Uitspraak ECLI:NL:HR:2020:259

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-02-2020. De uitspraak is gedaan door Hoge Raad op 14-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:HR:2020:259, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/04044


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:HR:2020:259:DOC
nl

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer

Datum

ARREST

In de zaak van

[eiser], tevens handelend onder de naam [eiser],wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie,hierna: [eiser],advocaat: T. van Malssen,
tegen

DE REPUBLIEK IRAK,zetelende te Bagdad, Irak,VERWEERSTER in cassatie,hierna: Republiek Irak,niet verschenen.
[eiser] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld. Tegen Republiek Irak is verstek verleend.De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
loweralpha

het vonnis in de zaak C/05/312594/HA ZA 16-630/57/512 van de rechtbank Gelderland van 1 februari 2017;

het arrest in de zaak 200.220.438 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 augustus 2018.

overwegingen

2

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
beslissing

3

De Hoge Raad:- verwerpt het beroep;- veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Republiek Irak begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, M.J. Kroeze, C.H. Sieburgh en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op .