Uitspraak ECLI:NL:HR:2020:250

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-02-2020. De uitspraak is gedaan door Hoge Raad op 14-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:HR:2020:250, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 19/03887


Bron: Rechtspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer

Datum

ARREST

in de zaak van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

het DAGELIJKS BESTUUR VAN DE BELASTINGSAMENWERKING OOST-BRABANT

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant van 19 juli 2019, nr. SHE 17/2159 V, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank van 11 maart 2019 betreffende een door belanghebbende gedaan verzoek om een veroordeling in de proceskosten.

ECLI:NL:HR:2020:250:DOC
nl

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer

Datum

ARREST

in de zaak van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

het DAGELIJKS BESTUUR VAN DE BELASTINGSAMENWERKING OOST-BRABANT

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant van 19 juli 2019, nr. SHE 17/2159 V, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank van 11 maart 2019 betreffende een door belanghebbende gedaan verzoek om een veroordeling in de proceskosten.

1

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op verzet beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.Het Dagelijks Bestuur van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant heeft een verweerschrift ingediend.Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
overwegingen

2

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de Rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

beslissing

4

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2020.