Uitspraak ECLI:NL:HR:2019:948

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-06-2019. De uitspraak is gedaan door Hoge Raad op 14-06-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:HR:2019:948, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/03125


Bron: Rechtspraak

Hoge Raad der NederlandenDerde KamerNr. 18/0312514 juni 2019
Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van te (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het van 15 juni 2018, nr. 17/00166, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 16/636) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2013 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

ECLI:NL:HR:2019:948:DOC
nl

Hoge Raad der NederlandenDerde KamerNr. 18/0312514 juni 2019
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van te (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het van 15 juni 2018, nr. 17/00166, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 16/636) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2013 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
overwegingen

2

2.1.
Het beroepschrift in cassatie bevat, hoewel artikel 6:5, lid 1, letter d, Awb dit vereist, niet de gronden van het beroep. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende in de gelegenheid gesteld dat verzuim te herstellen. De gronden zijn een dag na de gestelde termijn bij de Hoge Raad binnengekomen. Dit is een verzuim als bedoeld in artikel 6:6, aanhef en onder a, Awb op grond waarvan het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

2.2.
De Hoge Raad ziet aanleiding die niet-ontvankelijkverklaring in dit geval achterwege te laten aangezien de zaak deel uitmaakt van zes bij de Hoge Raad aangebrachte (massaalbezwaar)zaken waarin dezelfde rechtsvraag aan de belastingrechter wordt voorgelegd en niet-ontvankelijkverklaring tot gevolg zou hebben dat het rechtsoordeel van een van de drie betrokken gerechtshoven in cassatie buiten beschouwing zou blijven.

overwegingen

3

3.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1.
Belanghebbende heeft voor het jaar 2013 aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) gedaan naar onder meer een rendementsgrondslag voor het inkomen uit sparen en beleggen (hierna: box 3) van € 300.545, bestaande uit bezittingen ter waarde van € 342.823 min het heffingvrije vermogen van € 42.278. Hiervan is € 296.745 bij belanghebbende in aanmerking genomen, de rest bij zijn echtgenote.De bezittingen bestonden op 1 januari 2013 uit bank- en spaartegoeden (€ 280.992) en aandelen en obligaties (€ 61.831). Op die bank- en spaartegoeden is in 2013 € 4.021 aan rente ontvangen.
3.1.2.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2013 een aanslag IB/PVV opgelegd naar (onder meer) een belastbaar inkomen uit box 3 van € 11.869 (vier procent van € 296.745). De box 3 heffing daarover is berekend op € 3.560 (30 procent van € 11.869).

3.1.3.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag voor zover deze de box 3 heffing betreft.

3.1.4.
Het bezwaar van belanghebbende maakt deel uit van de bezwaarschriften die met toepassing van artikel 25a AWR zijn aangemerkt als massaal bezwaar (besluit van 26 juni 2015, nr. BLKB2015/903M, Stcrt. 2015, 18400; besluit van 6 juni 2016, nr. BLKB2016/425, Stcrt. 2016, 31329) en waarin het bezwaar uitsluitend de stelling omvat dat de vermogensrendementsheffing (artikel 5.2, lid 1, Wet IB 2001) op spaarsaldi naar haar aard in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: artikel 1 EP), zonder dat in geschil is of die heffing een individuele en buitensporige last vormt. Ook in de bij de Hoge Raad aangebrachte procedures is het geschil tot die stelling beperkt. Die procedures zijn geregistreerd onder de volgende zaaknummers: 17/05606, 17/05609, 17/05610, 18/00690, 18/03125 en 18/03128. De procedure met zaaknummer 18/03125 heeft betrekking op een voor het jaar 2013 opgelegde aanslag IB/PVV. De procedures met de andere vijf zaaknummers hebben betrekking op voor het jaar 2014 opgelegde aanslagen IB/PVV.

3.2.
Het Hof heeft belanghebbende in het ongelijk gesteld en heeft daartoe onder meer als volgt geoordeeld. Bij de toets of de forfaitaire rendementsheffing op het niveau van de wet- en regelgeving in strijd is met artikel 1 EP moet worden gekeken naar de nominale rendementen van beleggingen waarbij de belastingplichtige niet (veel) risico hoeft te nemen, te weten een mix van spaarrekeningen, termijndeposito’s en staatsobligaties. Er is voldoende steun voor de stelling van belanghebbende dat het destijds door de wetgever veronderstelde rendement van vier procent over een langere reeks van jaren voor risicomijdende beleggingen voor het jaar 2013 niet meer haalbaar was. Wel moet een rendement van in ieder geval twee procent als haalbaar worden beschouwd. Daarvan uitgaande is de heffing van box 3, gelet op het tarief van 30 procent, gelijk aan een forfaitaire regeling met een gefingeerd rendement van twee procent dat wordt belast tegen een percentage van 60 procent. Van een dergelijke heffing kan niet worden gezegd dat zij ertoe leidt dat belastingplichtigen worden geconfronteerd met een buitensporig zware last. Van een schending van artikel 1 EP voor het jaar 2013 is dan ook geen sprake, aldus het Hof.

3.3.
Het middel komt op tegen het in 3.2 weergegeven oordeel van het Hof. Het middel bestrijdt enkele onderdelen van het oordeel van het Hof over de haalbaarheid van een forfaitair rendement van vier procent voor het jaar 2013. Het betoogt daarnaast dat het Hof ten onrechte het nominale rendement als uitgangspunt heeft genomen en niet is ingegaan op de vraag over welke periode het rendement dient te worden beoordeeld.

3.4.
Op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 17/05606 (ECLI:NL:HR:2019:816), waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht, kan het middel niet tot cassatie leiden.

4

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

beslissing

5

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2019.