Uitspraak ECLI:NL:HR:2019:21

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 08-01-2019. De uitspraak is gedaan door Hoge Raad op 08-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:HR:2019:21, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/02394


Bron: Rechtspraak

8 januari 2019Strafkamernr. S 17/02394
Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

[verdachte]

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 19 januari 2017, nummer 21/006534-14, in de strafzaak tegen:

ECLI:NL:HR:2019:21:DOC
nl

8 januari 2019Strafkamernr. S 17/02394
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest

[verdachte]

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 19 januari 2017, nummer 21/006534-14, in de strafzaak tegen:
1

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben C. Grijsen, advocaat te Almere en R. van Leusden, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Procureur-Generaal J. Silvis heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van de middelen

2.1.
Het eerste middel klaagt dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat de verdachte geen opzet had op het voordeel trekken uit een door misdrijf verkregen goed. Het tweede middel klaagt dat het bewezenverklaarde 'opzettelijk voordeel trekken' ten aanzien van het opzet niet toereikend is gemotiveerd. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
2.2.1.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:"hij in de periode van 26 maart 2009 tot en met 11 december 2013 in de gemeente Almere opzettelijk voordeel heeft getrokken uit hetgeen werd aangeschaft met door misdrijf verkregen geld, te weten geld van een door [betrokkene 1], met wie hij, verdachte duurzaam een gezamenlijke huishouding voerde als bedoeld in de Wet Werk en Bijstand, door middel van het door die [betrokkene 1] opzettelijk niet voldoen aan de inlichtingenverplichtingen, uit hoofde van de Wet Werk en Bijstand verkregen uitkering, welk geld werd besteed aan het huishouden waarvan hij, verdachte, deel uitmaakte."
2.2.2.
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:"1. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal d.d. 29 januari 2014 van verbalisant [verbalisant], sociaal rechercheur bij de sociale recherche Flevoland, voor zover inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant] - zakelijk weergegeven:Door verdachte [betrokkene 1] werd op 3-6-2005 bij Sociale Zaken van de gemeente Almere een aanvraag in het kader van de Wet Werk en Bijstand (nader te noemen WWB) ingediend. Door burgemeester en wethouders van gemeente Almere werd met ingang van 29-7-2005 aan verdachte [betrokkene 1] een WWB-uitkering volgens de norm alleenstaande toegekend en wel bij beschikking van 15-9-2005.Op 1 januari 2005 is de Abw uitkering omgezet naar een uitkering in het kader van de Wet Werk en Bijstand (nader te noemen WWB).Door burgemeester en wethouders van gemeente Almere werd met ingang van 1-12-2013 de uitkering van verdachte [betrokkene 1] beëindigd.Aan de toekenning van de uitkering werd onder meer de voorwaarde verbonden dat de verdachte [betrokkene 1] op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling maakt van alle feiten en omstandigheden, w.o. werkzaamheden en/of inkomsten en leefsituatie, waarvan haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht, hoogte en continuering van de uitkering. Voor de verstrekking van deze gegevens diende de verdachte gebruik te maken van verstrekte formulieren, zijnde inkomstenformulieren en/of mutatieformulieren. Voornoemde voorwaarde is bepaald in artikel 65 van de Abw en vanaf 1 januari 2005 artikel 17 van de WWB. Bij de toekenningsbeschikking van Abw/WWB uitkering wordt een bijlage gevoegd waarop deze verplichtingen staan vermeld. Aan de hand van de door verdachte(n) persoonlijk ingevulde en ondertekende inkomstenformulieren en/of mutatieformulieren werd de hoogte van de uitkering vastgesteld en uitbetaald.Met betrekking tot het vaststellen van het hoofdverblijf van verdachte [betrokkene 1] op adres [a-straat 1] te [postcode] (GBA adres verdachte [verdachte]) is uit het onderzoek onder meer het volgende gebleken.Waarnemingen:Bij de uitgevoerde waarnemingen rond 08.00 uur 's morgens, is regelmatig gezien dat verdachte [betrokkene 1] met haar kinderen uit het portiek kwam van de [a-straat 1] Almere. Bij de waarnemingen uitgevoerd op de adressen [b-straat 1] Almere en de [a-straat 1] Almere is de groene Opel Astra kenteken [AA-00-BB], die in gebruik was bij verdachte [betrokkene 1], regelmatig geparkeerd aangetroffen in de [a-straat 2] ter hoogte van nummer […] en nooit aangetroffen op de [b-straat 2] ter hoogte van nummer […].Getuigen verhoren:Uit getuigenverhoren is gebleken dat verdachte [betrokkene 1] in ieder geval vanaf het jaar 2009 haar hoofdverblijf heeft