Uitspraak ECLI:NL:HR:2019:360

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-03-2019. De uitspraak is gedaan door Hoge Raad op 15-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:HR:2019:360, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/03543


Bron: Rechtspraak

15 maart 2019Nr. 18/03543
Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van te (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het van 29 juni 2018, nrs. 17/00460 en 17/00516, op het hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Veere en het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 16/2458) betreffende aan belanghebbende voor het jaar 2015 opgelegde aanslagen in de rioolheffing van de gemeente Veere.

ECLI:NL:HR:2019:360:DOC
nl

15 maart 2019Nr. 18/03543
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van te (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het van 29 juni 2018, nrs. 17/00460 en 17/00516, op het hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Veere en het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 16/2458) betreffende aan belanghebbende voor het jaar 2015 opgelegde aanslagen in de rioolheffing van de gemeente Veere.

1

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.

overwegingen

2

De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, omdat de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3

De Hoge Raad ziet geen redenen voor een veroordeling in de proceskosten.

beslissing

4

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers‑van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2019.