Uitspraak ECLI:NL:HR:2019:699

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Burgerlijk procesrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-05-2019. De uitspraak is gedaan door Hoge Raad op 10-05-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:HR:2019:699, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/03763


Bron: Rechtspraak

10 mei 2019Eerste Kamer18/03763TT/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de man] ,wonende te [woonplaats 1] ,
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. A.H. Vermeulen,
t e g e n
[de vrouw] ,wonende te [woonplaats 2] ,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

ECLI:NL:HR:2019:699:DOC
nl

10 mei 2019Eerste Kamer18/03763TT/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de man] ,wonende te [woonplaats 1] ,
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. A.H. Vermeulen,
t e g e n
[de vrouw] ,wonende te [woonplaats 2] ,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

1

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar: a. de beschikking in de zaak C/03/175297/FA RK 12-1126 van de rechtbank Limburg van 18 juni 2013;b. de beschikkingen in de zaak 200.133.321/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 mei 2014, 16 november 2017 en 19 juli 2018. De beschikkingen van het hof zijn aan deze beschikking gehecht.
2

Tegen de beschikkingen van het hof van 16 november 2017 en 19 juli 2018 heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De vrouw heeft verzocht het beroep te verwerpen. De conclusie van de Advocaat-Generaal M.L.C.C. Lückers strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De advocaat van de man heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel

3.1
Het gaat in cassatie om het volgende.( i) De man en de vrouw zijn met elkaar gehuwd geweest. In 2005 is de echtscheiding tussen hen uitgesproken, met veroordeling van de man om aan de vrouw partneralimentatie te betalen.( v) Tussen partijen is niet in geschil dat de man, gelet op de beschikking van 1 mei 2014, een bedrag van € 12.291,18 te veel aan alimentatie heeft betaald. De vrouw heeft dit bedrag kort na de beschikking van 1 mei 2014 aan de man terugbetaald.
(ii) Bij beschikking van 18 juni 2013 heeft de rechtbank onder meer de alimentatie met ingang van 1 oktober 2012 nader bepaald op een bedrag van € 1.086,85 per maand. (iii) De man heeft het hof verzocht te bepalen dat hij vanaf 2 oktober 2012 geen alimentatie verschuldigd is, en de vrouw te veroordelen tot terugbetaling van de door hem vanaf 2 oktober 2012 te veel betaalde alimentatie.(iv) Het hof heeft in zijn beschikking van 1 mei 2014, kort gezegd, de alimentatie met ingang van 1 augustus 2012 nader vastgesteld op een bedrag van € 767,-- per maand.
3.2.1
In dit geding heeft de vrouw in 2017 het hof verzocht de (hiervoor in 3.1 onder (iv) genoemde) beschikking van 1 mei 2014 aan te vullen op de voet van art. 32 Rv. Zij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het hof in die beschikking heeft verzuimd te beslissen op het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen tot terugbetaling.
3.2.2
Het hof heeft in zijn tussenbeschikking overwogen dat in de beschikking van 1 mei 2014 is verzuimd (gemotiveerd) te beslissen omtrent de eventuele terugbetalingsverplichting van de vrouw, en dat het verzoek van de vrouw in zoverre ontvankelijk is. Het hof overwoog voorts dat het, gelet op art. 32 Rv, de beschikking van 1 mei 2014 diende aan te vullen, en heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich inhoudelijk schriftelijk uit te laten.
3.2.3
In zijn eindbeschikking heeft het hof bepaald dat de vrouw niet gehouden is hetgeen aan haar door de man ter zake van levensonderhoud te veel is betaald, terug te betalen.
3.3.1
Onderdeel I van het middel, dat is gericht tegen de tussenbeschikking, klaagt onder meer dat het hof ten onrechte de vrouw ontvankelijk heeft geacht in haar verzoek om de beschikking van het hof van 1 mei 2014 aan te vullen op de voet van art. 32 Rv.
3.3.2
Art. 32 lid 1 Rv houdt in dat de rechter te allen tijde op verzoek van een partij zijn vonnis, arrest of beschikking aanvult indien hij heeft verzuimd te beslissen over een onderdeel van het gevorderde of verzochte. Deze bepaling staat uitsluitend ten dienste van de partij die de vordering heeft ingesteld of het verzoek heeft gedaan waarop de rechter deels niet heeft beslist. Het staat die partij immers vrij van die vordering of dat verzoek af te zien. Art. 32 lid 1 Rv is niet geschreven voor de wederpartij. Het verzoek om aanvulling op de voet van art. 32 Rv kan derhalve niet door haar worden gedaan. Het hof heeft dan ook in zijn tussenbeschikking ten onrechte geoordeeld dat het verzoek van de vrouw ontvankelijk was. De klacht is dus gegrond. De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.
3.3.3
Gelet op het hiervoor overwogene dient de tussenbeschikking van het hof te worden vernietigd. De hierop voortbouwende eindbeschikking kan evenmin in stand blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen door de vrouw alsnog in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren.
beslissing

4

De Hoge Raad:vernietigt de beschikkingen van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 16 november 2017 en 19 juli 2018;verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek om de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 1 mei 2014 op de voet van art. 32 Rv aan te vullen.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, G. Snijders, C.E. du Perron en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op .