Uitspraak ECLI:NL:HR:2019:26

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 08-01-2019. De uitspraak is gedaan door Hoge Raad op 08-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:HR:2019:26, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/04384


Bron: Rechtspraak

8 januari 2019

Strafkamernr. S 17/04384 A
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest

[verdachte]

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van 8 juni 2017, nummer H 158/16, in de strafzaak tegen:

ECLI:NL:HR:2019:26:DOC
nl

8 januari 2019

Strafkamernr. S 17/04384 A
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest

[verdachte]

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van 8 juni 2017, nummer H 158/16, in de strafzaak tegen:
1

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de opgelegde straf, met vermindering daarvan wegens een inbreuk in cassatie op het recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
overwegingen

2

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
overwegingen

3

De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van 90 maanden.
beslissing

4

De Hoge Raad:vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;vermindert deze in die zin dat deze 87 maanden beloopt;verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van .