Uitspraak ECLI:NL:HR:2019:338

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-03-2019. De uitspraak is gedaan door Hoge Raad op 12-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:HR:2019:338, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/04531


Bron: Rechtspraak

12 maart 2019Strafkamernr. S 17/04531
Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

[verdachte]

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 13 september 2017, nummer 23/002508-16, in de strafzaak tegen:

ECLI:NL:HR:2019:338:DOC
nl

12 maart 2019Strafkamernr. S 17/04531
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest

[verdachte]

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 13 september 2017, nummer 23/002508-16, in de strafzaak tegen:
1

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de bijzondere voorwaarde dat de "veroordeelde zich niet zal ophouden binnen een straal van 1 (één) kilometer van de woonadressen van [slachtoffer 1] (thans [a-straat 1] , [plaats] ), [betrokkene 1] (thans [b-straat 1] , [plaats] ) en [betrokkene 2] (adres thans onbekend)", voor zover daarin is opgenomen "en [betrokkene 2] (adres thans onbekend)", en tot verwerping van het beroep voor het overige. De raadslieden hebben daarop schriftelijk gereageerd.
overwegingen

2

2.1.
Het middel richt zich tegen de strafoplegging onderscheidenlijk de strafbepaling door het Hof. Het klaagt over het contactverbod met [slachtoffer 1] dat niet alleen als maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid (hierna: vrijheidsbeperkende maatregel) is opgelegd (feit 1) maar ook als bijzondere voorwaarde is opgenomen bij de bepaling van de straf ter zake de feiten 2 tot en met 5. Voorts klaagt het over het gebiedsverbod voor zover dit [betrokkene 2] betreft.
2.2.1.
De Rechtbank heeft de verdachte ter zake van de in eerste aanleg onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde feiten veroordeeld tot één hoofdstraf. Zowel namens de verdachte als door de officier van justitie is onbeperkt hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de Rechtbank. Het Hof heeft de verdachte en de officier van justitie ten aanzien van de onder 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde feiten op de voet van art. 416, tweede respectievelijk derde lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep en ten aanzien van die feiten overeenkomstig art. 423, vierde lid, Sv de straf bepaald. Voorts heeft het Hof de verdachte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde feit veroordeeld tot een straf en een maatregel.

2.2.2.
Het Hof heeft ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaard dat:"hij op 6 mei 2015 te Amsterdam, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk op korte afstand een pistool op voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gericht en de trekker van het pistool overgehaald en kort hierna, telefonisch via de moeder van voornoemde [slachtoffer 1] , dreigend de woorden toegevoegd: "Moeders ik krijg die kans nog wel hoor" en "het is nu niet gelukt maar een volgende keer gaat het me wel lukken"."
2.2.3.
De Rechtbank heeft ten laste van de verdachte onder 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaard dat hij:"2. op 6 mei 2015 te Amsterdam, een wapen van categorie III onder 1e, te weten een pistool van het merk Crvena Zastava, kaliber 7.65 mm Browning, en munitie van categorie III, te weten 4 patronen van het kaliber 7.65 mm Browning, voorhanden heeft gehad;
3. in de periode van 2 augustus 2013 tot en met 31 juli 2014 en in de periode van 17 augustus 2014 tot en met 6 mei 2015 te Amsterdam, telkens wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] , met het oogmerk voornoemde [slachtoffer 1] te dwingen iets te dulden en vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte,- veelvuldig aan voornoemde [slachtoffer 1] tekstberichten gestuurd per sms en WhatsApp,- veelvuldig voornoemde [slachtoffer 1] gebeld,- zich veelvuldig opgehouden in de directe omgeving van de woning van voornoemde [slachtoffer 1] , - veelvuldig lijm in het slot en rondom de deurbel horende bij de woning van voornoemde [slachtoffer 1] aangebracht en- meermalen eieren en zand tegen de woning van voornoemde [slachtoffer 1] gegooid;
4. in de periode van 1 augustus 2013 tot en met 8 februari 2015 te Amsterdam [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1]- veelvuldig dreigende tekstberichten gestuurd per sms, waaronder: "Ik zou niets van je heel laten, als oom agent mij niet had meegenomen.", "Ik ga je overgieten met benzine." en "Zelfs in je graf ben je niet veilig voor God. Maar als God niets doet, dan help ik God een beetje." en- foto's van patronen, een vuurwapen en een geluidsdemper aan voornoemde [slachtoffer 1] gestuurd per WhatsApp;
5. in de periode van 18 november 2013 tot en met 16 januari 2014 te Amsterdam telkens opzettelijk en wederrechtelijk sloten en deurbellen, toebehorende aan Woningbouwvereniging [A], heeft vernield en onbruikbaar heeft gemaakt door lijm in voornoemde sloten en rondom voornoemde deurbellen aan te brengen."

