Uitspraak ECLI:NL:HR:2020:39

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-01-2020. De uitspraak is gedaan door Hoge Raad op 14-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:HR:2020:39, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/05113


Bron: Rechtspraak


HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer

Datum

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 27 november 2018, nummer 21/000844-14, in de strafzaak

tegen

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,hierna: de verdachte.

ECLI:NL:HR:2020:39:DOC
nl

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer

Datum

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 27 november 2018, nummer 21/000844-14, in de strafzaak

tegen

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,hierna: de verdachte.
1

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 21 ten laste gelegde en de strafoplegging en tot zodanige beslissing op de voet van art. 440 Sv als de Hoge Raad passend oordeelt.
overwegingen

2

2.1
Het middel is gericht tegen de bewezenverklaring en de kwalificatie van het onder 21 tenlastegelegde feit.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is onder 21 bewezenverklaard dat:“hij in de periode van 25 december 2012 tot en met 28 mei 2013 te Culemborg en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, een geldbedrag heeft verworven en voorhanden heeft gehad en heeft omgezet terwijl hij wist dat dit geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf”.
2.2.2
Het Hof heeft dit feit gekwalificeerd als medeplegen van witwassen.

2.3
Het middel klaagt dat de bewezenverklaring, voor zover die inhoudt dat de verdachte het feit heeft begaan “in de periode van 25 december 2012 tot en met 28 mei 2013” en dat de verdachte een geldbedrag “heeft omgezet”, ontoereikend is gemotiveerd. Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6-8 faalt deze klacht voor zover het gaat om de bewezenverklaarde pleegperiode, maar slaagt deze klacht voor zover het gaat om de bewezenverklaring van “heeft omgezet”. Dit hoeft echter op zichzelf niet tot cassatie te leiden, omdat ten laste van de verdachte tevens is bewezenverklaard dat hij het geldbedrag tezamen en in vereniging met een ander of anderen “heeft verworven en voorhanden heeft gehad”.

2.4
Het middel klaagt voorts over de kwalificatie door het Hof van het bewezenverklaarde (tezamen en in vereniging met een ander of anderen) verwerven en voorhanden hebben van een geldbedrag als witwassen. Deze klacht slaagt op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6 en 10-13.

2.5
De Hoge Raad zal om doelmatigheidsredenen de zaak zelf afdoen door de verdachte ter zake van het onder 21 bewezenverklaarde feit te ontslaan van alle rechtsvervolging. Daardoor worden de aard en de ernst van al wat voor het overige ten laste van de verdachte is bewezenverklaard - zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat‑Generaal onder 1 - niet aangetast, zodat vernietiging van de bestreden uitspraak ter zake van de strafoplegging achterwege kan blijven.
beslissing

3

De Hoge Raad:- vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissing ter zake van de strafbaarheid van het onder 21 bewezenverklaarde;- ontslaat de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde onder 21 van alle rechtsvervolging;- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van .