Uitspraak ECLI:NL:HR:2019:701

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-05-2019. De uitspraak is gedaan door Hoge Raad op 10-05-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:HR:2019:701, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/04242


Bron: Rechtspraak

10 mei 2019Nr. 18/04242
Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van te (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de van 17 augustus 2018, nr. SGR 18/1107 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 26 april 2018 betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikking.

ECLI:NL:HR:2019:701:DOC
nl

10 mei 2019Nr. 18/04242
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van te (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de van 17 augustus 2018, nr. SGR 18/1107 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 26 april 2018 betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikking.

overwegingen

1

De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 10 november 2018 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres. Het griffierecht is niet voldaan. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 18 december 2018 in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet tijdig is betaald. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres. Belanghebbende heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Het beroep in cassatie moet op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet-ontvankelijk worden verklaard.
2

De Hoge Raad ziet geen redenen voor een veroordeling in de proceskosten.

beslissing

3

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet‑ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 mei 2019.