2.3.1.
Het Hof heeft op de voet van art. 423, vierde lid, Sv ten aanzien van de in eerste aanleg onder 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde feiten de straf bepaald op de wijze zoals in de bestreden uitspraak is vermeld, onder meer inhoudende een gevangenisstraf van twee jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met als bijzondere voorwaarde:"dat de veroordeelde tot het einde van de proeftijd van twee jaren op geen enkele wijze, direct noch indirect, contact mag opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] , geboren [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] , thans wonende [a-straat 1] te [plaats] ;- met bevel dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn."
2.3.2.
Het Hof heeft de verdachte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van één jaar en hem een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd. Het dictum van de bestreden uitspraak houdt dienaangaande in:"dat wordt bevolen dat de veroordeelde voor de duur van vijf (5) jaren- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ;- zich niet zal ophouden binnen een straal van 1 (één) kilometer van de woonadressen van [slachtoffer 1] (thans [a-straat 1] , [plaats] ), [betrokkene 1] (thans [b-straat 1] , [plaats] ) en [betrokkene 2] (adres thans onbekend).Beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 30 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op."
2.3.3.
Het Hof heeft de voor het onder 1 bewezenverklaarde opgelegde straf en maatregel als volgt gemotiveerd:"De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren met aftrek van voorarrest, alsmede een vrijheidsbeperkende maatregel, inhoudende een contact- en locatieverbod ten aanzien van met [slachtoffer 1] en haar moeder voor de duur van 2 jaren.De raadsman heeft verzocht de door de rechtbank opgelegde straf te matigen aangezien de verdachte vanwege het door het openbaar ministerie ingestelde appel niet in aanmerking is gekomen voor detentiefasering.Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstige bedreiging van zijn ex-partner en haar vriend door vanaf zeer korte afstand een vuurwapen met geluidsdemper op hen te richten en vervolgens de trekker over te halen. Beide slachtoffers vreesden op dat moment voor hun leven en zijn enorm geschrokken. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan, temeer daar de bedreiging is geschied in het bijzijn van zijn zesjarige zoon en aan deze bedreiging een jarenlange periode van belaging en bedreigingen van zijn ex-partner is voorafgegaan. Bovendien heeft de verdachte de ernst van de bedreiging nog versterkt door de eerdergenoemde uitlatingen tegen de moeder en de zus van zijn ex-partner.Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 21 augustus 2017 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld wegens misdrijven, waaronder belaging. De omstandigheid dat de verdachte hieruit geen lering heeft getrokken, weegt in zijn nadeel.De ernst van het bewezen verklaarde rechtvaardigt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van serieus te nemen omvang. Nu uit de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen die tot matiging van de op te leggen straf aanleiding geven en het hof geen inzicht heeft gekregen in de geestvermogens van de verdachte, omdat hij, ondanks zijn toezegging aan de rechter-commissaris, niet of nauwelijks heeft meegewerkt aan reclasseringsrapportages en onderzoek in het Pieter Baan Centrum, is het hof - alles overwegende en mede gelet op de noodzaak van generale en speciale preventie - van oordeel dat een gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Daarbij wordt afgeweken van de door de advocaat-generaal gevorderde straf, omdat het hof tot een (veel) beperktere bewezenverklaring komt.Daarnaast is het hof, met de advocaat-generaal, van oordeel dat het noodzakelijk is aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, inhoudende een contactverbod met het slachtoffer, [slachtoffer 1] , haar moeder [betrokkene 1] en haar zus [betrokkene 2] , alsmede een verbod zich te begeven binnen een straal van één kilometer van de woonadressen van het slachtoffer en haar moeder, teneinde te voorkomen dat de verdachte zich opnieuw schuldig maakt aan het plegen van (soortgelijke) strafbare feiten.Naar het oordeel van het hof moet - gelet op de inhoud van het dossier waaruit naar voren komt dat de verdachte langdurig op verontrustende en misdadige wijze het slachtoffer en haar omgeving is blijven lastig vallen, hetgeen hem op een civielrechtelijk contact- en gebiedsgebod is komen te staan waarbij de omgangsregeling met zijn zoontje is opgeschort, en hij ook na zijn veroordeling in eerste aanleg contact heeft gezocht met de moeder van het slachtoffer - ernstig rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de verdachte wederom contact zal