Uitspraak ECLI:NL:HR:2019:376

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-03-2019. De uitspraak is gedaan door Hoge Raad op 15-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:HR:2019:376, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/04668


Bron: Rechtspraak

15 maart 2019Eerste Kamer17/04668TT/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser] ,verblijvende in de PI De Schie te Rotterdam,
EISER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. C. Reijntjes-Wendenburg,
t e g e n
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie),zetelende te Den Haag,
VERWEERDER in cassatie, eiser in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. G.C. Nieuwland.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de Staat.

ECLI:NL:HR:2019:376:DOC
nl

15 maart 2019Eerste Kamer17/04668TT/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser] ,verblijvende in de PI De Schie te Rotterdam,
EISER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. C. Reijntjes-Wendenburg,
t e g e n
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie),zetelende te Den Haag,
VERWEERDER in cassatie, eiser in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. G.C. Nieuwland.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de Staat.

1

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar: a. het vonnis in de zaak C/09/485075/HA ZA 15-346 van de rechtbank Den Haag van 17 februari 2016;b. het arrest in de zaak 200.191.348/01 van het gerechtshof Den Haag van 4 juli 2017. Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De Staat heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De procesinleiding en het verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot vernietiging en verwijzing. De advocaat van de Staat heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
3

3.1.1 Het gaat in deze zaak erom of een gedetineerde op wie ten onrechte een te streng detentieregime is toegepast, (naast de door hem ontvangen tegemoetkoming op de voet van art. 68 lid 7 Penitentiaire beginselenwet (Pbw)) recht heeft op vergoeding van immateriële schade op de voet van art. 6:106 lid 1, aanhef en onder b, BW en zo ja, welke voorwaarden daarvoor gelden.
3.1.2 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.(i) [eiser] is op 29 januari 2013 veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Hij is in februari 2008 in het kader van voorlopige hechtenis geplaatst in de Extra Beveiligde Inrichting van Penitentiaire Inrichting Vught (hierna: de EBI).(ii) Nadat de selectiefunctionaris van de Staat bij beslissing van 19 november 2012 had besloten tot verlenging van het verblijf van [eiser] in de EBI, heeft [eiser] daartegen met succes beroep ingesteld bij de Raad voor Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming (hierna: de RSJ). Bij beslissing van de beroepscommissie van de RSJ van 6 juni 2013 is het beroep gegrond verklaard en de beslissing van de selectiefunctionaris vernietigd. Bij afzonderlijke beslissing van 12 juli 2013 heeft de beroepscommissie van de RSJ aan [eiser] een financiële vergoeding van € 1375,-- toegekend, omdat hij vanaf 14 juni 2012 ten onrechte in de EBI gedetineerd is geweest.(iii) Kort voor de beslissingen van de beroepscommissie van de RSJ, op 27 mei 2013, was [eiser] geselecteerd voor overplaatsing naar de penitentiaire inrichting Leeuwarden. Op 30 mei 2013 is hij naar die inrichting overgebracht. [eiser] is op de lijst met Gedetineerden met een hoog Vlucht-/Maatschappelijk risico (hierna: GVM) geplaatst met het profiel hoog. Voor gedetineerden op de GVM-lijst gelden specifieke toezichts- en veiligheidsmaatregelen.
3.2.1 In dit geding vordert [eiser] veroordeling van de Staat tot vergoeding van schade die hij heeft geleden doordat hij 350 dagen ten onrechte gedetineerd is geweest in de EBI. Hij baseert deze vordering op art. 6:106 lid 1, aanhef en onder b, BW en vordert, voor zover in cassatie van belang, € 25,-- voor iedere dag dat hij onrechtmatig in de EBI heeft verbleven en € 10,-- per dag op de grond dat zijn resocialisatietraject door het onrechtmatige verblijf in de EBI met een jaar is vertraagd. De rechtbank heeft de vordering van [eiser] afgewezen, kort gezegd, omdat niet is gebleken dat [eiser] schade heeft geleden. Van door hem geleden lichamelijk of geestelijk letsel is niet gebleken. [eiser] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot de conclusie kunnen leiden dat het voor hem geldendeEBI-regime in de onrechtmatige periode en het nadien voor hem geldende GVM-regime zodanig van elkaar verschilden dat het EBI-regime in de onrechtmatige periode een zodanig ernstige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer vormde dat zij een aanspraak op een immateriële schadevergoeding rechtvaardigt.
