Uitspraak ECLI:NL:HR:2020:17

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-01-2020. De uitspraak is gedaan door Hoge Raad op 24-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:HR:2020:17, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 16/03746 bis


Bron: Rechtspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer

Datum

ARREST

in de zaak van

de RAAD VAN BESTUUR VAN DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK

tegen

F. VAN DEN BERG te [Z1] en H.D. GIESEN te [Z2]

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 juni 2016, nrs. 08/6650 AOW en 09/6430 AOW, na beantwoording van de door de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vragen.

ECLI:NL:HR:2020:17:DOC
nl

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer

Datum

ARREST

in de zaak van

de RAAD VAN BESTUUR VAN DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK

tegen

F. VAN DEN BERG te [Z1] en H.D. GIESEN te [Z2]

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 juni 2016, nrs. 08/6650 AOW en 09/6430 AOW, na beantwoording van de door de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vragen.

1

Voor een overzicht van het geding in cassatie tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 2 februari 2018, nr. 16/03746, ECLI:NL:HR:2018:126, wordt verwezen naar dat arrest, waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in dat arrest geformuleerde vragen.Bij arrest van 19 september 2019, Van den Berg, Giesen en Franzen, in de gevoegde zaken C-95/18 en C-96/18, ECLI:EU:C:2019:767, heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie, uitspraak doende op die vragen, voor recht verklaard:
“1) De artikelen 45 en 48 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een wettelijke regeling van een lidstaat volgens welke een migrerende werknemer die in deze lidstaat woont en op grond van artikel 13 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1992/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006, is onderworpen aan de socialezekerheidswetgeving van de werklidstaat, niet verzekerd is voor de volksverzekeringen van die woonlidstaat, ook al komt die werknemer volgens het recht van de werklidstaat niet in aanmerking voor een ouderdomspensioen of kinderbijslag.2) Artikel 13 van verordening nr. 1408/71, in de versie zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 118/97, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1992/2006, moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat waar een migrerende werknemer woont en die krachtens dat artikel niet bevoegd is, het recht op een ouderdomspensioen voor die migrerende werknemer afhankelijk stelt van een verzekeringsplicht en daarmee van verplichte premiebetaling.”
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te reageren op dit arrest. Zowel de Sociale Verzekeringsbank (hierna: de SVB) als Van den Berg heeft schriftelijk gereageerd.De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 14 november 2019 nader geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie van de SVB in de zaak Van den Berg, en in de zaak Giessen voor zover het betreft het recht op toeslag op het ouderdomspensioen over perioden na 1 januari 1989 (ECLI:NL:PHR:2019:1166).De SVB heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
overwegingen

2

2.1
Uit de hiervoor onder 1 weergegeven verklaring voor recht volgt dat de artikelen 45 en 48 VWEU Nederland als woonstaat in gevallen als van Van den Berg en Giessen niet verplichten om bij de berekening van een ouderdomspensioen als bedoeld in de AOW of een toeslag daarop, de pensioengerechtigde dan wel diens echtgenoot in afwijking van zijn nationale wetgeving (artikel 6a, aanhef en letter b, van de AOW) als verzekerde aan te merken over een periode waarin de betrokkene op grond van artikel 13 van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (hierna: Verordening 1408/71) onderworpen is geweest aan de socialezekerheidswetgeving van een andere lidstaat (de werkstaat).

2.2
Ook in de periode van 19 mei 1988 tot 1 januari 1989 was de echtgenote van Giessen op grond van artikel 13 van Verordening 1408/71 onderworpen aan de socialezekerheidswetgeving van haar werkland Duitsland. In die periode was zij naar Nederlands nationaal recht beoordeeld wel verplicht verzekerd voor de AOW. Uit het hiervoor onder 1 bedoelde arrest van het Hof van Justitie (punten 69 tot en met 72) volgt dat Nederland als niet-bevoegde lidstaat aan een ingezeten werknemer geen verzekeringsplicht met bijbehorende premiebetaling mag opleggen, zij het dat een niet-bevoegde woonlidstaat wel een ouderdomsuitkering overeenkomstig zijn nationale wetgeving mag toekennen en berekenen op basis van een ander aanknopingscriterium dan voorwaarden inzake werkzaamheden in loondienst of inzake verzekering. Uit de hiervoor onder 1 weergegeven verklaring voor recht volgt dat het er in dit verband op aankomt of (de toeslag op) het ouderdomspensioen afhankelijk is van een verzekeringsplicht en daarmee van verplichte premiebetaling. Dit is inderdaad het geval. De verzekering op grond van de AOW is immers een verplichte verzekering die gekoppeld is aan premieplicht (zie voor de hier relevante periode van 19 mei 1988 tot 1 januari 1989 artikel 34 van de AOW). Dit wordt niet anders door de omstandigheid dat de AOW-premie afhankelijk is van de hoogte van het inkomen, waardoor een verzekerde die geen of een gering inkomen heeft geen premie verschuldigd is. Een en ander betekent dat Nederland bij de berekening van de aan Giessen toekomende toeslag op zijn ouderdomspensioen de periode van 19 mei 1988 tot 1 januari 1989 niet als verzekerde periode van zijn echtgenote in aanmerking mag nemen.

2.3
Het middel slaagt.

2.4
De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaken afdoen. De uitspraken van de Rechtbanken Maastricht en Roermond, waarbij de beroepen van belanghebbenden ongegrond zijn verklaard, moeten worden bevestigd.

3

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

beslissing

4

De Hoge Raad:- verklaart het beroep in cassatie gegrond,- vernietigt de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, en- bevestigt de uitspraken van de Rechtbanken Maastricht en Roermond.
Dit arrest is gewezen door de president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2020.

_ec8e5ff6-49ff-41ac-ad34-4b41b72a31bd
1

Zie overweging 2.11.1 van het in onderdeel 1 genoemde arrest van 2 februari 2018.