Uitspraak ECLI:NL:HR:2019:266

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 21-02-2019. De uitspraak is gedaan door Hoge Raad op 08-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:HR:2019:266, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/05027


Bron: Rechtspraak

8 maart 2019Nr. 17/05027
Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van te (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het van 14 september 2017, nr. 16/03482, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 15/1165) betreffende het van belanghebbende ingehouden bedrag aan loonheffing over het tijdvak oktober 2014. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

ECLI:NL:HR:2019:266:DOC
nl

8 maart 2019Nr. 17/05027
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van te (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het van 14 september 2017, nr. 16/03482, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 15/1165) betreffende het van belanghebbende ingehouden bedrag aan loonheffing over het tijdvak oktober 2014. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 29 november 2018 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2018:1450).
overwegingen

2

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
In mei 2013 heeft belanghebbende een ontslagvergoeding ontvangen van zijn voormalige werkgever. Belanghebbende heeft de vergoeding laten uitbetalen aan [B] B.V. (hierna: de stamrecht-BV). Daarbij is met toestemming van de Inspecteur de stamrechtvrijstelling van artikel 11, lid 1, aanhef en letter g, van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2013; hierna: Wet LB) toegepast.

2.1.2.
Op vordering van belanghebbende heeft de Rechtbank Oost-Brabant bij vonnis van 21 augustus 2014 aan belanghebbende een schadevergoeding van € 305.000 toegekend wegens kennelijk onredelijke opzegging van de arbeidsovereenkomst.

2.1.3.
Bij brief van 28 augustus 2014 heeft belanghebbende de Inspecteur verzocht om ook op deze schadevergoeding de stamrechtvrijstelling toe te passen. De Inspecteur heeft dit verzoek afgewezen. De voormalige werkgever heeft op 13 oktober 2014 de schadevergoeding betaald aan de stamrecht-BV onder inhouding van € 158.600 aan loonheffing.

2.2.1.
Voor het Hof was onder meer in geschil of terecht loonheffing is ingehouden bij uitbetaling van de schadevergoeding.

2.2.2.
Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord. Daartoe heeft het Hof onder meer overwogen dat artikel 11, lid 1, aanhef en letter g, Wet LB is vervallen per 1 januari 2014 en dat de schadevergoeding niet vóór die datum is genoten. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat niet is voldaan aan de voorwaarden van de overgangsregeling van artikel 39f, lid 1, Wet LB omdat geen sprake is van een op 31 december 2013 bestaande aanspraak.

2.3.1.
Het eerste middel keert zich tegen de in 2.2.2 weergegeven oordelen van het Hof. Dit middel faalt op de gronden vermeld in de onderdelen 6.16, 6.23 tot en met 6.26, 6.30 tot en met 6.35 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.

2.3.2.
De overige middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, omdat de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

beslissing

4

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2019.