bij verdachte [verdachte] op het adres [a-straat 1] te Almere.Vitens:Bij de Vitens contractgegevens van het verbruiksadres [a-straat 1] te Almere welke op naam staat van verdachte [verdachte], is het email adres van verdachte [betrokkene 1] bekend: […]. Ook de bankrekening [001] welke op naam van verdachte [betrokkene 1] staat, is bekend bij de Vitens in verband met gedane betalingen voor het adres [a-straat 1] te Almere.UPC:Het UPC abonnement van telefoonnummer [002] op het adres [a-straat 1] te Almere staat op naam van verdachte [betrokkene 1] (= sedert zesde maand van 2009).Huisbezoek:Bij een huisbezoek op 9-4-2013 op het adres [a-straat 1] te Almere stond rechts naast de voordeur een doos van het bedrijf Zalando en de doos was geadresseerd aan mevrouw [betrokkene 1], [a-straat 1] te Almere.Waterverbruik:Het waterverbruik op het adres [a-straat 1] te Almere over de periodes van 27-8-2009 tot en met 30-8-2010 (=170 m3) en van 30-8-2010 tot en met 6-9-2011 (=175 m3), komt overeen met het waterverbruik van 2 volwassenen en 2 kinderen, terwijl alleen [verdachte] op dit adres staat ingeschreven. De periodes na september 2011 is het verbruik geschat en gebaseerd op het verbruik in voorgaande jaren. Het waterverbruik op het adres [b-straat 1] te Almere over de periode van 1-9-07 tot en met 31-8-12 bedroeg 90 m3 per jaar en dat komt overeen met het waterverbruik van 2 personen (Nibudnorm), terwijl op dit adres tot en met 2-12-11, 4 personen stonden ingeschreven en per 3-12-11 een 5e persoon ingeschreven (kind).Ymere: Uit bankafschriften van bankrekening [001] blijkt dat verdachte [betrokkene 1] sedert 26-3-2009 regelmatig de huur betaalt voor het adres [a-straat 1] Almere (woning [verdachte]).Nuon:Uit bankafschriften van bankrekening [001] blijkt dat verdachte [betrokkene 1] sedert de maand juli 2009 regelmatig de Nuon rekening betaalt voor het adres [a-straat 1] Almere (woning [verdachte]).Uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat de verdachte [betrokkene 1] in de periode van 26-3-2009 tot en met 11-12-2013 in de gemeente Almere, in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, kennelijk opzettelijk nagelaten heeft tijdig de benodigde gegevens (inlichtingen) te verstrekken (woonsituatie) aan de Sociale Zaken van de gemeente Almere, waarvan verdachte [betrokkene 1] wist dan wel redelijkerwijs moest weten dat de gegevens van belang waren voor de vaststelling van het recht, hoogte en/of duur van haar uitkering. Hierdoor ontving verdachte [betrokkene 1] een uitkering, waarop zij geen recht had, althans niet volledig. Zij deed immers voorkomen alsof zij alleenstaande was, terwijl gebleken is dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met de verdachte [verdachte] op het adres [a-straat 1] te Almere in de periode 26-3-2009 tot en met 11-12-2013.
2. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter d.d. 7 november 2014, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte - zakelijk weergegeven:Het tenlastegelegde klopt ongeveer. Het begon met de weekenden dat [betrokkene 1] bij mij verbleef. Langzaam aan is zij toen bij mij ingetrokken. Ik had geen inkomsten en veel schulden. Het klopt dat zij geregeld de huur betaalde en boodschappen deed. Zij heeft mij geholpen.
3. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof d.d. 5 januari 2017, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte - zakelijk weergegeven:Ik wist dat [betrokkene 1] een uitkering had. [betrokkene 1] en ik heb nooit overwogen om onze situatie met de sociale dienst te overleggen.In de tenlastegelegde periode stond alleen ik op het adres [a-straat 1] ingeschreven. Ik had altijd in mijn achterhoofd dat [betrokkene 1] forse schulden had uit een vorige relatie. Ik wilde geen schuldeisers aan de deur."
2.2.3.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt in:"Opzet3. Wat de verdediging betreft hoeft geen discussie te bestaan over de vraag of cliënt en zijn partner op enig moment een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Anders dan de tenlastelegger stelt hebben zij niet de gehele periode samengewoond, maar is in de loop van de tijd een situatie ontstaan dat zijn partner af en toe bij hem verbleef welke periodes zich uitbreidden. Omdat cliënt op dat moment geen enkel inkomen had, betaalde zij bovendien zo nu en dan enkele vaste lasten en boodschappen. Daarmee heeft hij voordeel getrokken uit haar uitkering, ook daarover hoeft geen discussie te bestaan.4. Er hoeft ook geen discussie te bestaan over de vraag of cliënt wist dat zijn partner een uitkering had. Dat wist hij, alhoewel hij niet van alle ins en outs van deze uitkering op de hoogte was. Wat daarbij van belang is, is het feit dat cliënt geen inzicht had in de bankrekening van zijn partner, noch in haar uitkeringsspecificaties of de