Uitspraak ECLI:NL:HR:2020:172

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 30-01-2020. De uitspraak is gedaan door Hoge Raad op 14-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:HR:2020:172, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 19/01562


Bron: Rechtspraak


HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer

Datum

ARREST

in de zaak van

[X3] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 februari 2019, nr. 18/00305, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 16/5566) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

ECLI:NL:HR:2020:172:DOC
nl

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer

Datum

ARREST

in de zaak van

[X3] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 februari 2019, nr. 18/00305, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 16/5566) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 6 augustus 2019 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2019:800). Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
overwegingen

2

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Belanghebbende heeft op 12 januari 2011 de juridische eigendom van 252 zendmasten verkregen van [A] B.V. Deze zendmasten zijn vrijstaande antenne-opstelpunten, bestaande uit betonnen funderingen met daarop stalen mastconstructies (hierna: de zendmasten). De zendmasten worden onder meer ten behoeve van het telecommunicatienetwerk van [A] B.V. gebruikt. Belanghebbende is niet gerechtigd tot aan de zendmasten gekoppelde voorwerpen voor telecommunicatie, zoals kabels, leidingen, antennes en schotels.

2.1.2
Belanghebbende heeft ter zake van de verkrijging van de eigendom van de zendmasten geen overdrachtsbelasting op aangifte voldaan.

2.1.3
De Inspecteur heeft ter zake van de verkrijging van de eigendom van de zendmasten aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting opgelegd.

2.2.1
Voor het Hof was in geschil of de verkrijging van de zendmasten is vrijgesteld van overdrachtsbelasting op grond van artikel 15, lid 1, aanhef en letter y, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: WBR), ook wel aangeduid als de netwerkvrijstelling.

2.2.2
Het Hof heeft bij de beoordeling van het beroep op die bepaling tot uitgangspunt genomen dat de verkrijging van de zendmasten een verkrijging van onroerende zaken als bedoeld in artikel 2, lid 1, WBR is. Uit de tekst en de parlementaire geschiedenis van de netwerkvrijstelling heeft het Hof afgeleid dat belanghebbende zich op die vrijstelling niet kan beroepen, omdat belanghebbende naar het oordeel van het Hof niet een net heeft verkregen als bedoeld in artikel 15, lid 1, aanhef en letter y, WBR.

2.3
Het middel is gericht tegen het hiervoor in 2.2.2 vermelde oordeel van het Hof. Het betoogt vanuit diverse invalshoeken dat belanghebbende met de verkrijging van de zendmasten wel een net als bedoeld in artikel 15, lid 1, aanhef en letter y, WBR heeft verkregen.

2.4
Het middel faalt op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 19/01555 (ECLI:NL:HR:2020:170), waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.

3

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

beslissing

4

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2020.