoende feitelijke onderbouwing, en wordt daarom gepasseerd. Niet gesteld is met name wanneer precies, hoe precies en door wie namens Hokwa precies die opdracht is gegeven. De hier besproken deelvordering van [eiseres] zal eveneens worden afgewezen.
3.9
Vorenstaande brengt reeds mee dat (42.853,03 + 14.724,-- + 7.660,-- + 1.678,38 + 621,-- =) Afl. 67.536,41 van het in hoofdsom gevorderde bedrag niet zal worden toegewezen. Aldus resteert in hoofdsom (127.772,59 minus 67.536,41 =) Afl. 60.236,18
3.10
Ter zake van de door [eiseres] aan Hokwa in rekening gebrachte factuur 2017-0011 wordt het volgende overwogen. [eiseres] heeft niet of onvoldoende bestreden gesteld deze factuur enkel ziet op de huur door Hokwa van [eiseres] van een Backhoe met operator, en dus niet op andere door [eiseres] te verrichten werkzaamheden. Daar komt bij dat Hokwa zich ook op dit punt beroept op verrekening van Afl. 2.400,--, terwijl de gegrondheid van dit door [eiseres] bestreden beroep evenmin op eenvoudige wijze valt vast te stellen. De omvang van het bedrag dat Hokwa in elk geval verschuldigd is aan [eiseres] wordt aldus (50.185,80 + 2.400,-- =) Afl. 52.585,80.
3.11
Ter zake van de door [eiseres] aan Hokwa in rekening gebrachte factuur 2017-0010 wordt het volgende overwogen. Kennelijk hebben partijen geen afspraken gemaakt met betrekking tot de prijs waartegen [eiseres] bereid was een machine met operator ten behoeve van Hokwa in te zetten voor het verrichten van sloopwerkzaamheden. Artikel 7:405 lid 2 bepaalt in dat geval dat Hokwa het op de gebruikelijk wijze voor vergelijkbare overeenkomsten door [eiseres] berekende loon, of bij gebreke daarvan, een redelijk loon verschuldigd is. Gesteld noch is gebleken dat sprake is van vergelijkbare overeenkomsten dan die krachtens welke [eiseres] in 2017 bedoelde werkzaamheden voor Hokwa heeft verricht. Een overeenkomst uit 2015 waarop Hokwa zich beroept voldoet naar het oordeel van het Gerecht zonder nadere doch ontbrekende uitleg niet aan dat criterium, temeer niet omdat is gesteld noch gebleken dat krachtens die overeenkomst identieke prestaties moesten worden verricht door [eiseres]. Uit dit één en ander volgt dat Hokwa te dezen een redelijke prijs verschuldigd is aan [eiseres]. Gesteld noch is gebleken dat de door [eiseres] in rekening gebrachte prijs geen redelijke is. Aldus heeft Hokwa ten onrechte Afl. 2.986,-- in mindering gebracht op de hier besproken factuur. Dit brengt mee dat Hokwa in totaal (52.585,80 + 2.986,-- =) in elk geval Afl. 55.571,80 verschuldigd is aan [eiseres], en dat Hokwa - behoudens het hiernavolgende - de verschuldigdheid van het meerdere daarvan, te weten (60.236,18 minus 55.571,80 minus 1.164,38 =) Afl. 3.500,--, niet of onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Aldus komt tot nog toe vast te staan dat Hokwa (55.571,80 + 3.500,-- =) Afl. 59.071,80 verschuldigd is aan [eiseres]. De vordering van [eiseres] zal bij nog te wijzen eindvonnis in elk geval in zoverre worden toegewezen.
3.12
Ter zake van de door [eiseres] aan Hokwa in rekening gebrachte factuur 2016-0031 met als bedrag Afl. 1.164,38 wordt het volgende overwogen. [eiseres] stelt dat Hokwa dat bedrag aan haar verschuldigd is uit hoofde van geleverde mankracht in de persoon van [naam mankracht] voor de bediening van een zogeheten verdichtingsmachine. Die stelling heeft Hokwa bestreden, daartoe stellende dat zij zelf heeft gezorgd voor de bediening van die machine. Dit brengt mee dat de door [eiseres] te bewijzen stelling vooralsnog niet vast staat. [eiseres] heeft bewijslevering aangeboden. [eiseres] zal in de gelegenheid worden gesteld om bij akte kenbaar te maken of zij haar stelling door middel van het doen horen van getuigen wenst te bewijzen. De zaak zal daartoe onder peremptoirstelling (P-1) worden verwezen naar de in het dictum vermelde rolzitting. Hokwa zal niet in de gelegenheid worden gesteld voor het nemen van een antwoordakte.
3.13
In afwachting van de door [eiseres] te nemen akte wordt iedere verdere beslissing aangehouden.
3.14
Ten overvloede geeft het Gerecht aan partijen in overweging om het hiervoor onder 3.12 besproken geschilpunt onderling te regelen, nu bewijslevering niet zelden een langdurige en kostbare exercitie betreft.
4

Het Gerecht:-stelt [eiseres] in de gelegenheid om zich bij akte uit te laten over hetgeen zij zich blijkens rechtsoverweging 3.12 dient uit te laten;
-verwijst de zaak daartoe naar de rolzitting van woensdag 5 februari 2020 ();

-bepaalt dat Hokwa in de gelegenheid wordt gesteld voor het nemen van een antwoordakte;

-houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 8 januari 2020 in aanwezigheid van de griffier.