opnemen met het slachtoffer of met de moeder en zus van het slachtoffer en hij wederom jegens het slachtoffer of personen in haar omgeving een misdrijf zal plegen of zich belastend zal gedragen. Om deze redenen, en voorts ter beveiliging van de maatschappij, beveelt het hof de oplegging van de maatregel voor de duur van vijf jaar met de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan en bepaalt het de vervangende hechtenis voor de duur van 30 dagen voor iedere keer dat de verdachte zich niet aan de maatregel houdt. Afwegend het belang van de verdachte zich vrijelijk te kunnen bewegen op de openbare weg tegen het belang van [slachtoffer 1] en haar familie gevrijwaard te zijn van (ernstige) inbreuken op hun privacy en persoonlijke vrijheid door gedragingen van de verdachte, is het hof van oordeel dat het belang van laatstgenoemden zwaarder weegt dan het belang van de verdachte.Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur en na te noemen vrijheidsbeperkende maatregel passend en geboden."
2.4.1.
De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang.- Art. 14c, tweede lid aanhef en onder 5° en 6°, Sr:
- Art. 38v Sr zoals dat luidde ten tijde van het onder 1 bewezenverklaarde:
"2. Bij toepassing van artikel 14a kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd, of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, dan wel binnen een door de rechter te bepalen termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd, heeft te voldoen:(...)5°. een verbod contact te leggen of te laten leggen met bepaalde personen of instellingen;6°. een verbod zich op of in de directe omgeving van een bepaalde locatie te bevinden."
"1. Ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten kan een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid worden opgelegd bij de rechterlijke uitspraak:(...)2. De maatregel kan inhouden dat de verdachte wordt bevolen:a. zich niet op te houden in een bepaald gebied,b. zich te onthouden van contact met een bepaalde persoon of bepaalde personen,c. zich op bepaalde tijdstippen te melden bij de daartoe aangewezen opsporingsambtenaar.3. De maatregel kan voor een periode van ten hoogste twee jaren worden opgelegd.4. De rechter kan bij zijn uitspraak, ambtshalve of op vordering van de officier van justitie, bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen.5. Het bevel, bedoeld in het vierde lid, kan door de rechter die kennisneemt van het hoger beroep, ambtshalve, op verzoek van de veroordeelde of op vordering van het openbaar ministerie, worden opgeheven.6. De maatregel kan tezamen met straffen en andere maatregelen worden opgelegd."
2.4.2.
De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wet van 17 november 2011 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering in verband met de invoering van een rechterlijke vrijheidsbeperkende maatregel (rechterlijk gebieds- of contactverbod), Stb. 2011, 546, in werking getreden op 1 april 2012, houdt onder meer het volgende in:"3. Inhoud van de maatregel(...)De rechter zal bij het opleggen van de maatregel streven naar een zo gering mogelijke beperking van de grondrechten van de verdachte, in verhouding tot de belangen van beveiliging van de maatschappij of de voorkoming van strafbare feiten. Een gebiedsverbod, contactverbod of meldplicht beperkt de vrijheid van bewegen en handelen. Bij de toepassing daarvan dient rekening te worden gehouden met de plaats waar de betrokkene woont en werkt of naar school gaat. Een gebiedsverbod zal een exacte omschrijving bevatten van het gebied waarbinnen de veroordeelde zich niet mag bevinden. Dit zal individueel moeten worden afgewogen. Zonodig kan de maatregel zodanig worden geformuleerd dat de betrokkene via een vastgestelde route zijn woning, werk of school kan bereiken. (...)
3.1
Gebiedsverbod Een gebiedsverbod kan een verbod betreffen om zich in of in de omgeving van bepaalde gebouwen op te houden, dan wel een verbod om zich in een bepaald gedeelte of bepaalde delen van een wijk dan wel in bepaalde straten te bevinden. Het gebiedsverbod kan een algemeen verbod bevatten, dan wel een verbod voor bepaalde tijdstippen, dagen of data. Het kan bijvoorbeeld gaan om een verbod zich tijdens de avonduren waarin de veroordeelde, al dan niet in groepsverband, in een wijk of bij een publieke plaats zoals een station strafbare feiten heeft gepleegd gericht tegen voorbijgangers, bepaalde bewoners of winkeliers. In geval van voetbalvandalisme kan het bijvoorbeeld gaan om een stadionverbod tijdens alle wedstrijden van een bepaalde club. Het spreekt voor zich dat de rechter, in het kader van de proportionaliteit van de op te leggen maatregel, altijd eerst beziet of een verbod zich op bepaalde tijdstippen te bevinden in de omgeving van bepaalde gebouwen of locaties afdoende is. In veel gevallen zal dat zo zijn, zodat de veroordeelde niet onnodig in zijn vrijheid wordt beperkt. Als echter blijkt van zodanige feiten of omstandigheden dat een verdergaand verbod naar tijd of plaats noodzakelijk is, dan kan daartoe worden overgegaan.(...)6. Rechtsbescherming(...)
6.2
Veroordeling bij verstek(...)De in consultatie door de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak en het openbaar ministerie gegeven overweging een bijzondere rechtsgang te scheppen teneinde een opheffing of wijziging van de voorziening door de rechter mogelijk te maken, is niet overgenomen. Een dergelijke rechtsgang zou tot gevolg hebben dat een derde rechter oordeelt over de op te leggen maatregel en de consequenties die worden verbonden aan het niet naleven hiervan. Dit zou onnodig belastend zijn voor de rechtspraktijk. Daar waar het onverminderd handhaven van de opgelegde maatregel door veranderde omstandigheden mogelijk onredelijk is, kan indien het vonnis onherroepelijk is geworden een gratieverzoek worden ingediend. In andere gevallen zal in de praktijk zoveel mogelijk rekening moeten worden gehouden met de gewijzigde situatie. Uiteindelijk is het oordeel aan de rechter-commissaris of de gewijzigde omstandigheden hebben geleid tot een onmogelijkheid of onredelijkheid om de maatregel na te leven, waardoor de vervangende hechtenis mogelijk niet of slechts voor een beperkt deel ten uitvoer gelegd moet worden. Zoals het openbaar ministerie opmerkt in zijn advies moet een meldplicht bijvoorbeeld niet uitpakken als een verhuisverbod, doordat het in het vonnis bepaalde politiebureau in een bepaalde gemeente ligt, terwijl de veroordeelde gaat verhuizen naar de andere kant van het land. Het verdient daarom de voorkeur dat de plaats van melding algemeen bepaald wordt, bijvoorbeeld het politiebureau in de woonplaats van de veroordeelde. Dit geldt zeker indien bij het wijzen van het vonnis valt te voorzien dat de veroordeelde in de periode waarvoor de maatregel geldt mogelijk gaat verhuizen.(...)7. Verhouding van de maatregel tot andere vrijheidsbeperkende interventies(...)
7.1
Vrijheidsbeperkende interventies na de berechtingBij het opleggen van (bijzondere) voorwaarden bij voorwaardelijke veroordeling (artikel 14c Sr) en bij de voorwaardelijke invrijheidstelling (artikel 15 Sr) kunnen gebiedsverboden, contactverboden en meldingsgeboden als bijzondere voorwaarden worden opgelegd. De regering bevordert de toepassing van bijzondere voorwaarden in het kader van de persoonsgerichte aanpak. Hiermee wordt gedragsverandering bij veroordeelden beoogd. Veel veroordeelden zitten korter dan twee maanden in detentie. Dit is te kort om een blijvende gedragsverandering te bereiken. Op meerdere plekken in deze toelichting is beschreven hoe een voorwaardelijke straf daarvoor meer ruimte biedt door de proeftijd van meerdere jaren en door de toepassing van op de persoon van de veroordeelde afgestemde bijzondere voorwaarden. Dit is het belangrijkste verschil in karakter tussen de bijzondere voorwaarde en de thans voorgestelde maatregel die niet gericht is op blijvende gedragsbeïnvloeding, maar op herstel van de geschonden rechtsorde. Van de acties ter bevordering van de toepassing van bijzondere voorwaarden maakt ook deel uit een wijziging van de wettelijke regeling van de voorwaardelijke veroordeling. Met die wetswijziging (Kamerstukken 32 319) wordt onder meer de wettelijke verankering van de bijzondere voorwaarden uitgebreid door een lijst met mogelijke bijzondere voorwaarden vast te leggen, en wordt een mogelijkheid gecreëerd voor snel ingrijpen indien de voorwaarden niet worden nageleefd. Met het onderhavige wetsvoorstel worden de sanctiemogelijkheden van de rechter verruimd, doordat de rechter zich bij het opleggen van een vrijheidsbeperkende sanctie in de vorm van een gebiedsverbod, contactverbod of meldplicht, niet langer hoeft te beperken tot het kader van de voorwaardelijke veroordeling. Zoals aangegeven, wordt met de toepassing van bijzondere voorwaarden bij de voorwaardelijke bestraffing beoogd om onder begeleiding en toezicht van de reclassering tot structurele gedragsverandering, dat wil zeggen doorbreking van criminele gedragspatronen, te komen. De proeftijd van enkele jaren biedt daarvoor de gelegenheid. Dit veronderstelt wel dat er sprake is van ernstiger strafbare feiten, die de toepassing van ook ingrijpende bijzondere voorwaarden gericht op gedragverandering gedurende langere tijd rechtvaardigen. Bij toepassing van de voorwaardelijke strafmodaliteiten dient de zwaarte van de interventie om die reden in verhouding te staan tot de hoogte van de voorwaardelijke straf en daarmee tot de ernst van het feit, hetgeen de mogelijkheden bij lichtere strafbare feiten beperkt. Bovendien is er alleen indien de strafdreiging zwaar genoeg is een prikkel voor de veroordeelde om de voorwaarde na te leven. De maatregel