Uitspraak ECLI:NL:OGEAA:2019:568

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-09-2019. De uitspraak is gedaan door Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba op 09-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:OGEAA:2019:568, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is AUA201900033


Bron: Rechtspraak

Uitspraak van 9 september 2019LAR nr. AUA201900033
1. [APPELLANTE SUB 1]
2. [APPELLANT SUB 2]
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBAHET HOOFD VAN DE DIENST BURGERLIJKE STAND EN BEVOLKINGSREGISTER,

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:
beiden wonende in Aruba,APPELLANTEN,gemachtigde: de advocaat mr. R.L.F. Dijkhoff,
gericht tegen:

zetelend in Aruba,VERWEERDER,gemachtigde: mr. J.M.A.M. Ponsioen (DBSB).

ECLI:NL:OGEAA:2019:568:DOC
nl

Uitspraak van 9 september 2019LAR nr. AUA201900033
1. [APPELLANTE SUB 1]
2. [APPELLANT SUB 2]
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBAHET HOOFD VAN DE DIENST BURGERLIJKE STAND EN BEVOLKINGSREGISTER,
UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:
beiden wonende in Aruba,APPELLANTEN,gemachtigde: de advocaat mr. R.L.F. Dijkhoff,
gericht tegen:

zetelend in Aruba,VERWEERDER,gemachtigde: mr. J.M.A.M. Ponsioen (DBSB).
procesverloop

PROCESVERLOOP
Bij beschikking, gedateerd 3 mei 2018 heeft verweerder het herhaald verzoek van appellanten om hun huwelijk in te schrijven in het bevolkingsregister van Aruba, afgewezen.
Tegen deze beschikking hebben appellanten op 14 juni 2018 bezwaar gemaakt.

Bij beslissing op bezwaar van 19 december 2018 (bestreden beslissing) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen de bestreden beslissing hebben appellanten op 8 januari 2019 beroep ingesteld bij het gerecht.

Verweerder heeft op 21 maart 2019 een verweerschrift ingediend.

Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 juni 2019. Appellanten zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde, en verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde voornoemd.

Uitspraak is bepaald op heden.

overwegingen

OVERWEGINGEN
Het wettelijk kader
1.1
Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Landsverordening op het aanleggen en bijhouden van het bevolkingsregister, worden de voorschriften omtrent het aanleggen, inrichten en bijhouden van bevolkingsregisters en het doen der daartoe vereiste opgaven aan hen, die met het aanhouden der bevolkingsregisters zijn belast, bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen vastgesteld.
1.2
Ingevolge artikel 22, negende lid, van het krachtens voormelde bepaling vastgestelde Landsbesluit bevolkingsregister wordt een gegeven omtrent een persoon niet ingeschreven, indien het hoofd van het Bureau Burgerlijke Stand en Bevolkingsregister van oordeel is dat dat gegeven in strijd is met de goede zeden of de openbare orde.
De feiten

