Uitspraak ECLI:NL:HR:2019:920

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-06-2019. De uitspraak is gedaan door Hoge Raad op 14-06-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:HR:2019:920, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/03242


Bron: Rechtspraak

14 juni 2019Nr. 18/03242
Arrest

gewezen op het door te ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van het van 26 juni 2018, nrs. 16/00761 en 16/00762, betreffende een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

ECLI:NL:HR:2019:920:DOC
nl

14 juni 2019Nr. 18/03242
Arrest
gewezen op het door te ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van het van 26 juni 2018, nrs. 16/00761 en 16/00762, betreffende een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

overwegingen

1

Het beroep in cassatie is volgens het beroepschrift ingesteld namens [X] te [Z] en gericht tegen de hiervoor vermelde uitspraak gericht aan VOF [X] te [Z] . De griffier van de Hoge Raad heeft de indiener van het beroepschrift daarop verzocht binnen zes weken een bewijsstuk over te leggen dat hij een volmacht heeft om het beroepschrift in cassatie in te dienen, dan wel een verklaring van degene namens wie hij beroep in cassatie heeft ingesteld dat deze daarmee instemt. De indiener van het beroepschrift heeft een machtiging overgelegd die is verleend door [B] B.V. te [Z] , “voorheen de vennootschap onder firma [X] ”. Uit deze machtiging noch op andere wijze blijkt evenwel dat [B] B.V. de rechtsopvolger is van VOF [X] en bevoegd is op te treden namens VOF [X] . Daarom gaat de Hoge Raad ervan uit dat de indiener van het beroepschrift niet bevoegd was namens VOF [X] beroep in cassatie in te stellen, en zal de Hoge Raad het beroep in cassatie op die grond niet-ontvankelijk verklaren.
2

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

beslissing

3

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2019.