Uitspraak ECLI:NL:OGEAA:2019:218

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 16-04-2019. De uitspraak is gedaan door Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba op 12-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:OGEAA:2019:218, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is AUA201701115


Bron: Rechtspraak

Uitspraak van 12 april 2019BBZ nr. AUA201701115

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de Landsverordening beroep in belastingzaken van:
X

belanghebbende,
gericht tegen:

DE ONTVANGER DER BELASTINGEN

de Ontvanger.

ECLI:NL:OGEAA:2019:218:DOC
nl

Uitspraak van 12 april 2019BBZ nr. AUA201701115
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de Landsverordening beroep in belastingzaken van:
X

belanghebbende,
gericht tegen:

DE ONTVANGER DER BELASTINGEN

de Ontvanger.
procesverloop

1

1.1
De Ontvanger heeft op grond van artikel 16 Landsverordening winstbelasting (tekst tot 1 juni 2014) belanghebbende bij beschikking van 22 november 2016, met nummer Dimp [kenmerknummer], aansprakelijk gesteld voor onbetaald gebleven belastingaanslagen winstbelasting van Y N.V. voor een bedrag van in totaal Afl. 2.415.232.
1.2
Belanghebbende is op 6 januari 2017 tegen de beschikking in bezwaar gekomen.
1.3
De Ontvanger heeft bij uitspraak op bezwaar van 7 juni 2017 de beschikking gehandhaafd.
1.4
Belanghebbende is op 9 juni 2017 in beroep gekomen tegen de uitspraak op bezwaar. Hierbij is een bedrag aan griffierecht betaald van Afl. 25.
1.5
Belanghebbende heeft op 27 juli 2017 het beroepschrift gemotiveerd.
1.6
De Ontvanger heeft op 2 oktober 2017 een verweerschrift ingediend.
1.7
Belanghebbende heeft op 3 en 7 november 2017 nadere stukken ingediend.
1.8
De zitting heeft op 14 november 2017 plaatsgevonden ten overstaan van rechter mr. De Werd. Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door mr. A, B en C, allen verbonden aan Q. Namens de Ontvanger zijn verschenen drs. D, mr. E en mr. F. Belanghebbende heeft een pleitnota voorgedragen en ingebracht.
1.9
De Ontvanger heeft op verzoek van het Gerecht op 20 november 2017 nadere stukken ingebracht.
1.10
Belanghebbende heeft op 4 december 2017 daarop gereageerd.
1.11
Door defungeren van rechter mr. De Werd per 1 augustus 2018, kan de uitspraak in deze zaak niet door hem worden gewezen. Partijen hebben ermee ingestemd dat rechter mr. Van Suilen uitspraak wijst in deze zaak, zonder dat een nadere mondelinge behandeling ten overstaan van mr. Van Suilen heeft plaatsgevonden.
2

2.1
Y NV (hierna: de NV) is opgericht in 1999 en exploiteerde casino’s. Tot 2010 was de NV exploitant van V. Van eind 2010 tot eind 2015 was de NV exploitant van Z.
2.2
Belanghebbende is van 15 april 2014 tot 24 juni 2015 directeur geweest van de NV.
Winstbelasting 2007

2.3.1
Aan de NV is op 30 september 2013 een definitieve aanslag winstbelasting voor het jaar 2007 opgelegd ten bedrage van Afl. 544.516. Op het aanslagbiljet is onder meer het volgende vermeld:“BezwaarIndien u het niet eens bent met het resultaat van deze aanslag kunt u binnen 2 maanden na dagtekening een bezwaarschrift indienen bij de inspecteur. (…)
Uitstel van betalingHet bezwaarschrift geldt ook als een verzoek tot uitstel van betaling voor het bedrag waar u het niet mee eens bent. Het bedrag waar u het wel mee eens bent dient u binnen de gestelde termijn te betalen.”
2.3.2
Op 25 november 2014 is aan de NV een dwangschrift betekend tot betaling van het bedrag van Afl. 544.516.
2.3.3
De NV heeft op 4 december 2014 bezwaar gemaakt tegen de definitieve aanslag, alsmede verzocht om uitstel van betaling.
2.3.4
Bij uitspraak op bezwaar van 15 juni 2017 is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de bezwaartermijn. Daartegen is geen beroep ingesteld.
2.3.5
De aanslag winstbelasting 2007 is voor een bedrag van Afl. 399.544 onbetaald gebleven.
Winstbelasting 2008