3.2.2 Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. De relevante overwegingen van het hof houden, kort weergegeven, het volgende in.Ook in hoger beroep staat vast dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door [eiser] bijna een jaar langer in de EBI te laten verblijven dan was toegestaan. Op grond van art. 6:106 lid 1, aanhef en onder b, BW heeft [eiser] dan ook recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien hij ten gevolge van dat verblijf lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. (rov. 4) Het hof gaat ervan uit dat geen sprake is van lichamelijk letsel en evenmin van aantasting in eer of goede naam. (rov. 5)De vraag die vervolgens voorligt is, of [eiser] op andere wijze in zijn persoon is aangetast in de zin van art. 6:106 lid 1, aanhef en onder b, BW. Voor het aannemen van een persoonsaantasting is niet voldoende dat sprake is geweest van meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen. Voor de toewijsbaarheid van een vordering ter zake van persoonsaantasting is uitgangspunt dat het bestaan van geestelijk letsel waardoor iemand in zijn persoon is aangetast in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld (HR 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356). In elk geval dient de benadeelde voldoende concrete gegevens aan te voeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval een psychische beschadiging is ontstaan, waartoe nodig is dat het bestaan van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is (of had kunnen worden) vastgesteld (HR 9 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4606). Op het uitgangspunt dat geestelijk letsel moet zijn aangetoond kan nog wel een uitzondering worden gemaakt in verband met de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde (HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1519). (rov. 6) [eiser] heeft geen concrete gegevens aangevoerd waaruit het bestaan van enig geestelijk letsel als een in de psychiatrie erkend ziektebeeld naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld, althans waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. (rov. 7)Wat betreft de vraag of zich in dit geval een uitzondering voordoet op het uitgangspunt dat geestelijk letsel moet zijn aangetoond in verband met de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor [eiser] , stelt het hof voorop dat de vrijheidsbeneming van [eiser] een ernstige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer is. Die inbreuk wordt echter gerechtvaardigd door de rechtmatige detentie van [eiser] en is daaraan inherent. Dat laatste neemt niet weg dat de inbreuk op die persoonlijke levenssfeer niet groter mag zijn dan strikt noodzakelijk is. (rov. 8-9)Het regime in de EBI is strenger dan in andere penitentiaire inrichtingen. Door [eiser] ten onrechte bijna een jaar langer geplaatst te houden in dit strengste regime in plaats van in een regime waarin de beperkingen minder ingrijpend zijn, ook al is dat weinig, heeft de Staat zich schuldig gemaakt aan schending van de norm dat met de vrijheidsbeneming niet meer inbreuk op de persoonlijke levenssfeer mag worden gemaakt dan strikt noodzakelijk is. (rov. 10)Dat leidt echter nog niet ertoe dat aan [eiser] een schadevergoeding als bedoeld in art. 6:106 lid 1, aanhef en onder b, BW toekomt. Omtrent de persoonlijke gevolgen voor [eiser] van de voormelde normschending is niets komen vast te staan. Daarom kan niet worden uitgegaan van de in rov. 8 bedoelde uitzonderingssituatie. (rov. 11)Aan het hof komt geen oordeel toe over de vergoeding die de RSJ aan [eiser] heeft toegekend op grond van art. 68 lid 7 Pbw. Voor een hogere vergoeding dan de RSJ heeft toegekend is slechts plaats als de normschending voor [eiser] dusdanige persoonlijke gevolgen zou hebben gehad dat de in rov. 8 bedoelde uitzonderingssituatie zich voordoet. Nu die situatie zich niet voordoet, komt het hof niet toe aan een verhoging van het door de RSJ toegekende bedrag. (rov. 12-13)
overwegingen

