Uitspraak ECLI:NL:HR:2019:566

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Internationaal privaatrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-04-2019. De uitspraak is gedaan door Hoge Raad op 12-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:HR:2019:566, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/02218


Bron: Rechtspraak

12 april 2019Eerste Kamer18/02218TT/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [de Stichting] , voorheen [de Stichting] en daarvoor geheten [de Stichting] ,gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
2. [eiseres 2] ,wonende te [woonplaats 1] ,
EISERS tot cassatie,
advocaten: mr. A.C. van Schaick en mr. N.E. Groeneveld-Tijssens,
t e g e n
[verweerder] ,wonende te [woonplaats 2] , India,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.

Eisers zullen hierna ook worden aangeduid als de Stichting, [eiseres 2] en gezamenlijk als de Stichting c.s. Verweerder zal hierna ook worden aangeduid als [verweerder] .

ECLI:NL:HR:2019:566:DOC
nl

12 april 2019Eerste Kamer18/02218TT/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [de Stichting] , voorheen [de Stichting] en daarvoor geheten [de Stichting] ,gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
2. [eiseres 2] ,wonende te [woonplaats 1] ,
EISERS tot cassatie,
advocaten: mr. A.C. van Schaick en mr. N.E. Groeneveld-Tijssens,
t e g e n
[verweerder] ,wonende te [woonplaats 2] , India,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Eisers zullen hierna ook worden aangeduid als de Stichting, [eiseres 2] en gezamenlijk als de Stichting c.s. Verweerder zal hierna ook worden aangeduid als [verweerder] .

1

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar: a. het vonnis in de zaak 405748/HL ZA 15-365 van de rechtbank Midden-Nederland van 31 augustus 2016;b. de arresten in de zaak 200.202.658/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 september 2017 en 13 maart 2018. De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2

Tegen de arresten van het hof hebben de Stichting c.s. beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Tegen [verweerder] is verstek verleend. De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging van de arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 september 2017 en van 13 maart 2018 en tot verwijzing. De advocaten van de Stichting c.s. hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel

3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.( i) De Stichting heeft, ten behoeve van een door haar in Almere te bouwen tempel, marmeren beelden van Hindoestaanse goden, zogeheten moorties, gekocht van het in India gevestigde bedrijf Saysh Moorti Importer-Exporter (hierna: Saysh). Saysh werd daarbij vertegenwoordigd door het, ook in India gevestigde bedrijf Kavistha Moori Emporium (hierna: Kavistha).( v) De originele is door Kavistha aan [verweerder] afgegeven. Ondanks verzoeken daartoe van de Stichting c.s. heeft [verweerder] geweigerd de aan de Stichting c.s. af te geven.
(ii) [eiseres 2] heeft de in India wonende [verweerder] gevraagd te bemiddelen bij de aankoop van de moorties.(iii) [eiseres 2] heeft in totaal een bedrag van € 83.221,-- overgemaakt op een door [verweerder] bij ABN Amro in Nederland aangehouden rekening. Op verzoek van [eiseres 2] heeft [verweerder] van deze rekening in India contante gelden opgenomen en aan [eiseres 2] ter beschikking gesteld.(iv) De moorties zijn op 16 mei 2015 in Rotterdam gearriveerd. De daarvan door Hapag-Lloyd Rotterdam opgemaakte vermeldt dat de vracht pas wordt vrijgegeven na het tonen van de originele .
(vi) De voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam heeft aan de Stichting c.s. verlof verleend tot het leggen van conservatoir beslag op onder andere de door [verweerder] bij ABN Amro in Nederland aangehouden rekening, en twee aan [verweerder] toebehorende registergoederen in Rotterdam.(vii) De Stichting c.s. hebben vervolgens Kavistha in kort geding gedagvaard teneinde afgifte van de te vorderen. De voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland heeft zich onbevoegd verklaard om van dit geschil kennis te nemen.(viii) Hapag-Lloyd heeft de moorties uiteindelijk vrijgegeven na ontvangst van een door Kavistha ondertekende vrijwaringsverklaring.
3.2.1
De Stichting c.s. vorderen dat [verweerder] wordt veroordeeld tot, samengevat weergegeven, (i) terugbetaling van een bedrag van € 25.721,--, en (ii) vergoeding van de door de Stichting c.s. geleden schade, bestaande in (a) kosten die de Stichting heeft gemaakt in verband met de hiervoor in 3.1 onder (vii) genoemde kortgedingprocedure, (b) een vergoeding voor de latere levering van de moorties, (c) het door Hapag-Lloyd in rekening gebracht overliggeld, en (d) de door toedoen van [verweerder] verschuldigde invoerrechten en hogere btw.
3.2.2
[verweerder] , die in India woont (zie hiervoor in 3.1 onder (ii)), heeft bij incidentele conclusie gevorderd dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. Volgens hem komt de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toe om van de vorderingen van de Stichting c.s. kennis te nemen.
3.2.3
De rechtbank heeft de incidentele vordering tot onbevoegdverklaring afgewezen en de zaak naar de rol verwezen voor voortprocederen in de hoofdzaak. Volgens de rechtbank komt de Nederlandse rechter op grond van art. 6, aanhef en onder e, Rv rechtsmacht toe voor zover de vorderingen van de Stichting c.s. zijn gebaseerd op onrechtmatig handelen van [verweerder] (rov. 2.6). Voor de contractuele vordering van [eiseres 2] komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe op grond van art. 6, aanhef en onder a, Rv, aldus de rechtbank.
3.2.4
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en verklaard dat de rechtbank onbevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van de Stichting c.s. Daartoe heeft het hof als volgt overwogen en beslist. In zijn tussenarrest heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of de verbintenis die ten grondslag ligt aan de contractuele vordering van de Stichting c.s. tot terugbetaling van een eventueel resterend bedrag, in Nederland moet worden uitgevoerd, een en ander als bedoeld in art. 6, aanhef en onder a, Rv (rov. 5.3-5.5). Voorts heeft het hof, anders dan de rechtbank, ook de verbintenissen die de Stichting c.s. ten grondslag hebben gelegd aan hun schadevergoedings-vorderingen, aangemerkt als verbintenissen uit overeenkomst in de zin van art. 6, aanhef en onder a, Rv (rov. 5.6-5.11) en partijen in de gelegenheid gesteld zich ook daarover uit te laten. Ten slotte heeft het hof geoordeeld dat, mocht komen vast te staan dat de Nederlandse rechter op basis van art. 2 en 6 Rv geen rechtsmacht heeft, de Nederlandse rechter ook geen rechtsmacht toekomt op grond van art. 9, aanhef en onder b en c, Rv (rov. 5.13-5.16). In zijn eindarrest heeft het hof geoordeeld dat de Stichting c.s. onvoldoende hebben onderbouwd dat de aan hun vorderingen ten grondslag liggende verbintenissen in Nederland dienden of dienen te worden uitgevoerd, een en ander als bedoeld in art. 6, aanhef en onder a, Rv (rov. 2.3-2.8). De slotsom is dat de Nederlandse rechter op grond van de door de Stichting c.s. aangevoerde gronden niet bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen van de Stichting c.s. tegen [verweerder] (rov. 3.1).
3.3