2.4.1
Aan de NV is op 30 juni 2014 een voorlopige aanslag winstbelasting voor het jaar 2008 opgelegd, welke op 31 oktober 2014 ambtshalve is verminderd tot een bedrag van Afl. 358.484. Op het aanslagbiljet is onder meer het volgende vermeld:“BezwaarIndien u het niet eens bent met het resultaat van deze aanslag kunt u binnen 2 maanden na dagtekening een bezwaarschrift indienen bij de inspecteur. (…)
Uitstel van betalingHet bezwaarschrift geldt ook als een verzoek tot uitstel van betaling voor het bedrag waar u het niet mee eens bent. Het bedrag waar u het wel mee eens bent dient u binnen de gestelde termijn te betalen.”
2.4.2
De NV heeft op 15 juli 2014 bezwaar gemaakt tegen de voorlopige aanslag van 30 juni 2014, alsmede verzocht om uitstel van betaling.
2.4.3
Op 31 oktober 2014 is de definitieve aanslag opgelegd, die na verrekening met de voorlopige aanslagen resulteerde in een aanslag van nihil.
2.4.4
Tegen de definitieve aanslag is op 15 oktober 2014 bezwaar gemaakt.
2.4.5
Bij uitspraak op bezwaar van 15 juni 2017 is het laatstgenoemd bezwaar ongegrond verklaard. Daartegen is geen beroep ingesteld.
2.4.6
De voorlopige aanslag van Afl. 358.484 is onbetaald gebleven.
Aansprakelijkstelling

2.5
Bij beschikking van 22 november 2016 heeft de Ontvanger belanghebbende als gewezen bestuurder aansprakelijk gesteld voor onbetaald gebleven aanslagen winstbelasting van de NV voor een bedrag van in totaal Afl. 2.415.232.
2.6
Naast belanghebbende is ook gewezen bestuurder H aansprakelijk gesteld.
3

3.1
In geschil is of de Ontvanger belanghebbende terecht aansprakelijk heeft gesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Ontvanger bevestigend.
3.2
Het Gerecht begrijpt het standpunt van de Inspecteur aldus dat de onderhavige aansprakelijkstelling (nr. Dimp [kenmerknummer]) nog slechts betrekking heeft op de winstbelastingschulden 2007 en 2008 van in totaal Afl. 758.028. Dit brengt mee dat het bedrag van de aansprakelijkstelling in ieder geval tot dat bedrag moet worden verminderd. Reeds daarom is het beroep gegrond.
3.3
Belanghebbende betoogt dat hij vanaf april 2014 bestuurder was van de NV en dat hij niet aansprakelijk kan worden gesteld voor belastingschulden die voordien zijn ontstaan. Verder betoogt belanghebbende dat voor de belastingaanslagen uitstel van betaling was verleend, dat de NV dus niet in gebreke was die belastingaanslagen te voldoen, en dat daarom niet tot aansprakelijkstelling kan worden overgegaan. Voorts stelt belanghebbende nog dat bij zijn aantreden als bestuurder de NV in een slechte financiële situatie verkeerde, en dat belanghebbende daardoor in de onmogelijkheid verkeerde om de belastingschulden te betalen. De Ontvanger verdedigt de tegenovergestelde opvattingen.
3.4
Belanghebbende concludeert tot vernietiging dan wel vermindering van de beschikking aansprakelijkstelling. De Ontvanger concludeert tot vermindering van de beschikking aansprakelijkstelling tot een bedrag van totaal Afl. 758.028.
overwegingen

