Uitspraak ECLI:NL:HR:2020:115

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 23-01-2020. De uitspraak is gedaan door Hoge Raad op 24-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:HR:2020:115, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 19/03341


Bron: Rechtspraak


HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer

Datum

PREJUDICIËLE BESLISSING

in de zaak van

[X]-FONDS te [Z], Duitsland (hierna: belanghebbende)

tegen

de INSPECTEUR VAN DE BELASTINGDIENST (hierna: de Inspecteur),

waarin het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het Hof) bij uitspraak van 12 juli 2019, nrs. 14/00640 tot en met 14/00645, op de voet van artikel 27ga van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vragen aan de Hoge Raad heeft voorgelegd ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing. De uitspraak van het Hof is aan deze beslissing gehecht.

ECLI:NL:HR:2020:115:DOC
nl


HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer

Datum

PREJUDICIËLE BESLISSING

in de zaak van

[X]-FONDS te [Z], Duitsland (hierna: belanghebbende)

tegen

de INSPECTEUR VAN DE BELASTINGDIENST (hierna: de Inspecteur),

waarin het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het Hof) bij uitspraak van 12 juli 2019, nrs. 14/00640 tot en met 14/00645, op de voet van artikel 27ga van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vragen aan de Hoge Raad heeft voorgelegd ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing. De uitspraak van het Hof is aan deze beslissing gehecht.

1

Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar de tussenuitspraken van het Hof van 12 oktober 2017 en 12 juli 2019, beide met nrs. 14/00640 tot en met 14/00645.Ook de tussenuitspraak van 12 oktober 2017 is aan dit arrest gehecht.
procesverloop

2

Bij de tussenuitspraak van 12 oktober 2017 heeft het Hof prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Na de beantwoording daarvan door het Hof van Justitie heeft het Hof bij tussenuitspraak van 12 juli 2019 de volgende vragen aan de Hoge Raad voorgelegd (hierna: de prejudiciële vragen):“1. Zijn fondsen voor gemene rekening in de zin van artikel 2, lid 2 (thans: lid 3), van de Wet Vpb uitsluitend fondsen voor gemeenschappelijke – in tegenstelling tot individuele – belegging? Is het voor het antwoord op deze vraag van belang of de enige deelgerechtigde tot het vermogen van een beleggingsfonds zelf voor gemene rekening belegt?2. Zo vraag 1 aldus moet worden moet worden beantwoord dat uitsluitend fondsen voor gemeenschappelijke belegging fondsen voor gemene rekening zijn: hoe moet worden beoordeeld of een fonds is bestemd voor gemeenschappelijke, dan wel individuele belegging? Moet die beoordeling plaatsvinden aan de hand van een materiële beoordeling van de bedoeling van de partijen die het fonds hebben opgericht, dan wel op andere – en, zo ja, welke – wijze?3. Indien de beoordeling in een voorliggend geval ertoe leidt dat een fonds transparant is voor fiscale doeleinden, in dier voege dat het voor die doeleinden niet als een zelfstandig lichaam kan worden aangemerkt, moet een – uitsluitend – door of namens een zodanig fonds ingediend verzoek tot teruggave van dividendbelasting dan worden geacht, mede, namens de deelgerechtigde(n) tot het vermogen van dat fonds te zijn ingediend, dan wel moet dat verzoek aan die deelgerechtigde(n) worden toegerekend, dan wel moet het teruggaveverzoek worden afgewezen op grond van de omstandigheid dat niet uitdrukkelijk namens de deelgerechtigde(n) om teruggave is verzocht.4. Indien vraag 1 aldus wordt beantwoord dat ook een fonds voor individuele belegging als een fonds voor gemene rekening in de zin van artikel 2, lid 2, van de Wet Vpb, zou kunnen worden gekwalificeerd: hoe moet worden beoordeeld of de bewijzen van deelgerechtigdheid vrij verhandelbaar zijn in de in artikel 2, lid 2, van de Wet Vpb bedoelde zin? Is daartoe beslissend hetgeen dienaangaande in de statuten is bepaald? Indien het in de statuten dienaangaande bepaalde niet beslissend is, aan de hand van welke (overige) factoren moet deze beoordeling (mede) plaatsvinden?5. Heeft een buiten Nederland gevestigd beleggingsfonds dat, bij denkbeeldige vestiging in Nederland, niet zelfstandig in de heffing van vennootschapsbelasting zou worden betrokken, recht op teruggave van de van dat fonds geheven dividendbelasting ingevolge (thans) artikel 10, lid 2, van de Wet DB op de grond dat het als doelvermogen in de heffing van dividendbelasting is betrokken, zonder onderworpen te zijn aan de heffing van vennootschapsbelasting? Heeft een zodanig beleggingsfonds onder de wetgeving tot 1 januari 2007, op Unierechtelijke gronden in verbinding met het tot 1 januari 2007 geldende artikel 10, lid 1, van de Wet DB, recht op een dergelijke teruggave?6. Zo vraag 5, geheel of gedeeltelijk, bevestigend moet worden beantwoord: aan de hand van welke normen moet worden beoordeeld of een beleggingsfonds een doelvermogen is?7. Zo vraag 5, geheel of gedeeltelijk, bevestigend moet worden beantwoord: is dan nog van belang of en in hoeverre de heffing van dividendbelasting door Nederland in de lidstaat van vestiging van het beleggingsfonds is geneutraliseerd?8. Leidt de omstandigheid dat buiten Nederland gevestigde beleggingsfondsen met slechts één aandeelhouder niet voor een teruggave van dividendbelasting in aanmerking komen omdat hun kwalificatie als fiscale beleggingsinstelling in de zin van artikel 28, lid 2, van de Wet Vpb afstuit op de daarin vervatte aandeelhouderseisen tot een ongerechtvaardigde inbreuk op het recht op vrij kapitaalverkeer ingevolge (thans) artikel 63 VWEU?”Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris van Financiën heeft schriftelijke opmerkingen ingediend.Na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld heeft belanghebbende schriftelijk gereageerd op de opmerkingen van de Staatssecretaris van Financiën.De conclusie van Advocaat-Generaal P.J. Wattel van 26 september 2019 strekt, voor het geval de Hoge Raad besluit tot het beantwoorden van de prejudiciële vragen, tot beantwoording daarvan als in onderdeel 8.2 van de conclusie is vermeld. Belanghebbende heeft op de conclusie gereageerd.
3