4

4.1
In cassatie dient tot uitgangspunt dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door [eiser] bijna een jaar lang in de EBI geplaatst te houden in plaats van onder een regime waarin de beperkingen minder ingrijpend zijn. Voorts dient tot uitgangspunt dat [eiser] geen geestelijk letsel heeft opgelopen. Vast staat dat de beroepscommissie van de RSJ aan [eiser] een financiële vergoeding heeft toegekend (zie hiervoor in 3.1.2 onder (ii)). In de kern betoogt [eiser] dat hij recht heeft op vergoeding van immateriële schade, althans op een hogere vergoeding dan hem reeds door de beroepscommissie van de RSJ is toegekend.
Uitgangspunten

4.2.1
Als de schade die het gevolg is van een onrechtmatige daad nadeel omvat dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde ingevolge art. 6:106 lid 1, aanhef en onder b, BW recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien hij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van de in art. 6:106 lid 1, onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld (vgl. HR 23 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2551, rov. 3.4).Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106 lid 1, onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is (vgl. Parl. Gesch. Boek 6, p. 379 en p. 380). HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1519 (Blauw oog) moet ook aldus worden verstaan.In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In voorkomend geval kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. In HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7721 (Oudejaarsrellen) was die aantasting gelegen in de gevoelens van angst, onveiligheid en onzekerheid met betrekking tot het lijf en goed van de benadeelden die een aantal uren in hun woning in een zeer bedreigende situatie verkeerden, terwijl een reactie op hun verzoek om hulp en bijstand van de politie uitbleef. En in HR 18 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5213 (Wrongful life) bestond die aantasting in de ernstige inbreuk op het zelfbeschikkingsrecht van de moeder waardoor zij niet ervoor heeft kunnen kiezen de geboorte van een zwaar gehandicapt kind te voorkomen.
4.2.2
Van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in art. 6:106 lid 1, onder b, BW, is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.
4.2.3
Op grond van de Penitentiaire beginselenwet kan een gedetineerde opkomen tegen een hem betreffende beslissing. Indien de bestreden beslissing wordt vernietigd en de rechtsgevolgen van die beslissing niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden, kan de RSJ de gedetineerde een tegemoetkoming toekennen (art. 68 lid 7 Pbw en art. 73 lid 4 Pbw). Deze tegemoetkoming kan bestaan in niet-geldelijke compensatie, bijvoorbeeld door klager alsnog de faciliteiten toe te kennen die hem ten onrechte zijn onthouden. Indien deze vorm van tegemoetkoming niet goed mogelijk is, kan de tegemoetkoming bestaan in een financiële compensatie (zie Kamerstukken II 1994/95, 24263, nr. 3, p. 79-80). Een financiële compensatie kan zien op gederfd loon en immateriële schade (vgl. Kamerstukken II 1995/96, 24263, nr. 6, p. 37).De RSJ hanteert bij het toekennen van een geldelijke tegemoetkoming gestandaardiseerde bedragen. Indien de klager daarnaast schade heeft geleden die eenvoudig is te begroten, kan de RSJ daarvoor een bijkomende vergoeding toekennen.
4.2.4
Indien de omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven, kan naast de hiervoor in 4.2.3 bedoelde gestandaardiseerde tegemoetkoming vergoeding van immateriële schade op de voet van art. 6:106 lid 1, aanhef en onder b, BW op haar plaats zijn. Daarvoor is vereist dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat sprake is van de in art. 6:106 lid 1, onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze (zie hiervoor in 4.2.1).
Beoordeling van de klachten

4.3.1
De onderdelen 1.3, 1.10 en 1.13-1.15 van het middel klagen dat het hof heeft miskend dat bij schending van de art. 3, 5 en 6 EVRM verondersteld moet worden dat nadeel is geleden, ook als geen sprake is van (feitelijk aangetoonde) immateriële schade als bedoeld in art. 6:106 lid 1 BW, en dat dit nadeel in een geval als het onderhavige voor vergoeding in aanmerking komt naast de tegemoetkoming die is toegekend door de beroepscommissie van de RSJ. Deze klacht stuit af op hetgeen hiervoor in 4.2.1, 4.2.2 en 4.2.4 is overwogen.

4.3.2
Onderdeel 1.12 klaagt dat onbegrijpelijk is dat het hof in dit geval niet heeft verondersteld dat de normschending door de Staat heeft geleid tot schade die is aan te merken als aantasting in de persoon van [eiser] . Het hof heeft terecht onderzocht of het EBI-regime voor [eiser] zwaarder is geweest dan het GVM-regime zou zijn geweest indien dat in de relevante periode op hem was toegepast. Partijen hebben daarover samengevat het volgende gesteld. [eiser] heeft blijkens de dagvaarding in eerste aanleg en de memorie van grieven aanvankelijk alleen in algemene bewoordingen in beeld gebracht hoe ingrijpend het EBI-regime is en hoe het GVM-regime in een penitentiaire inrichting (hierna: PI) verschilt van het EBI-regime. De Staat heeft zich in feitelijke instanties op het standpunt gesteld dat [eiser] geen geestelijk letsel heeft geleden en dat hij niet concreet heeft gesteld welke immateriële schade uit zijn verblijf in de EBI is voortgevloeid. De Staat heeft tijdens de zitting bij de rechtbank betoogd dat zowel het EBI-regime als het GVM-regime in een PI ruimte biedt voor aanpassingen in individuele gevallen en dat beide regimes in het geval van [eiser] niet in die mate van elkaar verschilden dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. Dit heeft [eiser] niet gemotiveerd weersproken. Hij heeft niet geconcretiseerd welk nadeel hij heeft geleden en niet uiteengezet wat in zijn geval gedurende de relevante periode het verschil in regime zou zijn geweest als niet het EBI-regime maar het GVM-regime zou zijn toegepast. Het hof heeft geoordeeld dat omtrent de persoonlijke gevolgen voor [eiser] van de normschending niets is komen vast te staan. Gezien hetgeen hiervoor in 4.2.1 en 4.2.4 is overwogen en tegen de achtergrond van het zojuist weergegeven partijdebat is dat oordeel niet onbegrijpelijk. De daartegen gerichte motiveringsklacht faalt.
4.3.3
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4.4
Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.
beslissing

5

De Hoge Raad:verwerpt het principale beroep; veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 2.672,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiser] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op .