Uitspraak ECLI:NL:HR:2019:928

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-06-2019. De uitspraak is gedaan door Hoge Raad op 14-06-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:HR:2019:928, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/02003


Bron: Rechtspraak

14 juni 2019Eerste Kamer18/02003TT/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:
[eiseres],gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. N.C. van Steijn,
t e g e n
[verweerster] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en [verweerster].

ECLI:NL:HR:2019:928:DOC
nl

14 juni 2019Eerste Kamer18/02003TT/MD
Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:
[eiseres],gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. N.C. van Steijn,
t e g e n
[verweerster] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en [verweerster].

1

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar: a. de vonnissen in de zaak C/16/327235/HA ZA 12-943 van de rechtbank Utrecht van 19 september 2012 en van de rechtbank Midden-Nederland van 19 juni 2013, 22 januari 2014 en 15 juli 2015;b. de arresten in de zaak 200.178.164 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 februari 2017 en 13 februari 2018. Het arrest van het hof van 13 februari 2018 is aan dit arrest gehecht.
2

Tegen het arrest van het hof van 13 februari 2018 heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Tegen [verweerster] is verstek verleend. De zaak is voor [eiseres] toegelicht door haar advocaat. De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot vernietiging en verwijzing.
overwegingen

3

3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.( i) In september 2011 zijn [verweerster] en [A] B.V. (hierna: [A]) overeengekomen dat [A] bestratingswerkzaamheden zou uitvoeren op het terrein van [verweerster] tegen een vergoeding van € 170.500,-- (excl. BTW).( v) Na het eindvonnis van de rechtbank is de vordering van [A] op [verweerster] uit hoofde van de aannemings-overeenkomst, aan [eiseres] gecedeerd. De cessie is aan [verweerster] meegedeeld voordat de appeldagvaarding is uitgebracht.
(ii) Tijdens de uitvoering van het werk is meerwerk overeengekomen en uitgevoerd. Partijen verschillen van mening over de vraag in hoeverre dat het geval is.(iii) [verweerster] heeft aan [A] € 185.000,-- betaald.(iv) Op 7 mei 2013 is [A] failliet verklaard.
3.2.1
In dit geding heeft [A] van [verweerster] betaling van € 39.812,05 gevorderd wegens het door haar geleverde bestratingswerk. [verweerster] heeft daartegen aangevoerd dat het geleverde werk gebrekkig is en dat zij de aannemings-overeenkomst op grond van wanprestatie heeft ontbonden. In reconventie vordert [verweerster], kort gezegd, ontbinding van de overeenkomst.
3.2.2
De rechtbank heeft na deskundigenbericht de aannemingsovereenkomst ontbonden en [A] veroordeeld tot betaling van € 13.792,--. Dit bedrag is het resultaat van de volgende berekening: € 170.500,-- (aanneemsom), verhoogd met € 37.338,-- (meerwerk), verlaagd met € 36.630,-- (waardevermindering door tekortkomingen [A]), verlaagd met € 185.000,-- (al door [verweerster] voldaan). Van de hiervoor vermelde post van € 36.630,-- maakt deel uit een bedrag van € 33.535,-- voor herstelkosten van delen van de bestrating waarop zich plassen vormen.
3.2.3
[eiseres] heeft, als rechtsopvolgster van [A], in hoger beroep bezwaar gemaakt tegen de beslissing van de rechtbank om wegens plasvorming een korting van € 33.535,-- toe te passen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en, voor zover in cassatie van belang, hiertoe als volgt overwogen. [A] heeft de deskundige gevraagd of hij in de concept-rapportage meende dat de gesignaleerde plasvorming plaatsvond op terrein waar [A] straatwerk had verricht, en zo ja waarom. De deskundige heeft daarop bevestigend gereageerd onder verwijzing naar de tekening die als productie 1 bij memorie van grieven in het geding is gebracht. Op die tekening is in roze aangegeven waar [A] niet heeft gewerkt. Beide partijen hebben erkend dat de tekening op dit punt juist is. Daarop valt te zien dat de strook die tegen de westgrens van [verweerster]’ terrein ligt, buiten het gebied valt waar [A] straatwerk moest verrichten. Ook uit het verslag van het locatiebezoek blijkt dat de deskundige rekening heeft gehouden met het feit dat [A] daar geen werk heeft uitgevoerd. De tekst daarvan luidt namelijk:“… aan de gehele westzijde loopt een strook van zo’n 6 m waar geen werkzaamheden aan zijn verricht, deze bestrating heeft een afschot van <1%. Het afschot vanaf de loading-docks tot aan het deel wat niet is aangepast bedraagt zo’n 2%. In de lengterichting van noord naar zuid ligt dit deel nagenoeg vlak. (…) In een strook van 0,5 m langs de keerwand is op verschillende plekken zandophoping waargenomen.”
Hieruit maakt het hof op dat de plasvorming op de westelijke strook, die de deskundige heeft waargenomen tijdens zijn latere bezoeken, plaatsvond op straatwerk dat door [A] is gelegd. Uit de inhoud van het rapport blijkt voldoende duidelijk dat het hier beoordeelde verweer ongegrond is: buiten twijfel is dat de bedoelde plasvorming op straatwerk van [A] plaatsvond. (rov. 5.14)

3.3.1
Onderdeel 1 van het middel klaagt onder meer dat – gelet op de stellingen van [eiseres], die erop neerkomen dat de plasvorming plaatsvond langs de keerwand in het roze gebied en dat dit gebied buiten de overeenkomst viel – onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 5.14 aan de hand van het deskundigenrapport tot de conclusie komt dat de plasvorming op de westelijke strook zich voordoet op het bestratingswerk van [A].
3.3.2
Het onderdeel slaagt. Uit de stellingen van [eiseres] in de memorie van grieven en uit haar verklaringen ter comparitie voor het hof volgt onmiskenbaar dat zij zich in hoger beroep op het standpunt heeft gesteld dat de plasvorming plaatsvond op het gedeelte van het terrein dat op de tekening (die onder meer in het geding is gebracht als productie 1 bij memorie van grieven) in roze is aangegeven. [eiseres] heeft onder meer verwezen naar haar opmerking ter comparitie dat de foto’s waarop de deskundige plasvorming aanwijst, het roze gedeelte betreffen. Het hof heeft in rov. 5.14 overwogen dat beide partijen hebben erkend dat de tekening juist is op het punt dat deze in roze aangeeft waar [A] niet heeft gewerkt. Hiervan uitgaande is onbegrijpelijk op welke grond het hof is voorbijgegaan aan het verweer van [eiseres] dat de plasvorming zich buiten het door [A] bestrate gebied heeft voltrokken.
3.4
De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.
beslissing

4

De Hoge Raad:vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 februari 2018;verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;veroordeelt [verweerster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 2.802,97 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [verweerster] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op .