Inleiding
3.1.1
De achtergrond van de prejudiciële vragen is de volgende. Uit de stukken van het geding blijkt dat de Belastingdienst de afgelopen jaren grote aantallen verzoeken heeft ontvangen van buitenlandse beleggingsfondsen die met een beroep op de door het VWEU gegarandeerde verkeersvrijheden teruggaaf vragen van Nederlandse dividendbelasting. Deze verzoeken hebben geleid tot bezwaar- en beroepsprocedures. Volgens de stukken van het geding had de Belastingdienst eind juni 2019 alleen al van Duitse fondsen ruim 10.000 teruggaafverzoeken in behandeling. Van deze verzoeken heeft 80 procent betrekking op Spezial-Sondervermögen met één gerechtigde tot het vermogen. Een van de hier bedoelde zaken is die van belanghebbende, die het Hof aanleiding heeft gegeven om de prejudiciële vragen te stellen.

3.1.2
Belanghebbende is een naar Duits recht opgericht en feitelijk in Duitsland gevestigd Spezial-Sondervermögen met één gerechtigde. Belanghebbende heeft bij de Inspecteur verzoeken ingediend tot teruggaaf van dividendbelasting die is ingehouden op dividenden, uitgekeerd op aandelen in Nederlandse vennootschappen. Hij maakt aanspraak op de in artikel 10 van de Wet op de dividendbelasting 1965 (hierna: de Wet) bedoelde teruggaaf. Hij doet daartoe een beroep op de door het VWEU gegarandeerde verkeersvrijheden, in het bijzonder de vrijheid van kapitaalverkeer (artikel 63 VWEU).