4

Wettelijke regeling aansprakelijkstelling
4.1
De Landsverordening aansprakelijkheid belastingen en premies volksverzekeringen (hierna: LABP) is op 1 juni 2014 in werking getreden.
4.2
Ingevolge artikel XI, lid 1, van de Invoeringsverordening LABP (AB 2014 no. 10) is de LABP van toepassing op aansprakelijkstellingen die op of na het tijdstip van inwerkingtreding van de LABP (1 juni 2014) plaatsvinden, met inachtneming van het tweede lid.
4.3
In artikel XI, lid 2, van de Invoeringsverordening LABP is bepaald dat als een belastingaanslag betrekking heeft op een tijdvak dat ligt vóór de inwerkingtreding van de LABP (1 juni 2014), geen aansprakelijkstelling kan plaatsvinden voor de belastingschuld op de voet van hoofdstuk II van de LABP. Voor die belastingschulden kan aansprakelijkstelling plaatsvinden op grond van de aansprakelijkheidsbepalingen in de belastingverordeningen, zoals deze luiden vóór de inwerkingtreding van de LABP.
4.4
Tot de inwerkingtreding van de LABP was in artikel 16 van de Landsverordening winstbelasting (LWB) bepaald dat de bestuurders van een vennootschap hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door de vennootschap verschuldigde belasting. De aansprakelijkheid houdt op, wanneer de genoemde personen, tot betaling aangesproken, ten genoegen van de Inspecteur aantonen dat zij in de onmogelijkheid zijn geweest in hun hoedanigheid voor de betaling te zorgen.
4.5
Het bepaalde in artikel XI van de Invoeringsverordening LABP brengt mee dat hoofdstuk III van de LABP (formele bepalingen) wel van toepassing is in gevallen als de onderhavige, waarin de aansprakelijkstelling heeft plaatsgevonden na inwerkingtreding van de LABP. De aansprakelijkstelling dient derhalve te geschieden bij beschikking van de Ontvanger, welke beschikking vatbaar is voor bezwaar en beroep.
Bestuurder

4.6
Ingevolge artikel 16, lid 8, LWB worden onder de bestuurders begrepen allen die bij of na het ontstaan van de belastingschuld bestuurders waren, ook voor zover zij zijn af- of uitgetreden, rekening hebben gedaan of décharge hebben bekomen.
4.7
Gelet op voornoemde bepaling kan belanghebbende aansprakelijk worden gesteld voor de belastingschulden die tijdens of voorafgaand aan zijn bestuur zijn ontstaan. Belanghebbende was van 15 april 2014 tot 24 juni 2015 bestuurder van de NV, zodat belanghebbende voor de tot dat moment ontstane belastingschulden kan worden aangesproken, waaronder de winstbelastingschulden voor de jaren 2007 en 2008.
Verschuldigde belasting; uitstel van betaling

