Uitspraak ECLI:NL:HR:2020:264

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-02-2020. De uitspraak is gedaan door Hoge Raad op 14-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:HR:2020:264, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 19/00866


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:HR:2020:264:DOC
nl

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer

Datum

ARREST

In de zaak van

EISERS tot cassatie,hierna gezamenlijk: [de huurders],advocaat: J. den Hoed,
tegen

[verhuurder],wonende te [woonplaats] , VERWEERDER in cassatie,hierna: [verhuurder],advocaat: H.J.W. Alt.
[de huurders] heeft tegen de arresten van het hof beroep in cassatie ingesteld. [verhuurder] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot verwerping van het cassatieberoep.De advocaat van [de huurders] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
1. [huurder 1] ,wonende te [woonplaats] , 2. [huurder 2] ,wonende te [woonplaats] ,
1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
loweralpha

het vonnis in de zaak 5024752 CV EXPL 16-13412 van de kantonrechter te Amsterdam van 28 november 2016;

de arresten in de zaak 200.210.700/01 van het gerechtshof Amsterdam van 19 juni 2018 en 20 november 2018.

overwegingen

2

De Hoge Raad heeft de klachten over de arresten van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van deze arresten. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). De Hoge Raad zal een nieuwe datum bepalen waarop de huurovereenkomst tussen partijen eindigt.
beslissing

3

De Hoge Raad:- verwerpt het beroep;- bepaalt als datum waarop de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot [het pand] te Amsterdam eindigt 14 maart 2020;- veroordeelt [de huurders] om voor of uiterlijk op 14 maart 2020 het gehuurde met de daarin vanwege [de huurders] aanwezige goederen en personen te verlaten en te ontruimen, met afgifte aan [verhuurder] van de sleutels, en al hetgeen tot het gehuurde behoort ter vrije en algehele beschikking van [verhuurder] te stellen; - veroordeelt [de huurders] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verhuurder] begroot op € 407,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [de huurders] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op .