2.1
Appellanten zijn op 7 januari 2011 in Colombia met elkaar in het huwelijk getreden. Appellante sub 1 heeft de Nederlandse nationaliteit en appellant sub 2 heeft de Colombiaanse nationaliteit.
2.2
Op 11 april 2013 hebben appellanten verzocht om hun huwelijk in te schrijven in het bevolkingsregister van Aruba.
2.3
Bij beschikking van 24 april 2014 heeft verweerder het onder 2.2 genoemde verzoek afgewezen. Verweerder schrijft onder andere: “(…)Uit het ingestelde onderzoek komt het volgende naar voren:- Dat u elkaar niet of nauwelijks lijkt te kennen (er worden tegenstrijdige verklaringen afgelegd met betrekking tot de personalia (naam, adres, nationaliteit, werk), de omstandigheden waaronder men elkaar heeft leren kennen (of andere persoonlijke omstandigheden):(…)”
2.4
Tegen de onder 2.3 genoemde beschikking hebben appellanten op 10 september 2014 een bezwaarschrift ingediend.
2.5
Bij beslissing op bezwaar van 5 maart 2015 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Het advies van de bezwaaradviescommissie, waarnaar verweerder verwijst, luidt onder andere:
“(…)De commissie is van oordeel dat het bestuursorgaan in redelijkheid ervan heeft kunnen uitgaan dat het huwelijk strijdig is met de Arubaanse openbare orde. Naast de gegevens omtrent de verblijfrechtelijke status van de heer [APPELLANT SUB 2] blijkt namelijk in voldoende mate uit het onderzoek door het bestuursorgaan verricht dat de echtgenoten elkaar niet of nauwelijks lijken te kennen. Voornoemde combinatie van indicatoren die door het bestuursorgaan zijn gehanteerd leiden de commissie tot het oordeel dat uit de vraagstelling en de onderzoeksprocedure van het bestuursorgaan gebleken is dat mevrouw [APPELLANTE SUB 1] in onvoldoende mate heeft kunnen vaststellen dat het oogmerk van haar huwelijk met de heer [APPELLANT SUB 2] niet is om toelating tot Aruba te verwezenlijken. Hierdoor oordeelt de commissie dat in het onderhavige geval het bestuursorgaan in voldoende mate heeft kunnen waarmaken dat er hier sprake is van een schijnhuwelijk, waardoor erkenning van dit huwelijk strijd zou opleveren met de openbare orde en inschrijving van dit huwelijk zou dus strijdig zijn met artikel 35, lid 2 van het LBV.”
2.6
Tegen de onder 2.5 genoemde beslissing op bezwaar hebben appellanten op 16 april 2015 beroep ingesteld.
2.7
Bij uitspraak van dit gerecht van 23 mei 2016 (Lar nr. 800 van 2015) heeft het gerecht het beroep ongegrond verklaard. Het gerecht overweegt: “(…)
2.5
Aan de hand van de door verweerder overgelegde onderzoeksresultaten is het gerecht van oordeel dat verweerder in redelijkheid de conclusie heeft kunnen trekken dat het huwelijk tussen betrokkenen een schijnhuwelijk betreft, met het doel toelating te verschaffen aan [appellante sub 1] tot Aruba. Dat deze onderzoeksresultaten niet voldoende objectief zijn, kan naar het oordeel van het gerecht niet worden staande gehouden. Dat het door verweerder verrichte onderzoek onzorgvuldig is uitgevoerd, is het gerecht evenmin gebleken. Hierbij is in aanmerking genomen dat appellanten niet hebben aangegeven in welk opzicht de gegeven antwoorden niet correct zijn weergegeven. De enkele stelling dat mogelijk sprake is geweest van communicatieproblemen in verband met de gebezigde taal, is in dit opzicht onvoldoende. Daarbij wordt er op gewezen dat verweerder onweersproken heeft gesteld dat de persoon die het interview heeft afgenomen, [de ambtenaar], ook de Spaanse taal machtig is. Voorts blijkt uit het bij de processtukken gevoegde verslag van het gesprek van 24 maart 2014 dat [appellante sub 1] gericht en voldoende gedetailleerd antwoord heeft gegeven op de hem gestelde vragen. Verweerder heeft de inschrijving van het huwelijk derhalve op goede gronden geweigerd.(…)”
2.8
Bij uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 22 december 2016 is de onder 2.7 genoemde uitspraak bevestigd.
2.9
Op 2 februari 2018 hebben appellanten wederom verzocht om hun huwelijk in te schrijven in het bevolkingsregister van Aruba.
2.10
Bij beschikking van 3 mei 2018 heeft verweerder het onder 2.9 genoemde verzoek afgewezen. Verweerder schrijft onder andere: “(…)De heer [APPELLANT SUB 2] verblijft sinds 18 februari 2014 in Aruba zonder verblijfstitel. Zoals hierboven reeds aangegeven, heeft u ten aanzien van uw eerdere verzoek alle rechtsmiddelen uitgepunt. Daarmee is de beschikking van 24 april 2014 definitief geworden. Bij uw nieuw verzoek heeft u geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Om die reden, zie ik geen aanleiding tot een heroverweging van mijn beschikking d.d. 24 april 2014, waarbij de inschrijving van uw huwelijk werd geweigerd (zie gevoegde kopie).
2.11
Tegen de onder 2.9 genoemde beschikking hebben appellanten op 14 juni 2018 een bezwaarschrift ingediend.
2.12
Op 19 september 2018 heeft de bezwaaradviescommissie Lar een advies uitgebracht. Het advies luidt:“(…)Het verzoek tot inschrijving is afgewezen onder verwijzing naar de eerdere door bezwaarden gevoerde bezwaar- en beroepsprocedures over dezelfde rechtsvraag waarbij het bestuursorgaan heeft volstaan met de stelling dat zich er sindsdien geen feiten en/of omstandigheden hebben voorgedaan die ertoe nopen om tot een ander oordeel te komen. Er heeft derhalve geen inhoudelijke toetsing van het verzoek plaatsgevonden.Deze handelswijze van het bestuursorgaan is conform de in het verleden gehanteerde vaste jurisprudentie inzake het ne bis in idem beginsel, waarbij geen inhoudelijke toetsing plaatsvindt wanneer er een nieuw maar soortgelijk verzoek werd ingediend, er sprake was van nieuwe feiten en omstandigheden. De jurisprudentie op dit punt is gewijzigd (zie uitspraak van de raad van State ECLI:NL:RVS:2016:3131, door het Gemeenschappelijk Hof overgenomen in de uitspraak van 17 januari 2018, LARAUA2017H00001). Dit betekent voor het bestuursorgaan, dat bij de afhandeling van een dergelijk verzoek niet kan worden volstaan met de enkele constatering dat er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn, maar dat er ook een inhoudelijke toets zou moeten plaatsvinden. Dit is in casu niet gebeurd, om welke reden het bezwaarschrift gegrond dient te worden verklaard. Overigens merkt de commissie op, dat in het kader van de inhoudelijke toets meegewogen moet worden dat bezwaarden nog steeds getrouwd zijn.”
2.13
Bij beslissing op bezwaar van 19 december 2018 heeft verweerder het bezwaar, in afwijking van het onder 2.12 genoemde advies, ongegrond verklaard. Verweerder schrijft onder andere:“(…)
Gewijzigde jurisprudentie inhoudelijke beoordeling herhaald verzoek