4.8
Ingevolge het bepaalde in artikel 16, lid 1 en 2, LWB zijn de bestuurders hoofdelijk aansprakelijk voor de door de vennootschap verschuldigde belasting. Het begrip ‘verschuldigd’ betekent dat het moet gaan om een in een belastingaanslag geformaliseerde belastingschuld, dat die belastingaanslag opeisbaar is en dat de belastingschuldige in gebreke is die belastingaanslag te voldoen. Ter zake van belastingaanslagen waarvoor uitstel van betaling is verleend, kan dus niet tot aansprakelijkstelling worden overgegaan.
4.9
Op grond van artikel 12 Landsverordening invordering directe belastingen, wordt de verplichting tot betaling van de belastingen niet geschorst door indiening van een bezwaarschrift of een beroepschrift. Ingevolge artikel 8 van deze landsverordening kan de Ontvanger onder door hem te stellen voorwaarden aan een belastingschuldige voor een bepaalde tijd uitstel van betaling verlenen.
4.10
De beschikking aansprakelijkstelling is gedagtekend op 22 november 2016. Deze beschikking heeft mede betrekking op de definitieve aanslag winstbelasting 2007 van 30 september 2013 en op de voorlopige aanslag winstbelasting 2008 van 30 juni 2014.
4.11
Tegen de definitieve aanslag winstbelasting 2007 is op 4 december 2014 bezwaar gemaakt. Bij afzonderlijke brief is op 4 december 2014 aan de Ontvanger verzocht om uitstel van betaling. Niet gebleken is dat de Ontvanger op dit verzoek heeft beslist.
4.12
Tegen de voorlopige aanslag winstbelasting 2008 is op 15 juli 2014 bezwaar gemaakt. Bij afzonderlijke brief is op 15 juli 2014 aan de Ontvanger verzocht om uitstel van betaling. Ook is niet gebleken dat de Ontvanger op dit verzoek heeft beslist.
4.13
In de jaren nadien heeft de Ontvanger geen invorderingsmaatregelen getroffen. Zo heeft de Ontvanger nimmer gemaand te betalen en zijn ook geen dwangschriften aan de NV uitgevaardigd. Het Gerecht leidt daaruit af dat de Ontvanger het beleid voerde – overeenkomstig het beleid van de Nederlandse Belastingdienst zoals neergelegd in artikel 25.1.1 van de Leidraad Invordering 2008 – dat gedurende de behandeling van het verzoek om uitstel van betaling wordt gehandeld overeenkomstig zijn beleid dat wordt gevoerd als het verzoek zou worden toegewezen, namelijk dat uitstel van betaling wordt verleend.
4.14
Ten tijde van de aansprakelijkstelling op 22 november 2016 had de Ontvanger nog immer niet beslist op de verzoeken tot uitstel van betaling van 15 juli 2014 en 4 december 2014. Overeenkomstig voornoemd beleid handelde de Ontvanger op dat moment nog steeds alsof uitstel van betaling was verleend voor beide belastingaanslagen. Dit brengt mee dat die belastingaanslagen op dat moment niet opeisbaar waren en dat de NV niet in gebreke was die belastingaanslagen te voldoen. Gelet daarop kon dus niet tot aansprakelijkstelling voor deze belastingaanslagen worden overgegaan.
Disculpatiemogelijkheid

4.15
Gelet op het voorgaande ten overvloede, overweegt het Gerecht nog het volgende.
4.16
Ingevolge het bepaalde in artikel 16, lid 2, LWB houdt de hoofdelijke aansprakelijkheid op als de betrokkene aantoont dat hij in de onmogelijkheid verkeerde in zijn hoedanigheid van bestuurder voor de betaling te zorgen.
4.17
Belanghebbende heeft in dat verband gesteld dat bij zijn aantreden in april 2014 als bestuurder de NV in een slechte financiële situatie verkeerde, en dat hij als bestuurder daardoor in de onmogelijkheid verkeerde om de belastingschulden te betalen.
4.19
Uit de jaarrekening 2014 blijkt dat begin 2014 bij de NV een kassaldo aanwezig was van USD 415.866, dat de NV in 2014 aan salarissen een bedrag van USD 1.947.281 heeft betaald en dat voor het overige nog voor een bedrag van circa USD 2.700.000 aan kosten is gemaakt. Gelet op dit kassaldo en de verrichte betalingen acht het Gerecht niet aannemelijk dat belanghebbende vanwege de financiële situatie van de NV in de onmogelijkheid verkeerde om als bestuurder zorg te dragen voor de betaling van de belastingschulden. Nu belanghebbende voorrang heeft gegeven aan betaling van anderen boven de Ontvanger, kan zijn beroep op disculpatie niet slagen.
Schadevergoeding