Onderdeel 1 van het middel klaagt dat het hof (in rov. 3.1 van zijn eindarrest) heeft miskend dat de rechter ambtshalve dient te onderzoeken of hem rechtsmacht toekomt en dat hij daarbij alle hem ter beschikking staande gegevens in zijn oordeel dient te betrekken en niet is gebonden aan de gronden die de eisende of verzoekende partij, dan wel de verwerende partij heeft aangevoerd. Gelet op het vaststaande feit dat de Stichting c.s. met verlof van de voorzieningenrechter ten laste van [verweerder] conservatoir beslag hebben gelegd op de door [verweerder] bij ABN Amro in Nederland aangehouden rekening en op aan [verweerder] toebehorende registergoederen in Rotterdam, had het hof moeten beslissen dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt op grond van art. 10 Rv in verbinding met art. 767 Rv. Immers, India is geen verdragsluitende partij bij enig verdrag op grond waarvan een uitspraak van de Indiase rechter in Nederland kan worden ten uitvoer gelegd, aldus het onderdeel.
3.4.1
Bij de beoordeling van dit onderdeel wordt het volgende vooropgesteld.
3.4.2
De vraag of de Nederlandse rechter bevoegdheid toekomt ten aanzien van de vorderingen die de Stichting c.s. hebben ingesteld tegen [verweerder] , dient te worden beantwoord aan de hand van de commune regels voor internationale rechtsmacht, zoals onder meer neergelegd in de art. 1-14 Rv. [verweerder] woont immers in India en tussen Nederland en India is niet een verdrag van toepassing dat regels bevat over de bevoegdheid in burgerlijke en handelszaken als de onderhavige.
3.4.3
De regels van internationaal bevoegdheidsrecht zijn van openbare orde. Dit betekent dat zowel de rechter in eerste aanleg als de rechter in hoger beroep is gehouden ambtshalve de rechtsmacht van de Nederlandse rechter aan een onderzoek te onderwerpen. Voor de rechter in hoger beroep geldt deze verplichting ook indien geen van de partijen zich over de vraag naar de rechtsmacht van de Nederlandse rechter heeft uitgelaten, en tevens indien die vraag buiten de grenzen van het door de grieven ontsloten gebied van de rechtsstrijd in hoger beroep valt.Het vorenstaande geldt zowel in gevallen die worden bestreken door de bevoegdheidsregeling van een verdrag of een EU-verordening, waaronder (de voorlopers van) de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (PbEU 2012, L 351/1; hierna: Verordening Brussel I-bis), als in gevallen die worden bestreken door de commune bevoegdheidsregeling van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.Zie voor het vorenstaande HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1077, rov. 3.3.2.
3.4.4
De rechter die in het kader van de toepassing van (de voorlopers van) de Verordening Brussel I-bis onderzoekt of hem bevoegdheid toekomt, dient zich bij dit onderzoek niet te beperken tot de stellingen van de eisende of verzoekende partij, maar moet ook acht slaan op alle hem ter beschikking staande gegevens over de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding en, in voorkomend geval, op de stellingen van de verwerende partij. Wel geldt in dit verband de beperking dat indien de verwerende partij de stellingen van de eisende of verzoekende partij betwist, de rechter in het kader van de bepaling van zijn bevoegdheid geen gelegenheid behoeft te geven voor bewijslevering. Het onderzoek naar de bevoegdheid aan de hand van de Unierechtelijke instrumenten mag dus niet plaatsvinden op basis van enkel de door de eisende of verzoekende partij gekozen grondslag van haar vordering of verzoek. Zie voor het vorenstaande HvJEU 28 januari 2015, zaak C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37 (Kolassa/Barclays Bank), punt 58-65, en HvJEU 16 juni 2016, zaak C-12/15, ECLI:EU:C:2016:449 (Universal Music/Schilling), punt 42-46; zie tevens HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:694, rov. 4.2.3.Deze maatstaf geldt ook indien de Nederlandse rechter in het kader van de toepassing van de commune regels voor internationale rechtsmacht onderzoekt of hem bevoegdheid toekomt (zie HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443, rov. 4.1.4-4.1.5).
3.4.5
Art. 765 Rv staat toe dat ten laste van een schuldenaar die geen bekende woonplaats in Nederland heeft, conservatoir beslag wordt gelegd op in Nederland gelegen goederen van die schuldenaar. In aansluiting op dit zogeheten vreemdelingenbeslag bepaalt art. 767 Rv, voor zover hier van belang, dat bij gebreke van een andere weg om een executoriale titel in Nederland te verkrijgen, de eis in de hoofdzaak kan worden ingesteld voor de rechtbank waarvan de voorzieningenrechter het verlof tot het gelegde of het tegen zekerstelling voorkomen of opgeheven beslag heeft verleend. Aan de rechter van dit zogeheten beslagforum (forum arresti) komt op grond van art. 10 Rv in verbinding met art. 767 Rv internationale rechtsmacht toe. Art. 767 Rv heeft tot doel rechtsmacht te scheppen voor de Nederlandse rechter in zaken waarin anders geen bevoegde rechter in Nederland zou zijn aangewezen, terwijl in Nederland voor de schuldeiser wel verhaalsmogelijkheden bestaan (HR 4 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3741). Art. 767 Rv biedt uitsluitend een grondslag voor internationale rechtsmacht indien “een andere weg om een executoriale titel in Nederland te verkrijgen” ontbreekt. Deze zinsnede moet aldus worden verstaan dat de rechtsmacht van de Nederlandse rechter niet kan worden gebaseerd op art. 10 Rv in verbinding met art. 767 Rv indien (i) de Nederlandse rechter reeds rechtsmacht toekomt op een andere grondslag, zoals de art. 2-9 Rv, of (ii) de beslaglegger door middel van een procedure bij een buitenlandse overheidsrechter een uitspraak kan verkrijgen die op grond van een EU-verordening of een verdrag vatbaar is voor tenuitvoerlegging in Nederland (zie nader de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.14).
