Uitspraak ECLI:NL:HR:2020:202

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 05-02-2020. De uitspraak is gedaan door Hoge Raad op 07-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:HR:2020:202, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/03159


Bron: Rechtspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer

Datum

ARREST

in de zaak van

[X] te [Z] , Polen (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 23 mei 2017, nr. 16/00204, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 15/2342) betreffende aan belanghebbende uitgereikte uitnodigingen tot betaling van douanerechten en antidumpingrechten. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

ECLI:NL:HR:2020:202:DOC
nl

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer

Datum

ARREST

in de zaak van

[X] te [Z] , Polen (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 23 mei 2017, nr. 16/00204, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 15/2342) betreffende aan belanghebbende uitgereikte uitnodigingen tot betaling van douanerechten en antidumpingrechten. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te reageren op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 juli 2019, CEVA Freight Holland B.V., C-249/18, ECLI:EU:C:2019:587. Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft schriftelijk gereageerd.
overwegingen

2

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.Belanghebbende, gevestigd in Polen, heeft een op haar naam gesteld aanslagbiljet met dagtekening 19 juni 2014 ontvangen met daarop vermeld uitnodigingen tot betaling van invoerrechten en van antidumpingrechten. De uitnodigingen tot betaling zien op douaneschulden die zijn ontstaan ter zake van aangiften voor het in het vrije verkeer brengen van weefsels van glasvezels. De aangiften zijn op 20 juni 2011 op naam van belanghebbende en voor haar rekening gedaan. De aangiften zijn op diezelfde dag door de douane aanvaard.
2.2.1
Voor het Hof was onder meer in geschil of de hiervoor in 2.1 bedoelde douaneschulden door verjaring teniet zijn gegaan omdat daarvan niet binnen de in artikel 221, lid 3, van het Communautair Douanewetboek (hierna: het CDW) vermelde termijn van drie jaren mededeling aan belanghebbende is gedaan.

2.2.2
Het Hof heeft geoordeeld dat het aanslagbiljet met dagtekening 19 juni 2014 binnen de hiervoor bedoelde termijn van drie jaren ter post is bezorgd en dat de douaneschulden daarom niet zijn verjaard. Het Hof heeft geen reden gezien om te twijfelen aan de, door een interne postinstructie van de Belastingdienst ondersteunde, verklaring van de Inspecteur “dat verzending van post altijd plaatsvindt op de datum van dagtekening (en soms zelfs een dag ervoor), dat dit nooit pas na die dagtekening gebeurt, en dat dit onverkort voor de onderhavige UTB geldt”.

2.3
Middel I is gericht tegen de hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordelen van het Hof. Middel I klaagt onder meer erover dat deze oordelen van het Hof ontoereikend zijn gemotiveerd.
2.4.1
Mededeling van het bedrag van de verschuldigde rechten bij invoer moet op grond van artikel 221, lid 3, van het CDW plaatsvinden binnen een termijn van drie jaren. Uit het hiervoor onder 1 vermelde arrest van het Hof van Justitie volgt dat het aan de lidstaten is voorbehouden om, met inachtneming van het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel, te bepalen (i) wat het tijdstip is waarop de mededeling aan de douaneschuldenaar moet hebben plaatsgevonden, (ii) hoe deze mededeling wordt gedaan, en (iii) op welk tijdstip zij wordt geacht te hebben plaatsgevonden.

2.4.2
Op grond van artikel 7:6, leden 1 en 3, van de Algemene douanewet (hierna: Adw) in samenhang gelezen met artikel 8, lid 1, van de Invorderingswet 1990 wordt de hiervoor in 2.4.1 bedoelde mededeling gedaan doordat de ontvanger een of meer op een aanslagbiljet vermelde uitnodigingen tot betaling aan de douaneschuldenaar toezendt. Daartoe wordt een door de inspecteur opgemaakt aanslagbiljet ter hand gesteld aan een andere functionaris van de Belastingdienst/Douane (de ontvanger, hier optredend als douaneautoriteit in de zin van het CDW) die de uitnodiging tot betaling bekend maakt door toezending of uitreiking van dat aanslagbiljet.

2.4.3
Artikel 7:6 van de Adw brengt mee dat wanneer het aanslagbiljet aan de douaneschuldenaar wordt toegezonden, de dag van terpostbezorging van het aanslagbiljet bepalend is voor de beoordeling of het door de inspecteur vastgestelde bedrag van de rechten bij invoer tijdig is meegedeeld.

2.4.4
Indien een aanslagbiljet na het verstrijken van de in artikel 221, lid 3, van het CDW vermelde termijn van drie jaren is ontvangen en de belanghebbende de tijdige toezending ervan betwist, moet de inspecteur bewijzen dat de terpostbezorging van het aanslagbiljet heeft plaatsgevonden vóór het verstrijken van die termijn. Dit geldt ook indien het aanslagbiljet is gedagtekend vóór het verstrijken van die termijn.

2.5.1
Met betrekking tot een geschil tussen de douaneschuldenaar en de inspecteur over het antwoord op de vraag of een aanslagbiljet met toepassing van artikel 8, lid 1, van de Invorderingswet 1990 in samenhang gelezen met artikel 7:6, lid 1, van de Adw, tijdig is verzonden, geldt dat de rechter een bewijsoordeel moet geven dat (i) niet mag getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, en dat (ii) voor zover van feitelijke aard, toereikend moet worden gemotiveerd en niet onbegrijpelijk mag zijn. Voor bewijsoordelen geldt verder dat de keuze en de waardering van de aangevoerde bewijsmiddelen zijn voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt.

