Uitspraak ECLI:NL:HR:2019:377

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-03-2019. De uitspraak is gedaan door Hoge Raad op 15-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:HR:2019:377, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/02838


Bron: Rechtspraak

15 maart 2019Eerste Kamer18/02838TT/AR

Hoge Raad der Nederlanden

Arest

in de zaak van:
[verzoekster] ,wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. B.I. Kraaipoel,
t e g e n
1. Mr. Willem Adriaan ENTZINGER,2. Mr. Pieter Johannis FOUSERT, in hun hoedanigheid van curatoren in het faillissement van [A] B.V.,beiden kantoorhoudende te Groningen,
VERWEERDERS in cassatie,
advocaten: mr. T.T. van Zanten en mr. I.M.A. Lintel.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoekster] en Entzinger c.s.

ECLI:NL:HR:2019:377:DOC
nl

15 maart 2019Eerste Kamer18/02838TT/AR
Hoge Raad der Nederlanden

Arest

in de zaak van:
[verzoekster] ,wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. B.I. Kraaipoel,
t e g e n
1. Mr. Willem Adriaan ENTZINGER,2. Mr. Pieter Johannis FOUSERT, in hun hoedanigheid van curatoren in het faillissement van [A] B.V.,beiden kantoorhoudende te Groningen,
VERWEERDERS in cassatie,
advocaten: mr. T.T. van Zanten en mr. I.M.A. Lintel.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoekster] en Entzinger c.s.

1

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:a. het vonnis in de zaak C/18/18/83 F van de rechtbank Noord-Nederland van 22 mei 2018;b. het arrest in de zaak 200.239.931/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 juni 2018. Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Entzinger c.s hebben verzocht het beroep te verwerpen. De zaak is voor Entzinger c.s. toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De advocaten van Entzinger c.s. hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
overwegingen

3

3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
-

i) [verzoekster] was indirect bestuurder van scheepswerf [A] B.V. (hierna: [A] ). [A] is in 2005 in staat van faillissement verklaard. Entzinger c.s. zijn curatoren in het faillissement van [A] .

ii) De rechtbank Groningen heeft [verzoekster] veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan [de derde schuldeiser] (hierna: [de derde schuldeiser] ). Bij wijze van voorlopige voorziening is de schadevergoeding vooralsnog bepaald op € 1.500.000,--.

iii) [de derde schuldeiser] is op 20 oktober 2009 toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.

iv) Bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 mei 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:3416) is [verzoekster] , naast twee anderen, op vordering van Entzinger c.s. hoofdelijk veroordeeld tot vergoeding van het boedeltekort in het faillissement van [A] , op dat moment begroot op € 6.032.815,01. Het door [verzoekster] ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad verworpen bij arrest van 11 november 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2575).

v) [verzoekster] heeft de hiervoor onder (iv) genoemde vordering onbetaald gelaten.