3.5.1
In dit geding zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang:( i) De voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam heeft aan de Stichting c.s. verlof verleend tot het leggen van conservatoir beslag op onder andere de door [verweerder] bij ABN Amro in Nederland aangehouden rekening, en twee aan [verweerder] toebehorende registergoederen in Rotterdam (zie hiervoor in 3.1 onder (vi)).( v) Tussen de Stichting c.s. en [verweerder] geldt niet een forumkeuzebeding ten gunste van de rechter in India, zoals bedoeld in HR 16 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1761 en HR 9 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0331.
(ii) Dit geding vormt de eis in de hoofdzaak in de zin van art. 767 Rv.(iii) In het oordeel van het hof ligt besloten dat de Nederlandse rechter niet reeds rechtsmacht toekomt op een andere grondslag, zoals de art. 2-9 Rv.(iv) Tussen Nederland en India is niet een verdrag van toepassing dat regels bevat over de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken als de onderhavige.
3.5.2
In het licht van hetgeen hiervoor in 3.4.2-3.4.5 is overwogen en de hiervoor in 3.5.1 vermelde feiten en omstandigheden slaagt de hiervoor in 3.3 weergegeven klacht. Het hof, dat was gehouden om ambtshalve te onderzoeken of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt (zie hiervoor in 3.4.3), aan de hand van alle hem ter beschikking staande gegevens over de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding en de stellingen van de Stichting c.s. en die van [verweerder] (zie hiervoor in 3.4.4), heeft immers verzuimd te beoordelen of is voldaan aan de voorwaarden voor internationale rechtsmacht op grond van art. 10 Rv in verbinding met art. 767 Rv (zie hiervoor in 3.4.5).
3.6
De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.
3.7
De bestreden arresten dienen te worden vernietigd.De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen door het vonnis van de rechtbank te bekrachtigen op de hierna te vermelden wijze. De processtukken – daaronder begrepen de stukken die de Stichting c.s. hebben overgelegd in hun reactie op de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.17, en die reeds deel uitmaakten van het procesdossier – laten immers geen andere conclusie toe dan dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van art. 10 Rv in verbinding met art. 767 Rv (naast de voorwaarden vermeld hiervoor in 3.5.1).Uit de processtukken blijkt in de eerste plaats dat de Stichting c.s., met gebruikmaking van het hiervoor in 3.1 onder (vi) genoemde beslagverlof, daadwerkelijk conservatoir beslag hebben doen leggen op een door [verweerder] bij ABN Amro in Nederland aangehouden rekening en op twee aan [verweerder] toebehorende registergoederen in Rotterdam. Aldus is voldaan aan het in art. 767 Rv gestelde vereiste dat het beslag is gelegd. Voorts blijkt uit de processtukken dat is voldaan aan de voorwaarde waaronder de voorzieningenrechter op de voet van art. 700 lid 3 Rv het beslagverlof heeft verleend, te weten dat de Stichting c.s. binnen een termijn van drie maanden na beslaglegging de eis in de hoofdzaak tegen [verweerder] zullen instellen. Weliswaar komt in deze zaak op grond van art. 10 Rv in verbinding met art. 767 Rv internationale rechtsmacht toe aan de rechtbank Rotterdam, nu het beslagverlof is verleend door de voorzieningenrechter in die rechtbank (zie hiervoor in 3.1 onder (vi)), maar verwijzing van de zaak naar die rechtbank kan achterwege blijven. Uit de processtukken blijkt dat [verweerder] zich uitsluitend erop heeft beroepen dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toekomt, en dat hij zich niet tevens op de voet van art. 110 lid 1 Rv voor alle weren ten gronde heeft beroepen op de relatieve onbevoegdheid van de rechtbank Midden-Nederland en evenmin heeft aangevoerd dat de zaak moet worden verwezen naar de rechtbank Rotterdam.
beslissing

4

De Hoge Raad:vernietigt de arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 september 2017 en 13 maart 2018;bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 31 augustus 2016, en verstaat dit vonnis aldus dat de rechtsmacht van de rechtbank om kennis te nemen van de vorderingen van de Stichting c.s. tegen [verweerder] , berust op art. 10 Rv in verbinding met art. 767 Rv;veroordeelt [verweerder] in de kosten van de procedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Stichting c.s. begroot:- in hoger beroep op € 3.400,--;- in cassatie op € 956,18 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [verweerder] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek, M.J. Kroeze en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op .