In de uitspraak van het Hof, waarnaar in het advies wordt verwezen, is vermeld dat als uitgangspunt geldt dat een bestuursorgaan in het algemeen om een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beschikking in volle omvang te heroverwegen. Een volledige heroverweging lijkt derhalve geen verplichting. Dit volgt ook uit het feit dat het bestuursorgaan dit ook indien aan het verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Wordt het herhaald verzoek op inhoudelijke gronden afgewezen, dan toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden als ware het de (sic) oorspronkelijke (eerste) beschikking.(…)Bij een herhaald verzoek tot inschrijving van een buitenlands huwelijk zijn de mogelijkheden tot een nieuwe inhoudelijke beoordeling naar het oordeel van de DBSB beperkt. Het houden van een nieuw gesprek met betrokkenen is immers zinloos, omdat betrokkene inmiddels alle tijd hebben gehad een dergelijk gesprek voor te bereiden en hun antwoorden op elkaar af te stemmen. Bovendien blijft het een feit dat betrokkenen in het eerdere gesprek op bijna alle punten tegenstrijdige verklaringen hebben gegeven. Reden waarom het herhaald verzoek - onder verwijzing naar de uitspraken in de procedures n.a.v. het eerdere verzoek en de eerdere beschikking - dan ook zonder nader onderzoek is afgewezen.
Adresonderzoek/huiscontrole

Noch bij het adresonderzoek c.q. de huiscontrole in 2014 (adres [adres1] en [adres 2]) noch bij het adresonderzoek c.q. de huiscontrole naar aanleiding van de hoorzitting bezwaaradviescommissie LAR (adres [adres3] en [adres 2]) kon onomstotelijk worden vastgesteld dat betrokkenen daadwerkelijk samenwonen.
Nog immer gehuwd

Naar het oordeel van de bezwaaradviescommissie zou het feit dat betrokkenen nog immer getrouwd zijn bij de beslissing tot al dan niet inschrijving van het huwelijk in het bevolkingsregister, moeten worden meegewogen. De DBSB kan zich niet vinden in deze redenering. Het nog immer gehuwd zijn, speelt bij het onderzoek of het huwelijk wel of niet een schijnhuwelijk is aangegaan op zich geen rol, doch wordt alleen gekeken op (sic) het huwelijk gericht was op toelating tot Aruba.De DBSB heeft geconstateerd dat door (of namens) dhr. [APPELLANT SUB 2], na de weigering van zijn laatste verzoek voor een verblijfstitel op 17 februari 2013, nimmer een nieuw verzoek voor een verblijfstitel is ingediend. Naar het oordeel van de DBSB zou juist het feit dat dhr. [APPELLANT SUB 2] nog immer geen verblijfstitel heeft en deze ook niet heeft aangevraagd, en derhalve al ruim vijf jaar illegaal in Aruba verblijft, de doorslag moeten geven bij de beoordeling of het huwelijk een zogenoemd schijnhuwelijk betreft en niet het feit dat betrokkenen nog immer gehuwd zijn.(…)”
De standpunten van partijen