informatie die zij aan de uitkeringsinstantie verstrekte.5. Daarmee zijn wij gekomen bij het opzetverweer. Om tot een bewezenverklaring te komen dient niet alleen bewezen te worden dat cliënt opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitkering van zijn partner, maar ook dat hij opzet had op het door misdrijf verkrijgen van deze uitkering. Het dossier zal dus informatie moeten bevatten waaruit volgt dat cliënt opzet had op een door zijn partner te plegen misdrijf teneinde deze gelden te verkrijgen, namelijk door het opzettelijk onjuist informeren van de uitkeringsinstantie.6. Het dossier bevat geen enkele informatie waaruit blijkt dat cliënt wist van het feit dat zijn partner de uitkeringsinstantie onjuist informeerde over haar gezinssamenstelling, als daar al sprake van was. Van een zwaardere vorm van opzet dan voorwaardelijk opzet kan naar het oordeel van de verdediging dan ook zeker geen sprake zijn. Via een constructie van voorwaardelijk opzet zou dan eventueel nog een bewezenverklaring kunnen volgen. 7. In dat geval zal er vastgesteld moeten worden dat er een aanmerkelijke kans is dat de partner van cliënt zich aan een misdrijf schuldig zou maken teneinde de uitkering te verkrijgen, welke aanmerkelijke kans cliënt bovendien bewust heeft aanvaard. De verdediging stelt zich op het standpunt dat van beide elementen geen sprake kan zijn, zowel geen aanmerkelijke kans als geen bewuste aanvaarding.8. Allereerst is de kans dat de partner van cliënt een misdrijf zou plegen teneinde de uitkering te verkrijgen naar algemene ervaringsregelen niet als aanmerkelijk aan te merken. Cliënt had geen enkele reden om aan te nemen dat zijn partner niet zou voldoen aan de eisen van de uitkeringsinstantie. Bovendien was het haar uitkering en rustte op hem dus geen verplichting om gegevens aan de uitkeringsinstantie door te geven of te controleren. Het enkele feit dat cliënt niet actief heeft nagevraagd of zijn partner melding had gemaakt van het feit dat er sprake was van financiële steun aan hem, maakt niet dat sprake is van een aanmerkelijke kans dat zij haar gegevens niet juist doorgaf aan de uitkeringsinstantie.9. Indien uw hof meent dat wel degelijk sprake was van een aanmerkelijke kans op een door de partner van cliënt te plegen misdrijf, dan is vervolgens de vraag of cliënt zich bewust was van deze kans en/of hij die aanmerkelijke kans dan bewust heeft aanvaard. Ook hiervan is naar het oordeel van de verdediging geen sprake.10. Cliënt had ten tijde van de tenlastegelegde periode geen inkomen. Niet alleen de partner van cliënt hielp hem financieel, ook zijn moeder en overige familie deed dat. Het was voor cliënt dus niet vreemd dat hij financiële steun ontving. Bovendien had zijn partner de laagst mogelijke uitkering. Het feit dat cliënt zelf bewust geen uitkering aanvroeg omdat hij geen problemen wilde veroorzaken met de uitkering van zijn partner, geeft aan dat hij niet bewust een aanmerkelijke kans heeft willen aanvaarden op het plegen van een misdrijf, zowel door hem als door zijn partner.11. De uitkering wanneer zij een gezamenlijke uitkering hadden aangevraagd zou bovendien veel hoger geweest zijn dan de uitkering die zijn partner nu ontving. Ook dat is een indicatie dat cliënt niet bewust een aanmerkelijke kans heeft aanvaard op het plegen van een misdrijf door zijn partner.12. De zaak laat zich goed vergelijken met de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 1 september 2015 ECLI:NL:HR:2015:2456, waarin een zeer vergelijkbare casus zich voordeed en waarin de Hoge Raad casseert omdat uit bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit door misdrijf verkregen geld nu uit de bewijsmiddelen niet volgt dat verdachte wist dat niet werd voldaan aan de inlichtingenverplichting uit hoofde van de Wet Werk en Bijstand. Ook het onderhavige dossier bevat daarvoor geen bewijsmiddelen, terwijl cliënt ontkent wetenschap gehad te hebben van de verkeerde inlichtingen van zijn partner.13. Gelet op al het voorgaande meent de verdediging dan ook dat cliënt moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde."
2.3.
Uit de bewijsvoering volgt, mede in aanmerking genomen hetgeen namens de verdachte is aangevoerd, niet zonder meer dat de verdachte "opzettelijk" voordeel heeft getrokken uit hetgeen werd aangeschaft met door misdrijf verkregen geld, nu uit die bewijsvoering niet zonder meer volgt dat het opzet van de verdachte was gericht op de omstandigheid dat [betrokkene 1] niet had voldaan aan de inlichtingenverplichting uit hoofde van de Wet werk en bijstand. De bewezenverklaring is dus in zoverre niet naar de eis van de wet met redenen omkleed.

2.4.
De middelen klagen hierover terecht.
beslissing

3

De Hoge Raad: vernietigt de bestreden uitspraak; wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van .