3.2.1
Op verzoek van Entzinger c.s. heeft de rechtbank [verzoekster] in staat van faillissement verklaard.
3.2.2
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Daartoe heeft het, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen. Uit de onherroepelijke veroordeling van [verzoekster] tot betaling van het boedeltekort volgt dat summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van Entzinger c.s. (rov. 3.6) Naast de vordering van Entzinger c.s. is in ieder geval het bestaan van één andere vordering gebleken. Het betreft de vordering van [de derde schuldeiser] die bij de curator in het faillissement van [verzoekster] is ingediend voor een bedrag van € 4.942.518,44. (rov. 3.9) [verzoekster] heeft niet betwist dat [de derde schuldeiser] een vordering op haar had. Zij heeft tot verweer aangevoerd dat deze vordering teniet is gegaan door verrekening met de door haar van [B] B.V. overgenomen vordering op [de derde schuldeiser] van € 4.200.000,--, onderscheidenlijk met de door haar van [C] GmbH overgenomen vordering op [de derde schuldeiser] van € 400.000,--. (rov. 3.11) Uit de stukken blijkt dat [de derde schuldeiser] op 20 oktober 2009 is toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. [verzoekster] heeft haar beroep op verrekening onderbouwd met een cessieakte van maart 2012. Daaruit volgt dat [verzoekster] de vordering heeft overgenomen nadat [de derde schuldeiser] was toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Art. 54 lid 2 Fw, dat op grond van art. 313 Fw van overeenkomstige toepassing is tijdens de schuldsaneringsregeling, staat in de weg aan de verrekening. (rov. 3.12) Van verrekening op een eerder tijdstip is niet summierlijk gebleken. (rov. 3.13)De omstandigheid dat het gerechtshof te Leeuwarden in 2009, bij de afwijzing van een verzoek van [de derde schuldeiser] tot faillietverklaring van [verzoekster] , heeft geoordeeld dat niet summierlijk is gebleken van het bestaan van een vordering van [de derde schuldeiser] op [verzoekster] , betekent niet dat het hof ditmaal niet tot een ander oordeel kan komen. (rov. 3.15) Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de vordering van [de derde schuldeiser] niet door verrekening teniet is gegaan. (rov. 3.16) Aan het pluraliteitsvereiste is derhalve voldaan (rov. 3.17). Summierlijk is gebleken dat [verzoekster] in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen. (rov. 3.18)
3.3
De onderdelen I en II van het middel komen met een rechts- en motiveringsklacht op tegen het oordeel van het hof in rov. 3.12, dat art. 54 lid 2 Fw in verbinding met art. 313 Fw aan verrekening in de weg staat. Onderdeel I houdt in dat het hof heeft miskend dat art. 54 lid 2 Fw uitsluitend ziet op verrekening tijdens de looptijd van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Na beëindiging van de schuldsaneringsregeling staat art. 54 lid 2 Fw niet meer in de weg aan verrekening op de voet van art. 6:127 e.v. BW. Art. 6:131 BW dient naar analogie te worden toegepast op de in art. 358 Fw bedoelde natuurlijke verbintenissen die resteren na toekenning van de schone lei. Onderdeel II houdt in dat de verwerping van het verrekeningsverweer onbegrijpelijk is, omdat het hof niet heeft vastgesteld op welke datum de verrekening heeft plaatsgevonden. In het bijzonder heeft het hof niet vastgesteld dat de verrekening heeft plaatsgevonden op een tijdstip waarop de wettelijke schuldsanering op [de derde schuldeiser] van toepassing was.
3.4.1
Bij de behandeling van deze klachten wordt het volgende vooropgesteld.
3.4.2
Gedurende de periode dat de in art. 284 e.v. Fw geregelde schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is, kan ingevolge art. 307 Fw hij die zowel schuldenaar als schuldeiser is van de persoon ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling is uitgesproken, zijn schuld met zijn vordering ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt, slechts verrekenen indien beide zijn ontstaan vóór de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Uit art. 54 lid 2 Fw in verbinding met art. 313 lid 1 Fw volgt dat na de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling overgenomen vorderingen of schulden niet verrekend kunnen worden.
3.4.3
Het hoofddoel van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen is dat wordt tegengegaan dat een natuurlijke persoon die in een problematische financiële situatie is terechtgekomen, tot in lengte van jaren met zijn schulden achtervolgd kan worden (zie Kamerstukken II 1992/93, 22969, nr. 3, p. 6). Om die reden is in art. 358 lid 1 Fw bepaald dat door de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling op grond van art. 356 lid 2 Fw (dat wil zeggen met toekenning van de ‘schone lei’), een vordering ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt, voor zover deze onvoldaan is gebleven, niet langer afdwingbaar is. Dit brengt mee dat slechts een natuurlijke verbintenis in de zin van art. 6:3 BW overblijft.
3.4.4
Indien de schuldsaneringsregeling is beëindigd, gelden voor de mogelijkheid om te verrekenen de regels van art. 6:127 e.v. BW. Omdat de schuldenaar van degene aan wie de schone lei is toegekend niet bevoegd is als schuldeiser de nakoming af te dwingen van een vordering als bedoeld in art. 358 lid 1 Fw, is hij met betrekking tot die vordering ingevolge art. 6:127 lid 2 BW niet bevoegd om zich op verrekening te beroepen (zie Kamerstukken II 1992/93, 22969, nr. 6, p. 12). De hiervoor in 3.4.3 vermelde ratio van de toekenning van de schone lei aan het einde van de looptijd van de schuldsaneringsregeling staat in de weg aan analoge toepassing van art. 6:131 lid 1 BW op de in art. 358 lid 1 Fw bedoelde vordering. De in art. 6:131 lid 1 BW neergelegde regel dat de bevoegdheid tot verrekening niet eindigt door verjaring van de rechtsvordering, brengt dus geen verandering in het hiervoor genoemde uitgangspunt dat na toekenning van de schone lei de schuldenaar van degene aan wie de schone lei is toegekend niet bevoegd is om zich op verrekening te beroepen.
3.5
Het hof heeft in rov. 3.12 overwogen dat [verzoekster] betoogt dat zij de vordering op [de derde schuldeiser] heeft overgenomen in 2012, derhalve nadat [de derde schuldeiser] in 2009 was toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Voorts heeft het hof geoordeeld dat art. 54 lid 2 Fw in verbinding met art. 313 Fw tijdens de schuldsaneringsregeling aan verrekening in de weg staat. Laatstgenoemd oordeel is juist (zie hiervoor in 3.4.2). Nu uit de door [verzoekster] in het geding gebrachte brief van de bewindvoerder in de schuldsanering van [de derde schuldeiser] blijkt dat de schuldsaneringsregeling begin april 2013 nog niet was geëindigd, is het oordeel van het hof dat erop neerkomt dat de cessie waarop [verzoekster] zich beroept, plaatsvond op een moment dat [de derde schuldeiser] nog in de schuldsanering zat, in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk. De onderdelen I en II nemen kennelijk tot uitgangspunt dat de schuldsaneringsregeling van [de derde schuldeiser] ten tijde van het geding voor het hof was beëindigd onder toekenning van de schone lei en betogen dat [verzoekster] daarom alsnog tot verrekening kon overgaan. Dat betoog stuit af op hetgeen hiervoor in 3.4.4 is overwogen.Opmerking verdient dat een beroep op niet-verrekenbaarheid op de grond dat nakoming van de te verrekenen vordering niet afdwingbaar is, wegens de bijzondere omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn (vgl. HR 31 januari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0492, rov. 3.5). [verzoekster] heeft daarop echter geen beroep gedaan. Het voorgaande brengt mee dat de hiervoor in 3.3 weergegeven klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
3.6
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, M.V. Polak, C.E. du Perron en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op .