Uitspraak ECLI:NL:HR:2019:34

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 10-01-2019. De uitspraak is gedaan door Hoge Raad op 11-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:HR:2019:34, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/00354


Bron: Rechtspraak

11 januari 2019Nr. 18/00354
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van te (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het van 19 december 2017, nr. 16/01236, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 16/2357) betreffende de salarisstrook van belanghebbende over de maand januari 2013. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

ECLI:NL:HR:2019:34:DOC
nl

11 januari 2019Nr. 18/00354
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van te (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het van 19 december 2017, nr. 16/01236, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 16/2357) betreffende de salarisstrook van belanghebbende over de maand januari 2013. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 25 juli 2018 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2018:837). Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
overwegingen

2

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende is als militair in dienst van het ministerie van Defensie.

2.1.2.
Bij de Wet uniformering loonbegrip (Stb. 2011, 288; hierna: de WUL) zijn de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet LB), de Zorgverzekeringswet en enkele andere wetten met ingang van 1 januari 2013 gewijzigd. Deze wijziging leidde voor militaire ambtenaren tot een verlaging van het netto-inkomen, in verband waarmee de minister van Defensie (hierna: de minister) een compensatiemaatregel heeft getroffen (hierna: de compensatiemaatregel).

2.1.3.
De invoering van de WUL had een negatief effect op het nettosalaris van belanghebbende. Op 25 januari 2013 heeft belanghebbende bij de minister bezwaar gemaakt tegen de aan hem toegezonden salarisstrook voor de maand januari 2013. Het bezwaar houdt in dat de compensatiemaatregel ontoereikend is om het negatieve effect van invoering van de WUL op belanghebbendes nettosalaris op te heffen. Het bezwaar strekt ertoe dat belanghebbendes salaris met terugwerkende kracht per 1 januari 2013 zal worden vastgesteld zonder toepassing te geven aan de WUL.

2.1.4.
De minister heeft het bezwaar opgevat als een bezwaar tegen de compensatiemaatregel en heeft het bezwaar bij beslissing van 10 april 2013 ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen deze beslissing op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank Den Haag. Deze heeft het beroep bij uitspraak van 22 januari 2014 (ECLI:NL:RBDHA:2014:950) gegrond verklaard wegens het niet horen van belanghebbende in de bezwaarfase, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep (hierna: de CRvB).

2.1.5.
De CRvB heeft bij uitspraak van 16 juli 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:2370) in het door belanghebbende ingestelde hoger beroep, waarin hij betoogde dat de WUL door de bijzondere positie van militaire ambtenaren in strijd komt met diverse voorschriften van hogere orde, geoordeeld dat de bezwaar- en beroepsgronden van belanghebbende zijn gericht tegen de hoogte van de ingehouden loonbelasting en dat de minister daarom niet bevoegd was om op het bezwaar te beslissen, maar het bezwaar had moeten doorzenden aan de belastinginspecteur. De CRvB heeft de uitspraak van de Rechtbank Den Haag vernietigd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gebleven en heeft de minister gelast het bezwaar door te sturen naar de bevoegde belastinginspecteur.
2.1.6.
Bij uitspraak op bezwaar van 14 maart 2016 heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard.

2.2.
Voor het Hof was onder meer in geschil of de belastingrechter bevoegd is over het geschil te oordelen. Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat niet de belastingrechter maar de militaire ambtenarenrechter bevoegd is.Naar het oordeel van het Hof volgt uit het bezwaarschrift van belanghebbende dat het is gericht tegen de inhouding van loonheffing en is ingevolge de artikelen 6:4 Awb en 26 AWR de Inspecteur respectievelijk de belastingrechter bevoegd op een dergelijk bezwaar respectievelijk beroep te beslissen.
2.3.
Het eerste middel is gericht tegen het hiervoor in 2.2 weergegeven oordeel.

2.4.
Het middel faalt op grond van hetgeen is overwogen in het heden in de zaak met nummer 18/00352 (ECLI:NL:HR:2019:2, onderdelen 2.3.2 tot en met 2.4.4) uitgesproken arrest van de Hoge Raad, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.

2.5.
De overige middelen kunnen niet cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3

Voor zover belanghebbende verzoekt om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie, moet dit verzoek worden afgewezen, omdat de redelijke termijn sedert de indiening van het beroep in cassatie op 23 januari 2018 niet is overschreden. Wat betreft de procedure in bezwaar, in beroep en in hoger beroep kan een zodanig verzoek niet eerst in cassatie worden gedaan (vgl. HR 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252, onderdelen 3.4 en 3.13).

4

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

beslissing

5

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2019.