3.1.3
Artikel 10, lid 1, van de Wet bepaalt dat aan een in Nederland gevestigde, niet aan de vennootschapsbelasting onderworpen rechtspersoon, op zijn verzoek teruggaaf wordt verleend van in een kalenderjaar te zijnen laste ingehouden dividendbelasting. Evenzo bepaalt artikel 10, lid 2, van de Wet, kort gezegd, dat aan een beleggingsinstelling op haar verzoek teruggaaf wordt verleend van in een jaar te haren laste ingehouden dividendbelasting. Onder beleggingsinstellingen worden in dit verband verstaan beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet Vpb 1969). Tot zodanige beleggingsinstellingen kunnen fondsen voor gemene rekening behoren. Met de woorden “te zijnen laste ingehouden dividendbelasting” onderscheidenlijk “te haren laste ingehouden dividendbelasting” is tot uitdrukking gebracht dat de teruggevraagde dividendbelasting moet zijn geheven van de verzoeker als gerechtigde tot de opbrengst in de zin van artikel 1, lid 1, van de Wet.
3.1.4
Voor de beantwoording van de vraag of artikel 63 VWEU meebrengt dat een Spezial-Sondervermögen zoals belanghebbende recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting, op dezelfde wijze als de in artikel 10 van de Wet bedoelde in Nederland gevestigde lichamen, moet eerst worden beoordeeld of belanghebbende objectief vergelijkbaar is met een lichaam als bedoeld in artikel 10 van de Wet.

3.1.5
Een van de stellingen die door belanghebbende wordt verdedigd, is dat hij een doelvermogen vormt als bedoeld in artikel 3 van de Wet Vpb 1969 en dat hij daarom niet aan de vennootschapsbelasting zou zijn onderworpen als hij in Nederland was gevestigd. Artikel 2 van de Wet Vpb 1969 geeft namelijk een limitatieve opsomming van de binnenlandse belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting en het doelvermogen komt daarin niet voor. In de opvatting van belanghebbende is hij mede daarom vergelijkbaar met een in Nederland gevestigde, niet aan de vennootschapsbelasting onderworpen rechtspersoon die onder het bereik van artikel 10, lid 1, van de Wet valt. Een andere stelling die door belanghebbende wordt verdedigd, is dat hij vergelijkbaar is met op grond van artikel 10, lid 2, van de Wet tot teruggaaf gerechtigde fondsen voor gemene rekening die de status van beleggingsinstelling hebben.
3.1.6
Het Hof heeft in zijn tussenuitspraak van 12 oktober 2017 als zijn voorlopig oordeel gegeven dat belanghebbende naar Nederlandse fiscale maatstaven transparant is en daarom niet kan worden aangemerkt als de in artikel 1, lid 1, van de Wet bedoelde gerechtigde tot de opbrengst van de Nederlandse aandelen. Het Hof heeft in zijn tussenuitspraak van 12 juli 2019 echter overwogen vooralsnog geen einduitspraak te zullen doen in de zaak van belanghebbende, maar de Hoge Raad te verzoeken duidelijkheid te verschaffen over de rechtsvragen die verband houden met het geschil over de (eventuele) transparantie van belanghebbende voor fiscale doeleinden.

3.1.7
De Hoge Raad is van oordeel dat de prejudiciële vragen 5, 7 en 8 van het Hof niet kunnen worden beantwoord voordat het Hof van Justitie in de zaak met nummer C-156/17 de door de Hoge Raad bij arrest van 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:342, aan dat hof voorgelegde prejudiciële vragen heeft beantwoord. De Hoge Raad houdt daarom de beantwoording van deze vragen aan.
Feiten

3.2.1
Het gaat in deze zaak om een naar Duits recht opgericht en feitelijk in Duitsland gevestigd Spezial-Sondervermögen zonder rechtspersoonlijkheid. Doel en feitelijke werkzaamheid zijn het beleggen van vermogen. Het vermogen van belanghebbende vormt een afgescheiden vermogen. Dit vermogen is in aandelen verdeeld.

3.2.2
Belanghebbende wordt in het rechtsverkeer vertegenwoordigd door een Kapitalverwaltungsgesellschaft met de rechtsvorm van een Gesellschaft mit beschränkter Haftung. Deze belegt het vermogen van belanghebbende in eigen naam, maar voor rekening en risico van de aandeelhouder van belanghebbende.

3.2.3
Sinds de oprichting van belanghebbende worden alle aandelen in zijn vermogen gehouden door een publiekrechtelijk lichaam naar Duits recht. Het vermogen van dit lichaam is niet in aandelen verdeeld.
Prejudiciële vraag 1: gemeenschappelijke belegging?

3.3.1
Op grond van artikel 10, lid 2, van de Wet wordt aan een in Nederland gevestigd fonds voor gemene rekening dat de status heeft van beleggingsinstelling teruggaaf verleend van in een jaar te haren laste ingehouden dividendbelasting.