4.20
Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van geleden schade. Echter de Algemene landsverordening belastingen biedt geen grondslag voor de vergoeding van schade door het onrechtmatig handelen van de wederpartij. Het verzoek dient bij de civiele rechter te worden ingediend (Raad van Beroep voor Belastingzaken 3 september 2008, nr. 2007/0028-0030, ECLI:NL:ORBBNAA:2008:BR5565).
4.21
Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat in gevallen van overschrijding van de redelijke termijn in belastingzaken, met overeenkomstige toepassing van het voor het bestuursrecht geldende artikel 50, lid 5, Landsverordening administratieve rechtspraak (LAR), een vergoeding van de immateriële schade kan worden toegekend (GHvJ 18 oktober 2018, nr. CUR2017H00019, ECLI:NL:OGHACMB:2018:164). Deze uitspraak beperkt de mogelijkheid tot het toekennen van een schadevergoeding in het belastingrecht tot de gevallen waarin de redelijke termijn is overschreden, en mist in het onderhavige geval derhalve toepassing.
4.22
Bovendien heeft belanghebbende de gestelde schade als gevolg van de aansprakelijkstelling door de Ontvanger, op generlei wijze onderbouwd. Ook om die reden kan geen schadevergoeding worden toegekend.
5

Proceskosten bezwaarfase
5.1
Ingevolge artikel 22a, lid 2 van de Algemene landsverordening belastingen (ALB) worden, op verzoek van de belastingplichtige, de kosten die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, vergoed voor zover de aanslag of beschikking wordt herroepen wegens aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid. Het verzoek moet worden gedaan voordat de Inspecteur op het bezwaar heeft beslist. De regels over de (hoogte van de) vergoeding zijn neergelegd in het Landsbesluit proceskostenvergoeding in belastingzaken.
5.2
Belanghebbende heeft in zijn bezwaarschrift verzocht om een kostenvergoeding. Het Gerecht is van oordeel dat belanghebbende recht heeft op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. Nu de beschikking wordt vernietigd, is de onrechtmatigheid van die beschikking gegeven. Deze onrechtmatigheid wordt aan de Inspecteur toegerekend (vgl. HR 20 februari 1998, nr. 16.474, ECLI:NL:HR:1998:ZC2588 (https://www.navigator.nl/document/id15761998022016474admusp?anchor=id-a0b95f7bef22e2c4a6e1c988f267a298), BNB 1998/207).
5.3
Het Gerecht stelt de proceskosten op de voet van het Landsbesluit proceskostenvergoeding in belastingzaken, vast op Afl. 100 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van Afl. 100, en een wegingsfactor van 1).
Proceskosten beroepsfase

5.4
Ingevolge artikel 15, lid 1 van de Landsverordening beroep in belastingzaken (LBB) worden de kosten vergoed die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De regels over de (hoogte van de) vergoeding zijn neergelegd in het Landsbesluit proceskostenvergoeding in belastingzaken.
5.5
In artikel 1 van dit Landsbesluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand. Deze kosten kunnen worden berekend op Afl. 1.400 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt Afl. 700, wegingsfactor 1).
Griffierecht

5.6
Verder dient de Inspecteur op grond van artikel 18, lid 4, LBB, het betaalde griffierecht van Afl. 25 aan belanghebbende te vergoeden.
6

Het Gerecht:
- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt de uitspraak op bezwaar;- vernietigt de beschikking aansprakelijkstelling;- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van Afl. 1.500; en- draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van Afl. 25 te vergoeden.
1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak; 2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende: a. de naam en het adres van de indiener,b. de dagtekening,c. waartegen u in beroep komt, d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
- natuurlijke personen: Afl. 75 - personenvennootschappen en rechtspersonen: Afl. 300
Deze uitspraak is gegeven door mr. dr. A.J.H. van Suilen, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 april 2019, in tegenwoordigheid van de griffier M.M.M. Faro MSc.

De griffier, De rechter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………….. aan partijen verzonden.

HOGER BEROEP

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)

J.G. Emanstraat 51

Oranjestad

Aruba

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie: .

Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd: