Uitspraak ECLI:NL:HR:2019:335

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-03-2019. De uitspraak is gedaan door Hoge Raad op 12-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:HR:2019:335, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/00236


Bron: Rechtspraak

12 maart 2019Strafkamernr. S 17/00236

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

[verdachte]

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 11 januari 2017, nummer 23/001841-14, in de strafzaak tegen:

ECLI:NL:HR:2019:335:DOC
nl

12 maart 2019Strafkamernr. S 17/00236
Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

[verdachte]

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 11 januari 2017, nummer 23/001841-14, in de strafzaak tegen:
1

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Procureur-Generaal J. Silvis heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van de strafoplegging, en tot vermindering van de straf in de mate die de Hoge Raad passend acht en tot verwerping van het beroep voor het overige.
overwegingen

2

2.1.
Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd bewezen heeft geacht dat de verdachte met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening elektriciteit heeft weggenomen.
2.2.1.
Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat:"hij in de periode van augustus 2008 tot en met 2 september 2013 te Heerhugowaard met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan Liander, waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking."
2.2.2.
Het onder 3 bewezenverklaarde steunt in het bijzonder op het volgende bewijsmiddel:"11. Een geschrift, te weten een op 13 september 2013 gedateerde schriftelijke verklaring van [betrokkene 2], administratief medewerker (doorgenummerde pagina 192 t/m 194). Deze verklaring houdt het volgende in, zakelijk weergegeven:(ad 3)Ik ben bevoegd tot het doen van aangifte namens Liander N.V. (hierna Liander).Liander transporteert en distribueert energie naar de contractant van perceel [a-straat 1] te Heerhugowaard. Vanaf 30 april 2008 heeft Liander met een persoon/bedrijf genaamd [verdachte] een overeenkomst betreffende de aansluiting en transport van elektriciteit naar genoemd perceel.Op verzoek van Liander is in samenwerking met de politie te Heiloo op 2 september 2013 door een fraudespecialist van Liander een onderzoek ingesteld naar de aansluiting, waaronder de meetinrichting in genoemd perceel.Bij dit onderzoek zag de fraudespecialist dat de ijkschroefgleuven op de elektriciteitsmeter waren beschadigd. Hij zag dat de ijkzegels niet de originele door de fabriek aangebrachte ijkzegels waren en deze waren ook niet door Liander aangebracht. Door de originele zegels te verbreken is het mogelijk de kap van de elektriciteitsmeter te verwijderen waardoor het telwerk van de meter komt vrij te liggen. Het is dan mogelijk de stand van het telwerk te beïnvloeden waardoor een juiste registratie niet meer kan plaatsvinden.De hoofdbeveiliging ten behoeve van de elektrische installatie was verzwaard van 3 x 25 Amp naar 3 x 50 Amp. Hierdoor kon de juiste tarievenregeling niet worden toegepast en was het gelijktijdig af te nemen vermogen van de getransporteerde Electra niet meer in overeenstemming met de installatie.Door de manipulatie werd de afgenomen elektriciteit ten behoeve van de hennepplantage niet via de elektriciteitsmeter geregistreerd. Door de politie is in samenwerking met de fraudespecialist een registratie gemaakt van de in de hennepplantage aangetroffen apparatuur en het door de fraudespecialist geconstateerde vermogen hiervan. Uit het onderzoek is gebleken dat de hennepplantage was ingericht in ieder geval in de periode van augustus 2008 tot 2 september 2013. Dit betekent dat er in deze periode vermoedelijk sprake is geweest van ten minste 20 eerdere oogsten. Naar aanleiding van die inventarisatie is door mij een berekening gemaakt dat er minimaal 473.701 kWh illegaal is afgenomen (weggenomen) ten behoeve van de hennepplantage. Niemand is gerechtigd de elektra, zijnde eigendom van Liander, op deze wijze weg te nemen en zich toe te eigenen. Historisch verbruik elektriciteitOpgenomen meterstandenDatum door telwerk I telwerk II2-9-2013 Liander 92.641 90.190(...)"
2.2.3.
Het Hof heeft ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde in het verkort arrest voorts het volgende overwogen:"Uit het dossier komt naar voren dat dat de ijkschroefgleuven beschadigd waren en de ijkzegels van de elektriciteitsmeter niet origineel waren, waardoor het mogelijk was om de kap van de meter te verwijderen en de stand van het telwerk te beïnvloeden. De fraudespecialist van Liander heeft berekend dat bij een pleegperiode van augustus 2009 tot en met 2 september 2013 minimaal 473.701 kWh is afgenomen ten behoeve van de hennepplantage. Uit het dossier blijkt dat de tellerstand van de meter op het moment van de doorzoeking een veel lager verbruik aangaf dan genoemde 473.701 kWh én door de verdachte ook een veel lager stroomverbruik aan Liander is doorgegeven.Op grond van bovenstaande acht het hof bewezen dat verdachte elektriciteit heeft weggenomen en dat heeft gedaan met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening.Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van elektriciteit zoals onder 3 ten laste is gelegd."
2.2.4.
Het Hof heeft ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde in een aanvulling verkort arrest voorts het volgende overwogen:"Nadere bewijsoverwegingen(...)De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzettelijk telen in de bewezenverklaarde periode en heeft daartoe - gelet op de toestand waarin de woning werd aangetroffen - tevens de elektriciteit die voor de plantage nodig is, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weggenomen. Uit het bewijs volgt immers dat de teller van de elektriciteitsmeter moet zijn teruggedraaid. Dat de verdachte tevens onjuiste meterstanden heeft doorgegeven om het telen van hennep en de diefstal van electra te verhullen, neemt niet weg dat hij elektriciteit heeft weggenomen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening."
2.3.
Het oordeel van het Hof dat het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening kan worden bewezenverklaard, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat uit de bewijsvoering van het Hof als zijn, niet onbegrijpelijk, oordeel kan worden afgeleid dat (het niet anders kan zijn dan dat) de verdachte ten tijde van het afnemen van de elektriciteit het oogmerk had de ten behoeve van de hennepplantage afgenomen elektriciteit zich wederrechtelijk toe te eigenen. Bij dit oordeel heeft het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk betrokken dat de verdachte door de manipulatie van het telwerk de gebruikelijke berekening van de werkelijke hoeveelheid in de bewezenverklaarde periode afgenomen elektriciteit aan de hand van meterstanden heeft verstoord, waarmee wordt beoogd dat die werkelijke hoeveelheid niet wordt meegenomen in de vaststelling van de verschuldigde vergoeding over de in die periode verbruikte elektriciteit.De enkele omstandigheid dat het afnemen van elektriciteit dat gepaard gaat met manipulatie van de registratie van de hoeveelheid afgenomen stroom, onder omstandigheden (ook) kan worden aangemerkt als een ander delict dan diefstal, zoals de in het middel gestelde oplichting, maakt dat niet anders.
2.4.
Het middel faalt.
overwegingen

3

3.1.
Het derde middel klaagt onder meer dat het Hof heeft verzuimd te beslissen op het namens de verdachte gedane beroep op overschrijding van de redelijke termijn.
3.2.1.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in: "Ook dient bij de strafoplegging rekening te worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn (thans ca. 8 maanden) waarbinnen het hoger beroep moet zijn afgerond (...)"
3.2.2.
Hetgeen door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn in de zin van art. 6 EVRM dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het Hof naar voren is gebracht. Het Hof is in zijn arrest van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt afgeweken, maar heeft, in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv niet in het bijzonder de redenen opgegeven die daartoe hebben geleid. Dat verzuim heeft ingevolge art. 359, achtste lid, Sv nietigheid tot gevolg. Het middel klaagt daarover terecht.
3.2.3.
De Hoge Raad zal zelf de zaak afdoen.
3.3.
Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan 2 jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk.
overwegingen

4

De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
beslissing

6

De Hoge Raad: vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf; vermindert deze in die zin dat deze 21 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, beloopt; verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien, M.J. Borgers, J.C.A.M. Claassens en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van .