3.3.2
Het begrip ‘fonds voor gemene rekening’ is gedefinieerd in artikel 2 van de Wet Vpb 1969. De eerste prejudiciële vraag betreft de uitleg van dit begrip. Beantwoording van deze vraag is van belang voor de beoordeling van de hiervoor in 3.1.5, slotzin, vermelde stelling van belanghebbende.

3.3.3
Artikel 2 van de Wet Vpb 1969 omschrijft een fonds voor gemene rekening als “een fonds ter verkrijging van voordelen voor de deelgerechtigden door het voor gemene rekening beleggen of anderszins aanwenden van gelden, mits van de deelgerechtigdheid in het fonds blijkt uit verhandelbare bewijzen van deelgerechtigdheid”. Deze omschrijving brengt mee dat een fonds alleen dan een fonds voor gemene rekening is indien het beoogt zijn vermogen te beleggen of anderszins aan te wenden voor de gemeenschappelijke rekening van twee of meer deelgerechtigden en dit ook feitelijk het geval is. Een fonds voor slechts één gerechtigde kan daarom niet worden aangemerkt als een fonds voor gemene rekening. Dit laat onverlet dat een beleggingsfonds zijn karakter van fonds voor gemene rekening niet verliest, indien de bewijzen van deelgerechtigdheid in zijn vermogen voor korte tijd in één hand komen. Op de eerste prejudiciële vraag moet daarom worden geantwoord dat fondsen voor gemene rekening in de zin van artikel 2 van de Wet Vpb 1969 uitsluitend fondsen kunnen zijn voor de gemeenschappelijke belegging of andere aanwending van vermogen. Hierbij is niet van belang of de gerechtigde tot dat vermogen zelf voor gemene rekening belegt.
Prejudiciële vraag 2: materiële beoordeling ‘voor gemene rekening’?

3.4.1
Bij de beoordeling of een beleggingsfonds voldoet aan de omschrijving ‘voor gemene rekening’ in artikel 2 van de Wet Vpb 1969 moet rekening worden gehouden met alle feiten en omstandigheden van het geval, in onderlinge samenhang bezien. Daarbij moeten niet alleen de bewoordingen worden betrokken van de overeenkomsten die de oprichting en het functioneren van het beleggingsfonds regelen, maar ook de bedoeling van de oprichter(s) van het beleggingsfonds en de feitelijke situatie.

3.4.2
Op de tweede prejudiciële vraag moet dus worden geantwoord dat de beoordeling of een fonds is bestemd voor gemeenschappelijke dan wel individuele belegging, aan de hand van materiële kenmerken dient plaats te vinden, rekening houdend met alle feiten en omstandigheden van het geval, in onderlinge samenhang bezien.
Prejudiciële vraag 3: verzoek mede namens deelgerechtigde(n)?

3.5.1
De derde prejudiciële vraag van het Hof betreft het geval waarin een verzoek om teruggaaf van dividendbelasting is gedaan door een beleggingsfonds dat naar Nederlandse fiscale maatstaven transparant is.

3.5.2
Een verzoek om teruggaaf van dividendbelasting kan alleen worden aangemerkt als een verzoek van degene door of namens wie het is gedaan. Wie degene is door of namens wie het verzoek is gedaan, is een feitelijke vraag die zo nodig moet worden beantwoord door uitlegging van het verzoek. Indien aldus komt vast te staan dat een verzoek om teruggaaf van dividendbelasting uitsluitend is gedaan door of namens een volgens Nederlandse fiscale maatstaven transparant fonds, kan het verzoek niet worden aangemerkt als een verzoek dat mede is gedaan door de gerechtigde(n) tot het vermogen van dat fonds. Het verzoek moet dan worden afgewezen, omdat geen dividendbelasting is ingehouden ten laste van de verzoeker (het fiscaal transparante fonds).

3.5.3
Op de derde prejudiciële vraag moet dus worden geantwoord dat een verzoek om teruggaaf van dividendbelasting moet worden afgewezen indien het uitsluitend door of namens een fiscaal transparant fonds is gedaan.
Prejudiciële vraag 4

3.6
De beantwoording van de eerste prejudiciële vraag brengt mee dat de vierde prejudiciële vraag geen beantwoording behoeft.
Prejudiciële vraag 6: kenmerken van een doelvermogen

3.7.1
Hoewel de zesde prejudiciële vraag voortbouwt op de vijfde prejudiciële vraag en deze laatstgenoemde vraag thans niet wordt beantwoord, zal de Hoge Raad wel tot beantwoording van de zesde prejudiciële vraag overgaan. Die vraag is van nationaal recht en kan daarom worden beantwoord zonder het arrest van het Hof van Justitie in de zaak met nummer C-156/17 af te wachten.

