Uitspraak ECLI:NL:HR:2019:714

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-05-2019. De uitspraak is gedaan door Hoge Raad op 14-05-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:HR:2019:714, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/00697


Bron: Rechtspraak

14 mei 2019Strafkamernr. S 18/00697 P
Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

[betrokkene]

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 25 oktober 2017, nummer 21/001932-17, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

ECLI:NL:HR:2019:714:DOC
nl

14 mei 2019Strafkamernr. S 18/00697 P
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest

[betrokkene]

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 25 oktober 2017, nummer 21/001932-17, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
1

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft J.J. Bussink, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
overwegingen

2

2.1.
Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM niet is overschreden. Het voert daartoe aan dat na de uitspraak van de Politierechter de verstekmededeling niet binnen een jaar na de uitspraak rechtsgeldig is betekend en dat het Openbaar Ministerie bij die betekening niet de nodige voortvarendheid heeft betracht.
2.2.
Het middel is terecht voorgesteld. Tot cassatie behoeft dat niet te leiden reeds omdat de Hoge Raad tot het oordeel komt dat met de constatering van de termijnoverschrijding kan worden volstaan, en wel op grond van het volgende. Ook in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak (HR 14 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:708), die door het Hof gelijktijdig met de onderhavige ontnemingszaak is berecht en waarin het tijdsverloop gelijk is geweest, is de redelijke termijn in hoger beroep overschreden. In de strafzaak heeft de Hoge Raad de door het Hof opgelegde gevangenisstraf van drie maanden, gelet op die overschrijding van de redelijke termijn, met een week verminderd.
beslissing

3

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van .