3.1
Appellanten betogen dan zij al ruim twintig jaar een relatie hebben. Dit is reeds voldoende om aan te tonen dat hun huwelijk gebaseerd is op liefde. Appellant sub 2 is niet direct na het huwelijk naar Aruba gereisd, maar drie jaar later. Hieruit blijkt dat het huwelijk niet is aangegaan om aan appellant sub 2 toelating tot Aruba te verschaffen. Appellanten verzoeken om het advies van de bezwaaradviescommissie op te volgen.
3.2
Verweerder stelt zich op het standpunt dat hetgeen appellanten betogen, dat zij al twintig jaar een relatie hebben, niet strookt met hetgeen appellanten bij de DBSB hebben verklaard over hun relatie. Zij hebben destijds verklaard dat zij elkaar in het jaar 2009 hebben ontmoet. Het nog gehuwd zijn, speelt bij het onderzoek of het huwelijk wel of niet als een schijnhuwelijk is aangegaan op zich geen rol. Er wordt alleen gekeken of het huwelijk gericht was op toelating tot Aruba. Appellant sub 2 heeft nimmer een nieuw verzoek voor een verblijfstitel ingediend. Ter zitting stelt verweerder zich op het standpunt dat het verzoek is afgewezen omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn gebleken. Verweerder heeft de verplichting niet om opnieuw inhoudelijk te gaan toetsen. Zij is hiertoe bevoegd maar niet verplicht, aldus verweerder. Pas naar aanleiding van het advies van de bezwaaradviescommissie heeft verweerder toch een controle uitgevoerd of appellanten samenwonen. In 2018 is gesproken met een dame die een winkel, gelegen onder de appartementen, beheert en die beide appellanten kent. Zij verklaarde dat alleen appellant sub 2 te [adres 2] heeft gewoond en appellante sub 1 niet. Hoewel bij controle te [adres 3] niemand thuis is aangetroffen (ook geen buren) heeft de huisbaas (telefonisch) verklaard dat appellant sub 2 in het appartement woont en dat zij appellante sub 1 daar nooit heeft gezien. Appellanten hebben geen objectief bewijs van het bestaan van een huwelijkse relatie overgelegd, bijvoorbeeld in de vorm van gezamenlijke correspondentie, facturen en bankafschriften, foto’s voorzien van een datum, die tot een heroverweging zouden moeten leiden.
De beoordeling

4. Volgens vaste rechtspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (het Hof) is een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd om een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beschikking in volle omvang te heroverwegen. Het bestuursorgaan kan zo'n aanvraag inwilligen of afwijzen. Hetzelfde geldt, als een rechtzoekende het bestuursorgaan verzoekt terug te komen van een beschikking. Een bestuursorgaan mag dit ook als de rechtzoekende aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd (vergelijk de uitspraak van het Hof van 17 januari 2018, ECLI:NL:OGHACMB:2018:16). Het Hof heeft hierbij aansluiting gezocht bij de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie de uitspraak van 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3131), de Centrale Raad van Beroep (zie de uitspraak van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872) en het College van Beroep voor het bedrijfsleven (zie de uitspraak van 24 mei 2017, ECLI:NL:CBB:2017:190). Het bestuursorgaan kan er ook nog steeds voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, de herhaalde aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. Hetzelfde geldt als een rechtzoekende het bestuursorgaan verzoekt terug te komen van een besluit.
5.1
In onderhavig geval heeft verweerder ervoor gekozen om de herhaalde aanvraag af te wijzen omdat er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Het gerecht ziet zich aldus voor de vraag of verweer zich terecht op dit standpunt heeft gesteld. Het gerecht oordeelt als volgt.
5.2
Bij het verzoek dat thans voorligt, hebben appellanten onder meer aangevoerd dat zij nog steeds gehuwd zijn. Het gerecht overweegt dat voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van een schijnhuwelijk het oogmerk bij het aangaan van het huwelijk bepalend is (vergelijk de uitspraak Raad van State van 7 oktober 2014, ECLI:NL:RVS: 2014:3755). Aan latere ontwikkelingen in dit verband - zoals het eventueel later ontstaan van een oprechte relatie - komen geen betekenis toe. Dat appellanten nog steeds gehuwd zijn is op zichzelf dus onvoldoende om tot het oordeel te komen dat er sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Het argument van appellanten dat appellant sub 2 drie jaar na het huwelijk van appellanten naar Aruba is gereisd was ten tijde van het eerste verzoek reeds bekend. Naar het oordeel van het gerecht heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.
DE BESLISSING
De rechter in dit gerecht:
1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak; 2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende: a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,b. de dag van ondertekening,c. waartegen u in hoger beroep komt, d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. D.J. Jansen, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 september 2019, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na dagtekening van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (LAR-zaken). Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij de griffie van dit Gerecht.
U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen:

Voor het instellen van hoger beroep is een griffierecht van Afl. 75 verschuldigd.