3.7.2
Met zijn zesde prejudiciële vraag wenst het Hof te vernemen aan de hand van welke maatstaven moet worden beoordeeld of een beleggingsfonds een doelvermogen is als bedoeld in artikel 3 van de Wet Vpb 1969. Uit de rechtsoverwegingen van het Hof blijkt dat het Hof in essentie wenst te vernemen of een fonds door uitgifte van bewijzen van deelgerechtigdheid het karakter mist van doelvermogen als bedoeld in artikel 3 van de Wet Vpb 1969.

3.7.3
In het Nederlandse belastingrecht wordt onder een doelvermogen verstaan: een tot een bepaald doel afgezonderd vermogen, dat geen rechtspersoonlijkheid heeft en evenmin aan een (rechts)persoon toebehoort. Een dergelijk vermogen wordt behandeld als een zelfstandige fiscale entiteit. Hieruit volgt dat een vermogen niet als een doelvermogen kan worden aangemerkt indien het toebehoort aan een of meer (rechts)personen, bijvoorbeeld omdat zij door middel van bewijzen van deelgerechtigdheid aanspraak kunnen maken op dat vermogen.

3.7.4
Op de zesde prejudiciële vraag moet dus worden geantwoord dat een fonds niet als doelvermogen in de zin van artikel 3 van de Wet Vpb 1969 kan worden aangemerkt indien het bewijzen van deelgerechtigdheid heeft uitgegeven die aan de houders ervan aanspraak geven op een aandeel in het vermogen van dit fonds.
4

Door het Hof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van de onderhavige prejudiciële procedure een vergoeding dient te worden toegekend.
beslissing

5

Gelet op hetgeen hiervoor in onderdeel 3 is overwogen, beantwoordt de Hoge Raad de prejudiciële vragen 1, 2, 3 en 6 als volgt:
1) Fondsen voor gemene rekening in de zin van artikel 2 van de Wet Vpb 1969 kunnen uitsluitend fondsen zijn voor de gemeenschappelijke belegging of andere aanwending van vermogen. Hierbij is niet van belang of de gerechtigde tot dat vermogen zelf voor gemene rekening belegt.

2) De beoordeling of een fonds is bestemd voor gemeenschappelijke dan wel individuele belegging, dient aan de hand van materiële kenmerken plaats te vinden, rekening houdend met alle feiten en omstandigheden van het geval, in onderlinge samenhang bezien.

3) Een verzoek om teruggaaf van dividendbelasting moet worden afgewezen, indien het uitsluitend door of namens een fiscaal transparant fonds is gedaan.

6) Een fonds kan niet als doelvermogen in de zin van artikel 3 van de Wet Vpb 1969 worden aangemerkt indien het bewijzen van deelgerechtigdheid heeft uitgegeven die aan de houders ervan aanspraak geven op een aandeel in het vermogen van dit fonds.

De Hoge Raad houdt de beantwoording van de prejudiciële vragen 5, 7 en 8 aan totdat het Hof van Justitie uitspraak heeft gedaan naar aanleiding van de door de Hoge Raad aan dat hof voorgelegde prejudiciële vragen in de zaak met nummer C-156/17.

Deze beslissing is gegeven door de raadsheer J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon, M.A. Fierstra, L.F. van Kalmthout en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2020.

_ba8a0d28-edda-483f-9563-3746c03e7c64
1

ECLI:NL:GHSHE:2017:4323.

_d2fd1515-6a11-409f-b967-f8e124a7a3d2
2

ECLI:NL:GHSHE:2019:2385.

_483af0a5-cbb3-4804-a421-d21ac7ccdbf4
3

HvJ 2 mei 2019, A-Fonds, C-598/17, ECLI:EU:C:2019:352.

_27285adb-bc0d-4b38-932b-3418fdbc8dde
4

ECLI:NL:PHR:2019:782.

_a12f40b0-8340-42fd-8ca2-a398e0665b95
5

Vgl. HR 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1610.

_ef5eabea-88ca-4a9b-b372-1f2c7a1cce7a
6

Kamerstukken II, 1968/69, 6000, nr. 22, blz. 20.

_1818d8a6-5697-4b68-9ff4-4bf78964ca7f
7

Vgl. HR 18 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:BI5819.