2.5.2
De Rechtbank heeft geoordeeld dat bij gemotiveerde betwisting door belanghebbende de enkele blote stelling van de Inspecteur dat het aanslagbiljet op 19 juni 2014 is verzonden, nadere onderbouwing behoefde, en dat die onderbouwing ontbreekt. De Inspecteur heeft in zijn hogerberoepschrift verklaard:“De UTB heb ik in de loop van de dag, conform de gebruikelijke postbezorging, intern afgegeven voor verzending per post. De gebruikelijke postverwerking is intern in een werkbeschrijving opgenomen. Voor uw informatie voeg ik een print van die beschrijving bij als bijlage 3. (…) Ik verklaar (…) dat verzending van post altijd plaatsvindt op de datum van dagtekening (en soms zelfs een dag ervoor) en dit nooit pas na dagtekening gebeurt. (…) Het oordeel dat ik niet aannemelijk maak dat ik op 19 juni 2014 deze UTB heb verzonden, is ongehoord, niet gepast en ook niet verder gemotiveerd.” Bijlage 3 bij het hogerberoepschrift is de hiervoor in 2.2.2 bedoelde, interne postinstructie van de Belastingdienst. Deze postinstructie bevat een werkinstructie “Uitsplitsen van uitgaande post” op “DIV-afdelingen en dislocaties” van de Belastingdienst/Douane. Volgens deze instructie moet elke dag de uitgaande post tussen 17.00 uur en 17.30 uur worden aangeboden aan PostNL. Ter zitting van het Hof heeft de Inspecteur als volgt verklaard, kennelijk in reactie op hetgeen belanghebbende in hoger beroep als verweer heeft aangevoerd over deze stelling en over de bruikbaarheid als bewijsmiddel van deze werkinstructie:“Ik bestrijd dat de UTB is verjaard. Ik betwist de stelling van belanghebbende dat ik de UTB niet op de dagtekening heb verzonden. Die is verzonden op de dag van de dagtekening. Daar zit geen minuut ruimte tussen. De Belastingdienst/Douane heeft voor het verzenden van dit soort UTB’s geen registratiesysteem. Het is gebruikelijk dat als een brief ter post wordt bezorgd, deze diezelfde dag wordt verzonden. Brieven worden nooit geantedateerd. Ik vind het ongelooflijk dat de gemachtigde zulks stelt. De integriteit van de douane is in het geding. Zowel het voornemen voor het opleggen van de UTB als de UTB zelf zijn naar hetzelfde adres in Polen verzonden. Beide stukken zijn ook daar aangekomen, hetgeen betekent dat ze zijn verzonden.”
2.5.3
Het oordeel dat het aanslagbiljet aan belanghebbende is verzonden op de laatste dag vóór het verstrijken van de termijn van drie jaren, heeft het Hof gebaseerd op de hiervoor geciteerde verklaringen van de Inspecteur en de hiervoor bedoelde werkinstructie. Het Hof heeft zich gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting indien het ervan is uitgegaan dat voor ‘terpostbezorging’ zoals bedoeld hiervoor in 2.4.3 voldoende is dat de inspecteur of de ontvanger een poststuk intern afgeeft voor verzending per post. Indien het Hof is uitgegaan van de juiste rechtsopvatting, namelijk dat voor ‘terpostbezorging’ is vereist dat een poststuk is aangeboden aan een postvervoerbedrijf, in dit geval volgens de werkinstructie: PostNL, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk de vaststelling dat aanbieding van post aan PostNL door medewerkers van de Belastingdienst/Douane altijd plaatsvindt op de datum van dagtekening (en soms zelfs een dag ervoor) en nooit daarna. Uit de hiervoor bedoelde verklaringen en werkinstructie kan immers niet zonder meer worden afgeleid dat poststukken die de inspecteur of de ontvanger in de loop van de dag intern afgeeft voor verzending per post, ook altijd daadwerkelijk op die dag, althans altijd uiterlijk op de datum van dagtekening en nooit erna, door medewerkers van de Belastingdienst/Douane worden aangeboden aan PostNL. Daarom is evenmin begrijpelijk het op die vaststelling voortbouwende oordeel van het Hof dat het onderhavige aanslagbiljet ter post is bezorgd op de datum van dagtekening ervan, in dit geval 19 juni 2014. Middel I slaagt daarom in zoverre.

2.6
De Hoge Raad heeft ook de in middel II aangevoerde klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat dit middel niet kan leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van dit middel is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

2.7
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.5.3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Middel I voor het overige behoeft geen behandeling. Verwijzing moet volgen.

3

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding moet worden toegekend.

beslissing

4

De Hoge Raad:- verklaart het beroep in cassatie gegrond,- vernietigt de uitspraak van het Hof,- verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 501, en- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 3.150 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, L.F. van Kalmthout, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2020.

_397d6653-6d20-4bf2-b142-02cf0a2cab14
1

Zie HR 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:522, rechtsoverweging 4.8.1.

_9f80d7b3-e77d-4d93-9abe-3004d71fba67
2

Vgl. HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:930.