Uitspraak ECLI:NL:HR:2019:363

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-03-2019. De uitspraak is gedaan door Hoge Raad op 15-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:HR:2019:363, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/05607


Bron: Rechtspraak

15 maart 2019Nr. 17/05607
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van te (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de van 17 oktober 2017, nrs. AWB 16/7406 tot en met AWB 16/7408, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 5 april 2017, nrs. AWB 16/7406 tot en met AWB 16/7408. De uitspraak van de Rechtbank op het verzet is aan dit arrest gehecht.

ECLI:NL:HR:2019:363:DOC
nl

15 maart 2019Nr. 17/05607
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van te (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de van 17 oktober 2017, nrs. AWB 16/7406 tot en met AWB 16/7408, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 5 april 2017, nrs. AWB 16/7406 tot en met AWB 16/7408. De uitspraak van de Rechtbank op het verzet is aan dit arrest gehecht.
1

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 12 december 2018 geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in cassatie. (ECLI:NL:PHR:2018:1372).Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
overwegingen

2

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende heeft bij de Rechtbank beroep ingesteld tegen door de Inspecteur gedane uitspraken op bezwaren die belanghebbende had gemaakt tegen drie aan hem opgelegde naheffingsaanslagen in de motorrijtuigenbelasting. Op 5 april 2017 heeft de Rechtbank die beroepen met toepassing van artikel 8:54 Awb bij in één geschrift vervatte uitspraken niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.

2.1.2.
De Rechtbank heeft bij haar in cassatie bestreden uitspraak van 17 oktober 2017 het verzet van belanghebbende tegen de uitspraken van 5 april 2017 met toepassing van artikel 8:55 Awb gegrond verklaard. Daarbij heeft de Rechtbank geoordeeld dat aan belanghebbende niet een vergoeding moet worden toegekend voor de kosten die hij in verband met de behandeling van het verzet heeft moeten maken. Volgens de Rechtbank vloeide de noodzaak tot het doen van verzet uitsluitend voort uit de handelwijze van belanghebbende.

2.2.
Op grond van artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie in samenhang gelezen met artikel 28, lid 2, AWR staat tegen de uitspraak van de rechtbank op verzet in een belastingzaak alleen beroep in cassatie open indien het verzet a) niet-ontvankelijk is verklaard, of b) ongegrond is verklaard. Geen beroep in cassatie staat open tegen een uitspraak van de rechtbank waarbij het verzet gegrond is verklaard (vgl. HR 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:460). Dat wordt niet anders indien een uitspraak op verzet tevens een beslissing bevat op een verzoek om vergoeding van de kosten die in verband met de behandeling van het verzet zijn gemaakt.
2.3.1.
Opmerking verdient dat het voorgaande niet meebrengt dat tegen een dergelijke beslissing van de rechtbank geen enkel rechtsmiddel openstaat.

2.3.2.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:225, rechtsoverweging 1.2, geoordeeld dat het de rechtbank vrijstaat om een veroordeling in de proceskosten wegens de gegrondverklaring van het verzet pas vast te stellen in de uitspraak waarin na de gegrondverklaring van het verzet op het beroep wordt beslist, maar dat het de voorkeur verdient dat de rechtbank een eventuele veroordeling in die kosten al opneemt in de uitspraak waarin zij op het verzet beslist. Hetzelfde geldt met betrekking tot een beslissing van de rechtbank om de inspecteur niet te veroordelen in de kosten van het verzet.

2.3.3.
Als de rechtbank bij gegrondverklaring van het verzet in de uitspraak op dat verzet tevens beslist over de kosten van het verzet staat tegen die uitspraak – gelet op hetgeen hiervoor in 2.2 is overwogen – geen rechtsmiddel open. Beslist de rechtbank daarover pas in haar uitspraak waarin na de gegrondverklaring van het verzet op het beroep wordt beslist, dan kan tegen die beslissing worden opgekomen door het instellen van hoger beroep tegen die uitspraak. Zonder nadere voorziening zou dit tot gevolg hebben dat de keuze van de rechtbank om over de kosten van het verzet al dan niet te beslissen in de uitspraak op het verzet, een verschil in rechtsbescherming doet ontstaan met betrekking tot die beslissing. Om dit onwenselijke gevolg weg te nemen, moet in gevallen waarin de rechtbank het verzet gegrond verklaart en in diezelfde uitspraak beslist over de kosten van het verzet, die beslissing voor de toepassing van de regeling voor het hoger beroep worden geacht deel uit te maken van de uitspraak van de rechtbank waarin na het verzet op het beroep wordt beslist. Daardoor kan ook in die gevallen de beslissing over de kosten van het verzet ter discussie worden gesteld door hoger beroep tegen die uitspraak in te stellen.

2.4.
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.2 is overwogen, moet het beroep in cassatie niet-ontvankelijk worden verklaard.

3

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

beslissing

4

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, L.F. van Kalmthout, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2019.