als thans voorgesteld, is bedoeld voor al die gevallen waarin de rechter niet met een voorwaardelijke sanctie een blijvende gedragsverandering van de veroordeelde kan of wil bereiken, maar wel met een gerichte vrijheidsbeperking de geschonden rechtsorde wil herstellen. Dit kan het geval zijn bij «lichte feiten» of lichte gevallen van «zware feiten» waarbij voorwaardelijke veroordeling geen indruk maakt omdat de straf die er achter dreigt te laag is. (...)Het is goed om te benadrukken dat aan de rechter een algemene bevoegdheid wordt toegekend om deze maatregel op te leggen en dat het dus aan de rechter is om in concrete gevallen waar beperking van de vrijheid van de veroordeelde gewenst is te kiezen voor een vrijheidsbeperkende maatregel of een voorwaardelijke veroordeling. Het wetsvoorstel sluit niet uit dat de rechter bij de veroordeling zowel een vrijheidsbeperkende maatregel als een voorwaarde bij een voorwaardelijke straf kan opleggen. Deze combinatie kan aan de orde zijn in een geval waarin de rechter het wenselijk acht dat ook indien de betrokkene hoger beroep instelt de ordemaatregel van het gebieds- of contactverbod direct ingaat, zonder dat de proeftijd voor de eveneens opgelegde gedragsveranderende bijzondere voorwaarde(n) op dat moment reeds ingaat. Dit kan worden bereikt door een direct uitvoerbare vrijheidsbeperkende maatregel en een bijzondere voorwaarde die ten uitvoer wordt gelegd op het moment dat het vonnis onherroepelijk wordt, op te leggen. In zo'n geval kan de combinatie gewenst zijn en stuit zij niet op bezwaren. In geval van een voorwaarde en een maatregel die dezelfde gedragsbeperking beogen en bovendien op hetzelfde moment uitvoerbaar zijn, zou een dergelijke combinatie - zoals het openbaar ministerie ook in zijn advies beschrijft - wel tot gecompliceerde situaties kunnen leiden indien bijvoorbeeld de maatregel niet wordt nageleefd én de veroordeelde opnieuw een strafbaar feit pleegt waardoor de voorwaarde wordt overtreden. De betrokkene zou dan - in verschillende rechtsgangen - geconfronteerd kunnen worden met enerzijds een nieuwe straf voor het gepleegde strafbare feit en de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf en anderzijds de vervangende hechtenis voor de opgelegde maatregel. Een dergelijke situatie zal zich evenwel, gelet op de afzonderlijke beslissingen die de rechter hierover neemt, niet voordoen." (Kamerstukken II 2010/11, 32 551, nr. 3, p. 4-5 en 15-20)
2.5.1.
De eerste klacht van het middel berust op de opvatting dat het de rechter niet vrijstaat met betrekking tot dezelfde persoon, in dit geval [slachtoffer 1] , gelijktijdig een contactverbod op te leggen zowel op de voet van art. 14c Sr (als bijzondere voorwaarde) als op de voet van art. 38v Sr (als vrijheidsbeperkende maatregel). Die opvatting vindt geen steun in het recht. Mede gelet op de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis bij art. 38v Sr ligt het weliswaar in de rede – ook met het oog op het voorkomen van complicaties bij de tenuitvoerlegging – dat de rechter kiest of hij een vrijheidsbeperkende maatregel oplegt dan wel een contactverbod als bijzondere voorwaarde stelt bij een voorwaardelijke veroordeling, maar art. 14c, tweede lid, en 38v Sr verzetten zich niet ertegen dat de rechter bij een veroordeling zowel een vrijheidsbeperkende maatregel als een daarmee vergelijkbare voorwaarde bij een voorwaardelijke straf oplegt.
2.5.2.
De klacht faalt.
2.6.1.
Het middel klaagt voorts over de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel voor zover inhoudende dat de verdachte zich niet mag ophouden binnen een straal van één kilometer van het woonadres van [betrokkene 2] , omdat de bestreden uitspraak inhoudt dat het woonadres van Verkooij "thans onbekend" is.
2.6.2.
De door het Hof opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel, inhoudende dat de verdachte zich niet zal ophouden binnen een straal van één kilometer van de "woonadressen van (...) [betrokkene 2] (adres thans onbekend)", is in strijd met art. 38v, tweede lid onder a, Sr omdat daarbij niet een voldoende precieze omschrijving van het gebied waarbinnen de verdachte zich niet mag bevinden, is geformuleerd. Anders dan het Hof kennelijk tot uitgangspunt heeft genomen, is de enkele aanduiding van een (onbekend) woonadres van een bepaalde persoon niet een voldoende precieze omschrijving van het gebied waarin de verdachte zich niet mag ophouden, en moet de rechter dat gebied in zijn uitspraak aanduiden, waarbij de wettelijke regeling niet de mogelijkheid biedt om die aanduiding nadien te wijzigen.
2.6.3.
Voor zover het middel hierover klaagt, is het gegrond. De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen en de vrijheidsbeperkende maatregel vernietigen voor zover deze betrekking heeft op " [betrokkene 2] (adres thans onbekend)".
overwegingen

3

3.1.
Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd op 6 mei 2015. Het Hof heeft de verdachte ter zake daarvan onder meer veroordeeld tot een vrijheidsbeperkende maatregel van vijf jaren.
3.2.
Art. 38v Sr is gewijzigd bij wet van 30 juni 2015 tot wijziging van de Gemeentewet en het Wetboek van Strafrecht ter aanscherping van de maatregelen ter bestrijding van voetbalvandalisme en ernstige overlast, Stb. 2015, 255. Daarbij is in het derde lid de maximale duur van de op te leggen vrijheidsbeperkende maatregel verhoogd van twee jaren naar vijf jaren. Deze wet is in werking getreden op 1 juli 2015 (Stb. 2015, 256).
3.3.
De wijziging van deze bepaling houdt, in het licht van art. 1, eerste lid, Sr, een wijziging in van de toepasselijke regels van sanctierecht. Gelet hierop is de oplegging van de maatregel voor de duur van vijf jaren in strijd met het te dezen toepasselijke art. 38v, derde lid, Sr, zoals dat luidde tot 1 juli 2015.
3.4.
Na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen, waaronder het belang van een doelmatige rechtspleging, zal de Hoge Raad de zaak in dit opzicht zelf afdoen en de door het Hof opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel bepalen op de ten tijde van het onder 1 bewezenverklaarde feit maximaal mogelijke duur van twee jaren.
beslissing

4

De Hoge Raad: vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft:- de duur van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel; - de vrijheidsbeperkende maatregel, voor zover inhoudende dat de veroordeelde zich niet zal ophouden binnen een straal van één kilometer van het woonadres van " [betrokkene 2] (adres thans onbekend)"; vermindert de duur van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in die zin dat deze twee jaren beloopt; verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van .